Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/255414-24
Datum uitspraak: 18 februari 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ( [land] ),
op dit moment gedetineerd in het [detentiecentrum] te [plaats 1] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 8 november 2024 (pro forma) en 4 februari 2025 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.M. Offers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.A.W. Knoester naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 8 augustus 2024 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op of omstreeks 8 augustus 2024 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het onder de feiten 1 en 2 ten laste gelegde met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen te verklaren feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024253153, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn-Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 195).
De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring van feit 1 de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 februari 2025;
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] (blz. 124 t/m 128);
De geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 1] d.d. 24 augustus 2024 (blz. 189 t/m 192).
De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring van feit 2 de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 februari 2025;
Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] (blz. 129 t/m 133);
De geneeskundige verklaring betreffende [slachtoffer 2] d.d. 20 augustus 2024 (blz. 193 t/m 195).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 8 augustus 2024 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 1] meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2.
hij op 8 augustus 2024 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] met een mes in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was en op grond daarvan dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het standpunt van de verdediging
Ook de raadsman heeft betoogd dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten en dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft kennis genomen van het Pro Justitia-rapport psychiatrisch onderzoek van 21 januari 2025, opgesteld door [naam 1] (psychiater) en [naam 2] (arts in opleiding) en van het Pro Justitia-rapport psychologisch onderzoek, ook van 21 januari 2025, opgesteld door [naam 3] (GZ-psycholoog) en [naam 4] (klinisch psycholoog).
Alle deskundigen hebben geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van schizofrenie en aan een stoornis in het cannabisgebruik. De deskundigen hebben gerelateerd dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten psychotisch was en dat deze psychose zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde volledig heeft beïnvloed. De verdachte kon, op het moment van het plegen van de aan hem verweten feiten, het ontoelaatbare van zijn handelen niet inzien. De deskundigen hebben geadviseerd de verdachte ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten als volledig ontoerekeningsvatbaar aan te merken.
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde rapportages op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het psychiatrisch en psychologisch onderzoek worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank volgt deze conclusies en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank acht de verdachte derhalve niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.
6. Oplegging van de maatregel
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden wordt opgelegd, met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de TBS-maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard en dat aan de verdachte de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z lid 1 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt opgelegd.
Het standpunt van de verdediging
Ook de raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen. Wel heeft hij verzocht de voorwaarde van het reisverbod aan te passen in die zin, dat de verdachte zich buiten de Europese landsgrenzen van Nederland mag begeven, met toestemming van de reclassering. Met betrekking tot de dadelijke uitvoerbaarheid en het opleggen van een GVM heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag op zijn beide ouders. Hij heeft zijn vader meermalen gestoken met een mes, onder meer in zijn gezicht, nek, borst en buik. Zijn moeder heeft hij gestoken in haar zij.
Dit zijn zeer ernstige feiten. Het behoeft geen betoog dat het voor de slachtoffers een zeer beangstigende en bedreigende ervaring is geweest, temeer omdat de verdachte hun eigen zoon was en zij zich al langere tijd zorgen maakten over zijn psychische toestand. Beide slachtoffers waren weerloos tegen het explosieve geweld van de verdachte en hebben niet alleen zwaar fysiek, maar ook psychisch letsel opgelopen. Daarnaast zijn diverse omwonenden en passanten getuige geweest van het incident en heeft dit, zo volgt uit hun verklaringen, grote emotionele impact op hen gehad.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn strafblad van 24 september 2024. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de al genoemde Pro Justitia-rapportages. De deskundigen concluderen in deze rapportages dat de kans op recidive hoog is. Zij nemen daarbij in aanmerking dat de verdachte (zoals passend is bij een psychotische stoornis) geen ziektebesef heeft op het moment dat hij psychotisch begint te decompenseren, dat hij in het verleden heeft laten zien zorgmijdend te zijn als het slechter met hem gaat, en dat zijn toestandsbeeld in een kort tijdsbestek heel snel en heftig kan escaleren. Ook ging de verdachte in het verleden meer blowen in tijden van stress, wat een psychose kan luxeren of versterken.
De deskundigen zijn van mening dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is om de kans op recidive te verlagen. Deze behandeling moet volgens hen gericht zijn op het herkennen en verminderen van de geloofwaardigheid van waangedachten en hallucinaties, emotieherkenning en -regulatie en het verstevigen van zijn copingvaardigheden. Ook moet er aandacht zijn voor het cannabisgebruik van de verdachte als risicofactor voor gewelddadig gedrag en is het volgens de deskundigen van belang de verdachte intensief te begeleiden bij het stellen van realistische sociaal-maatschappelijke doelen.
Om deze interventies te realiseren adviseren de deskundigen de rechtbank om de verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen. De deskundigen achten een dergelijke maatregel haalbaar, gelet op de behandelbereidheid van de verdachte en de motivatie om herhaling van een soortgelijk delict te voorkomen.
In het maatregelenrapport van 29 januari 2025 onderschrijft de reclassering het advies van de deskundigen om de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen. De reclassering schrijft in haar rapport dat de verdachte intrinsiek gemotiveerd is voor behandeling, dat hij er alles aan wil doen een dergelijke situatie in de toekomst te voorkomen, en dat hij bereid is zich te houden aan de geadviseerde voorwaarden. Vanwege de gemotiveerde houding van de verdachte en in aanmerking genomen dat hij first offender is, verwacht de reclassering dat de verdachte zich zal houden aan de voorwaarden, en acht zij het opleggen van TBS met dwangverpleging op dit moment niet noodzakelijk.
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het inmiddels een stuk beter met hem gaat. Hij heeft verklaard dat hij geen cannabis meer gebruikt, medicatie gebruikt en geen stemmen meer hoort. Hij heeft verklaard dat hij het nut van behandeling en het opleggen van TBS met voorwaarden inziet en heeft zich (nogmaals) bereid verklaard zich aan de voorwaarden te houden.
Hoewel de rechtbank ter terechtzitting zelf ook de indruk heeft gekregen dat het vergeleken met een half jaar geleden beter gaat met de verdachte en dat hij veel steun ervaart vanuit zijn familie, is zij gelet op het ziektebeeld van de verdachte, de aard en de ernst van de feiten en het verhoogde recidiverisico, van oordeel dat de verdachte (nog steeds) een gevaar vormt voor de algemene veiligheid van personen. Nu, zoals volgt uit het voorgaande, ook overigens is voldaan aan de in artikel 37a Sr gestelde voorwaarden, zal de rechtbank de verdachte in lijn met het advies van de deskundigen en de reclassering de maatregel van TBS met voorwaarden opleggen. Anders dan de verdediging heeft verzocht zal de rechtbank de voorwaarde van het reisverbod, gelet op de uitleg van de reclassering daaromtrent zoals door de officier van justitie ter terechtzitting is toegelicht, niet wijzigen.
De rechtbank merkt op dat zij de maatregel zal opleggen voor misdrijven die gericht zijn tegen en gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen als bedoeld in artikel 38e Sr.
Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd zal de rechtbank, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 26 november 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1729), niet de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS-maatregel gelasten.
Wel zal de rechtbank een GVM opleggen. De rechtbank stelt vast dat voldaan is aan de voorwaarden voor het opleggen van een GVM zoals opgenomen in artikel 38z, eerste lid, Sr, nu de verdachte ter beschikking wordt gesteld als bedoeld in de artikelen 37a en 38 Sr en het ter bescherming van de algemene veiligheid van anderen nodig is dat na de TBS gedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden.
7. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen:
- 37a, 38, 38a, 38z, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
8. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van de feiten 1 en 2, telkens:
poging tot doodslag;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
verklaart de verdachte niet strafbaar;
ontslaat de verdachte ter zake van alle rechtsvervolging;
gelast de terbeschikkingstelling van de verdachte;
stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
dat de veroordeelde:
1. zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
2. meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de veroordeelde:
3. zich laat opnemen en zal verblijven in de FPK Rotterdam of soortgelijke forensische klinische instelling, zulks te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start direct aansluitend aan zijn detentie op 19 februari 2025. De opname duurt zolang de reclassering en het behandelteam dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de daar geldende huisregels, afspraken en aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering en het behandelteam een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vinden, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing. De veroordeelde houdt zich aan de afdelingsregels ten aanzien van het gebruik van computer en internet;
4. meewerkt aan een time-out. Als de reclassering dat nodig vindt en de veroordeelde daarmee instemt, kan de veroordeelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de veroordeelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
5. aansluitend aan zijn klinische opname zal verblijven in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. Het verblijf duurt zolang de reclassering en zorginstelling dat nodig vinden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
6. zich aansluitend aan zijn klinische behandeling laat behandelen door een forensisch ambulante behandelinstelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en/of de zorginstelling dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
7. geen drugs en alcohol gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn ademonderzoek (blaastest) en urineonderzoek;
8. zich inzet voor het realiseren en behouden van een passende en door de reclassering goedgekeurde dagbesteding en aan de voorwaarden c.q. regels die hem gesteld worden;
9. inzage geeft in zijn financiën en meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen. Desgewenst werkt hij mee aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen en/of beschermingsbewind;
10. zich niet buiten de Europese landsgrenzen van Nederland zal begeven;
geeft opdracht aan GGZ Reclassering Fivoor om de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
legt aan de veroordeelde op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking;
heft het bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het moment dat de veroordeelde fysiek is opgenomen in de FPK Rotterdam, of een soortgelijke instelling.
Dit vonnis is gewezen door
mr. P. Burgers, voorzitter,
mr. J.L.E. Bakels, rechter,
mr. R.J. Wortelboer, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 februari 2025.