ECLI:NL:RBDHA:2025:22661

ECLI:NL:RBDHA:2025:22661, Rechtbank Den Haag, 06-05-2025, 09/235438-24

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-05-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer 09/235438-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Overtreden Opiumwet + medeplegen poging zware mishandeling. Verweren omtrent Landeck-arrest en bewijs. GEV 20 maanden waarvan 15 maanden voorw. pt. 2 jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/235438-24

Datum uitspraak: 6 mei 2025

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[de verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 6 november 2024, 30 januari 2025 (beide pro forma) en 22 april 2025 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. D.M. Snoep en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. D.W. Roos naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

3. Bespreking verweer over vormverzuim ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.hij op of omstreeks 9 augustus 2024 te 's-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of- het opzettelijk vervaardigen

van MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet

- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers zijn bij verdachte aangetroffen- een of meerdere weegschalen en/of- gripzakjes en/of- stiften en/of- een poederkwast en/of- geld (€ 265,- en/of € 166,50 en/of € 1800,-),- (ongeveer) 250 gram MDMA, althans een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;

2.hij in de periode van 3 juli 2024 tot en met 8 augustus 2024 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van verdachte en een of meer onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10 derde, vierde, vijfde lid en/of 10a eerste lid Opiumwet;

3.hij op of omstreeks 31 juli 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijkzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) voornoemd slachtoffer,- meermalen tegen het hoofd en/of lichaam geslagen en/of- meermalen tegen het hoofd geschoptterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 31 juli 2024 te 's-Gravenhage, openlijk, te weten, op de Paul Krugerlaan, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , door naar die [slachtoffer] toe te lopen en/of die [slachtoffer]- te slaan en/of- te schoppen.

De raadsman heeft betoogd dat het onderzoek aan de onder de verdachte in beslag genomen telefoons onrechtmatig is geweest. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman gewezen op het zogenoemde Landeck-arrest van de Grote Kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 oktober 2024 en het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2025. Uit deze arresten volgt dat onderzoek aan opgeslagen gegevens in mobiele telefoons een ernstige of zelfs zeer ernstige inbreuk op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer (artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, hierna: EVRM) opleveren. Gelet daarop is toestemming door een rechter of onafhankelijke autoriteit vereist voordat een telefoon wordt doorzocht. Deze toestemming ontbreekt in de onderhavige zaak. De raadsman stelt zich op het standpunt dat daarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim en dat dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting van de met dit onderzoek verkregen gegevens.

De rechtbank overweegt het volgende.

Gezien het Landeck-arrest kan worden gesteld dat in alle gevallen, ongeacht de aard en ernst van de inbreuk, voorafgaand aan het veiligstellen van op een telefoon aanwezige gegevens en aan het rechtstreeks raadplegen daarvan toestemming van een rechter of een onafhankelijke autoriteit is vereist, nu de uit een telefoon verkregen gegevens een min of meer compleet beeld van het privéleven van een verdachte kunnen geven en de inbreuk dus zeer ingrijpend kan zijn. Aangezien ten aanzien van de onderhavige telefoons sprake was van voorafgaande toestemming van de officier van justitie om de telefoons uit te lezen en niet van een rechter, constateert de rechtbank dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim.

Bij de bepaling of en zo ja, welk rechtsgevolg aan dit vormverzuim moet worden verbonden, dient de rechtbank rekening te houden met het geschonden belang, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door het verzuim wordt veroorzaakt.

Geschonden belang

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een vormverzuim waarbij niet (rechtstreeks) het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM is geschonden, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, te weten het recht op privacy zoals is neergelegd in artikel 8 EVRM.

Ernst van het verzuim

Als sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, kan het onder omstandigheden noodzakelijk zijn aan een dergelijk vormverzuim een gevolg te verbinden, waaronder ook is begrepen bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van de rechtbank doet een dergelijke situatie zich hier niet voor. De rechtbank neemt in aanmerking dat sprake was van een onderzoek naar ernstige strafbare feiten in georganiseerd verband en dat een machtiging van de rechter-commissaris, indien deze voorafgaand aan het onderzoek aan de telefoons was aangevraagd, naar alle waarschijnlijkheid zou zijn verkregen.

Nadeel

Het belang van de verdachte dat een gepleegd strafbaar feit niet wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang en kan niet gelden als nadeel in de zin van artikel 359a lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv).

Voor zover het nadeel voor de verdachte daaruit zou bestaan dat de politie en het openbaar ministerie kennis hebben genomen van privé-informatie die de verdachte op zijn telefoon had staan, terwijl hij recht had op bescherming van zijn privacy, overweegt de rechtbank dat zij enkel de gegevens die zijn voortgekomen uit het onderzoek naar de iPhone X voor het bewijs zal bezigen. Deze telefoon, door de politie aangemerkt als ‘dealertelefoon’ bevatte enkel zakelijke gegevens van en over de verdachte. Er stond nagenoeg geen privé-informatie over de verdachte op.

Rechtsgevolg

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Al het voorgaande in aanmerking genomen volstaat de rechtbank met de constatering van een vormverzuim en zal zij de gewraakte resultaten van het onderzoek aan de iPhone X niet uitsluiten van het bewijs.

4. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in de bijlage opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverwegingen

Feit 1

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte van feit 1 moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen voorhanden had. De rechtbank verwerpt dit verweer.

Een deel van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen is aangetroffen in een zwarte sporttas, die werd aangetroffen in de slaapkamer van de woning aan het [adres] in Den Haag. Hoewel slechts de partner van de verdachte op dit adres stond ingeschreven, kan naar het oordeel van de rechtbank ook de verdachte worden aangemerkt als een persoon die duurzaam in deze woning heeft verbleven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in de slaapkamer een paspoort en een dagvaarding op naam van de verdachte en een kastgedeelte vol met mannenkleding zijn aangetroffen en dat de verdachte ten tijde van zijn aanhouding in het bezit was van een toegangstag van het appartementencomplex, een sleutel van de brievenbus en een sleutel van de voordeur van de woning.

In de rechtspraak wordt als uitgangspunt genomen dat de bewoner van een woning geacht wordt bekend te zijn met alles wat zich in die woning bevindt en dat hij daarover ook de beschikking heeft. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als de verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Nu de verdachte zich op dit punt op zijn zwijgrecht heeft beroepen en daarom in het geheel geen verklaring heeft afgelegd, zal de rechtbank niet afwijken van het uitgangspunt en bewezen achten dat de verdachte de in de sporttas aangetroffen voorwerpen voorhanden had.

Het overige deel van de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen is aangetroffen in de brievenbus behorende bij het [adres] . De politie heeft de camerabeelden van het appartementencomplex bekeken en beschreven dat de verdachte op 8 augustus 2024 om 22:40 uur één van de brievenbussen opende, een diepvrieszak uit de brievenbus pakte, daar een kleiner zakje, voorzien van een witte substantie, uithaalde en in zijn nektasje stopte. Hierna sloot de verdachte de diepvrieszak en stopte hij deze terug in de brievenbus. Op 9 augustus 2024 om 00:12 uur opende de politie de betreffende brievenbus. Zij trof hierin een doorzichtige plastic tas aan, met daarin een grote hoeveelheid verdovende middelen. De politie herkende de zak als de diepvrieszak waarmee zij de verdachte op de camerabeelden handelingen hadden zien verrichten. In de zak werden meerdere gripzakjes met onder andere witte substanties aangetroffen. Na onderzoek is gebleken dat de gripzakjes MDMA en cocaïne bevatten.

Anders dan de raadsman heeft de rechtbank, gelet op de waarnemingen van de politie en de uiterlijke overeenkomst, geen reden om te twijfelen aan de constatering dat de zak waarmee de verdachte op de camerabeelden handelingen heeft verricht dezelfde zak is als de zak met de witte substanties die de politie twee uur daarna aantrof in de brievenbus.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de verdachte ook de in de tenlastelegging genoemde drugs voorhanden heeft gehad. Dat tussen het moment waarop de verdachte handelingen verrichtte bij de brievenbus en het moment waarop de politie de zak uit de brievenbus haalde een tijdsspanne van bijna twee uur zit, brengt de rechtbank niet tot een andere conclusie. Dat eventuele derden in de tussentijd handelingen hebben verricht in de brievenbus of met de diepvrieszak, zoals de raadsman heeft gesuggereerd, doet immers niet af aan de conclusie dat (ook) de verdachte er handelingen mee heeft verricht en dus voorhanden heeft gehad. Het dossier bevat overigens geen aanwijzingen dat derden in de genoemde tijdsspanne ook daadwerkelijk toegang hadden tot de brievenbus.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen voorhanden heeft gehad en dat hij zich omstreeks 9 augustus 2024 schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden en bevorderen van het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van MDMA en cocaïne.

Feit 2

Nu de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld dat de resultaten van het onderzoek aan de iPhone X (de ‘dealertelefoon’) van de verdachte voor het bewijs kunnen worden gebruikt, is zij van oordeel dat uit de berichten die de verdachte via WhatsApp, WhatsApp Business, Telegram, SMS en Signal verstuurde, afgeleid kan worden dat sprake was een criminele organisatie die als oogmerk had de handel in verdovende middelen in de zin van artikel 10 en 10a van de Opiumwet. De bijdrage van de verdachte aan de verwezenlijking van dat oogmerk was - gelet op de (vele) berichten - substantieel en kan daarom als deelneming aan de handel in verdovende middelen worden aangemerkt. Zo volgt uit de berichten onder meer dat de verdachte zogenoemde ‘drugsrunners’ aanstuurde, dat er met meerdere personen veelvuldig werd gesproken over verschillende soorten verdovende middelen en dat er over en weer berichten werden gestuurd over de prijs van die verdovende middelen. De verdachte heeft over de aangetroffen berichten geen verklaring afgelegd.

De rechtbank is gelet op de aangetroffen berichten in de iPhone X van de verdachte dan ook van oordeel dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit.

Feit 3 primair

De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 3 primair. Hij heeft hiertoe onder meer betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat aangever [slachtoffer] tegen zijn hoofd is geschopt.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Aangever heeft verklaard dat hij op zijn handen en knieën zat, toen hij een voet met kracht recht in zijn gezicht terecht voelde komen. Getuige [getuige] heeft bevestigd dat aangever tegen zijn hoofd is geschopt. Hij heeft verklaard dat hij zag dat de verdachte en zijn medeverdachte op aangever in sloegen en trapten en dat aangever onder meer in het gezicht werd geraakt. Nadat aangever op de grond was gevallen bleven de beide verdachten op aangever inslaan en schoppen. Aangever werd hierbij onder meer meermalen in zijn gezicht geschopt, aldus [getuige] .

De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van aangever en de getuige. Zij zal dan ook uitgaan van de inhoud van die verklaringen en op grond hiervan concluderen dat de verdachte en de medeverdachte aangever meermalen tegen het hoofd hebben geschopt.

Het verweer van de raadsman, dat de verdachte geen significante bijdrage aan het geweld heeft geleverd, verwerpt de rechtbank. Uit de bewijsmiddelen volgt dat sprake was van een gezamenlijke aanval door de verdachte en de medeverdachte op aangever, waarbij beide verdachten geweldshandelingen hebben verricht en beide verdachten een significante rol hebben gehad. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Nu de kans dat iemand zwaar lichamelijk letsel oploopt wanneer hij meermalen met kracht tegen het hoofd wordt geschopt bovendien aanmerkelijk te noemen is en de verdachte deze kans met zijn handelen bewust heeft aanvaard, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de onder 3 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

5. De bewezenverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

1.hij omstreeks 9 augustus 2024 te 's-Gravenhage om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en te bevorderen, te weten- het opzettelijk bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en vervoerenvan MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,- voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers zijn bij verdachte aangetroffen- weegschalen en- gripzakjes en- stiften en- een poederkwast en- geld, € 265,- en € 166,50 en € 1800,-, en- MDMA, althans een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;

2.hij in de periode van 3 juli 2024 tot en met 8 augustus 2024 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van verdachte en onbekend gebleven personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven als bedoeld in artikel 10, vierde lid en 10a, eerste lid Opiumwet;

3 primair.hij op 31 juli 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers hebben verdachte en zijn mededader voornoemd slachtoffer- meermalen tegen het hoofd en lichaam geslagen en- meermalen tegen het hoofd geschoptterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan het reeds ondergane voorarrest op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich gedurende een maand schuldig gemaakt aan handel in verdovende middelen. De verdachte handelde hierbij binnen een crimineel samenwerkingsverband, waarin hij een sturende rol had. Hij nam bestellingen van afnemers aan, stuurde de ‘runners’ aan en zorgde voor de bevoorrading van de drugs. Het is een feit van algemene bekendheid dat de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van criminaliteit, waardoor de samenleving ernstige schade wordt berokkend. De verdachte heeft met zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding hiervan. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij voorbij is gegaan aan de belangen van de samenleving en zich enkel heeft laten leiden door eigen financieel gewin.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan voorbereidingshandelingen op die handel in harddrugs, door onder meer MDMA en cocaïne, weegschalen en geld voorhanden te hebben.

Tot slot heeft de verdachte zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] , door hem samen met de mededader meermalen tegen het hoofd en lichaam te slaan en meermalen tegen het hoofd te schoppen, ook nadat [slachtoffer] op de grond was gevallen. Dit is een ernstig feit, waarmee de verdachte de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] op grove wijze heeft geschonden.

De rechtbank rekent de verdachte het vorenstaande aan. Gelet op de aard en de ernst van de feiten en op straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel slechts de oplegging van een forse gevangenisstraf op zijn plaats.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 8 april 2025. Hieruit volgt dat sprake is van een patroon van vermogens- en geweldsdelicten.

Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden voor zover de verdachte die op de terechtzitting naar voren heeft gebracht.

De rechtbank ziet in de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt van oplegging van een forse gevangenisstraf. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank wijkt daarbij af van de vordering van de officier van justitie, omdat de ernst van de feiten naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende tot uitdrukking komt in de vordering van de officier van justitie. De rechtbank legt de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twintig maanden. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf, te weten vijf maanden, voorwaardelijk opleggen en daaraan een proeftijd van twee jaren verbinden, om de verdachte er van te weerhouden zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig te maken aan een strafbaar feit.

9. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel (feit 3)

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 18.473,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 14.473,00 aan materiële schade en € 4.000,00 aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht de vordering tot materiële schadevergoeding af te wijzen, dan wel de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk te verklaren, en de vordering tot immateriële schadevergoeding te matigen tot een bedrag van € 500,00.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot materiële schadevergoeding. Dit deel is door de verdediging gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de vordering tot immateriële schade is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending met zich meebrengen dat de nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen. De rechtbank zal de geleden immateriële schade, gelet op de toelichting door de benadeelde partij, naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.000,00. De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van immateriële schade voor het overige afwijzen.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 juli 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.

De verdachte zal voor het onder 3 primair bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 juli 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] .

10. De inbeslaggenomen voorwerpen

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht te beslissen dat de op de beslaglijst genoemde geldbedragen aan de verdachte worden teruggegeven.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genoemde voorwerpen verbeurd verklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten met behulp van deze voorwerpen zijn begaan of voorbereid, althans geheel of grotendeels door middel van deze feiten zijn verkregen.

De rechtbank zal het op de beslaglijst onder 3 genoemde voorwerp verbeurd verklaren. Dit voorwerp is voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien dit voorwerp aan de verdachte toebehoort en met behulp van dit voorwerp de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.

11. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14 a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 45, 47, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht;

- 10 a en 11b van de Opiumwet.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

12. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5 bewezen is verklaard en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

ten aanzien van feit 2:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid en 10a, eerste lid van de Opiumwet;

ten aanzien van feit 3 primair:

medeplegen van poging tot zware mishandeling;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 (TWINTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 5 (vijf) maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 1.000,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 juli 2024 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;

wijst de vordering tot immateriële schadevergoeding voor het overige af;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot materiële schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 juli 2024 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;

bepaalt dat als de mededader de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;

bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;

verklaart verbeurd de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen, te weten:

1. 431,5 EUR IBN: 09-08-2024;2. 1800 EUR IBN: 09-08-2024;3. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: Zwart, merk: Apple).

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.R.F. van Engelen, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. L. Anemaet, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2025.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. E.R.F. van Engelen
  • mr. K.C.J. Vriend
  • mr. L. Anemaet

Griffier

  • mr. M. Walenkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?