6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
7. Verzoeker, zelf meerderjarig, beoogt met zijn aanvraag verblijf bij zijn meerderjarige zus voor het uitoefenen van familie-/gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. In een bij de aanvraag gevoegde email heeft verzoekers zus in het Engels de aanvraag toegelicht. Zij schrijft dat ze voor verzoeker zorgt omdat hij dat zelf niet kan. Ze vergezelt hem bij al zijn afspraken met VWN, COA, zijn advocaat en de dokter. Als hij geen afspraken heeft, neemt ze hem mee naar haar huis omdat ze dan beter voor hem kan zorgen. Ze zorgt dat hij zijn medicijnen dagelijks op de juiste tijden inneemt. Ze zorgt voor zijn eten omdat hij niet in staat is om te koken en ze wast zijn kleding. Ze helpt hem in bad, poetst zijn tanden, knipt zijn nagels. Hij is totaal afhankelijk van haar en zij neemt volledige verantwoordelijkheid voor hem.
Het bestreden besluit
8. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoeker niet beschikt over een voor het gevraagde verblijfsdoel geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Volgens verweerder komt verzoeker ook niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op één van de in artikel 17 van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede en derde lid, van het Vreemdelingenbesluit genoemde gronden. Meer in het bijzonder komt verzoeker volgens verweerder niet in aanmerking voor vrijstelling als vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen, omdat in de adviezen van het BMA van 10 oktober 2023 en 20 juni 2024 is geconcludeerd dat verzoeker onder voorwaarden kan reizen en dat, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van verzoekers behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Vrijstelling van de mvv-verplichting omdat uitzetting van verzoeker in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM, is volgens verweerder evenmin aan de orde. Verweerder heeft daartoe geconcludeerd dat tussen verzoeker en zijn zus geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Tussen meerderjarige familieleden wordt dit familie- of gezinsleven alleen aangenomen als sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid en volgens verweerder hebben verzoeker en zijn zus dit niet aangetoond. Verweerder is ook niet gebleken dat sprake is van privéleven in Nederland omdat verzoeker hierover niets heeft aangevoerd, waarbij is aangetekend dat paragraaf B9/14 van de Vreemdelingencirculaire 2000 van toepassing is. Ook heeft verweerder geen aanleiding gezien om verzoeker met toepassing van de zogenoemde hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste om reden dat het mvv-vereiste onredelijk hard voor hem zou zijn. Dat verzoeker medische klachten heeft betekent niet dat het afwijzende besluit onredelijk hard voor verzoeker is. Voor wat verzoeker aanvoert over zijn familieleden in Nederland en zijn banden met Nederland verwijst verweerder naar de overwegingen over artikel 8 EVRM en alle omstandigheden in samenhang beoordeeld leiden volgens verweerder evenmin tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule.
De ambtshalve bij de afwijzing van een aanvraag te verrichten toets, noch de inherente afwijkingsbevoegdheid van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht hebben verweerder grond gegeven om tot een andersluidend besluit te komen.
Andere door verzoeker gevoerde procedures
9. Voorafgaand aan de onderhavige procedure, te weten op 6 maart 2023, heeft verzoeker in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Hij heeft destijds verklaard dat hij via Duitsland naar Nederland is gekomen. Hij heeft ook verklaard tot de Ahmadiyya moslims te behoren en zijn land van herkomst Pakistan, te hebben verlaten vanwege religieuze problemen. Verder heeft hij aangegeven te kampen met gezondheidsproblemen en depressies en hiervoor onder behandeling te zijn geweest bij een arts in Duitsland.
Nadat de Duitse autoriteiten verweerder hebben bericht dat zij het claimverzoek op grond van de Dublinverordening niet accepteren omdat Italië verzoeker niet binnen de daarvoor toepasselijke termijn heeft overgedragen, heeft verweerder de Italiaanse autoriteiten een claimverzoek gestuurd. Op 26 april 2023 hebben de Italiaanse autoriteiten het claimverzoek afgewezen omdat verzoeker in Italië een verblijfsvergunning asiel is verleend geldig tot 23 november 2025 en hij dus niet meer onder de Dublinverordening valt.
Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker vervolgens behandeld in de nationale asielprocedure. Met het besluit van 6 september 2023 heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard omdat verzoeker in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming is verleend. Verweerder heeft verzoeker tevens het bevel gegeven om onmiddellijk naar het grondgebied van Italië te gaan.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Bij tussenuitspraak van 9 april 2024 heeft de rechtbank een motiveringsgebrek in dit besluit vastgesteld en verweerder in de gelegenheid gesteld om dit te herstellen door advies te vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA) en dit kenbaar bij zijn besluitvorming te betrekken. Met het aanvullende besluit van 9 juli 2024, gebaseerd op het BMA-advies 20 juni 2024 heeft verweerder van die gelegenheid gebruik gemaakt. Bij uitspraak van 2 december 2024 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 22 september 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State deze uitspraak bevestigd waarmee het besluit op verzoekers asielaanvraag in rechte onaantastbaar is geworden.
10. Naast de hiervoor weergegeven asielprocedure heeft verzoeker tevergeefs geprocedeerd om uitstel van vertrek als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000 te verkrijgen. Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft verweerder verzoekers aanvraag om uitstel van vertrek afgewezen. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Hangende de bezwaarprocedure heeft het BMA op 4 februari 2025 opnieuw advies aan verweerder uitgebracht. Nadat verweerder bij besluit op bezwaar van 22 april 2025 bij de afwijzing van de aanvraag om uitstel van vertrek is gebleven, heeft de rechtbank het tegen dit besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 16 oktober 2025 ongegrond verklaard. Tijdens de zitting hebben partijen verklaard dat tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, zodat ook de afwijzing van het verzoek om uitstel van vertrek in rechte is komen vast te staan.
Meer dan gebruikelijke afhankelijkheid
11. In de onderhavige procedure heeft verweerder zoals gezegd zijn standpunt dat verzoeker niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste wegens strijd met 8 EVRM, gebaseerd op de conclusie dat tussen verzoeker en zijn zus geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Tussen meerderjarige familieleden wordt dit familie- of gezinsleven alleen aangenomen als sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Dit hangt af van omstandigheden zoals: samenwoning; financiële afhankelijkheid; praktische afhankelijkheid; de gezondheid van de gezinsleden; banden met eventuele andere gezinsleden de mate waarin anderen de benodigde zorg kunnen geven en de banden met het land van herkomst. Verweerder heeft benadrukt dat het daarbij aan verzoeker is om uit te leggen en aan te tonen dat hij en zijn zus meer dan gebruikelijk afhankelijk zijn van elkaar en verzoekers zijn daar volgens verweerder niet in geslaagd.
Op grond van de bij verweerder bekende dossierinformatie neemt verweerder weliswaar aan dat sprake is van een zekere mate van praktische en emotionele afhankelijkheid tussen verzoeker en zijn zus, maar verzoeker heeft volgens verweerder niet aangetoond dat verzoeker voor zijn dagelijks functioneren volledig afhankelijk is van de zorg van zijn zus. Zo wijst verweerder erop dat verzoeker ook langere tijd zonder zijn zus in Italië heeft verbleven en dat hij in Nederland ook zelfstandig in de opvang heeft verbleven. Verweerder merkt verder op dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij in de periode dat hij in Duitsland verbleef met zijn zus samenwoonde. Evenmin heeft verzoeker aangetoond dat zijn zus (met hulp van haar echtgenoot) de enige is die hem de nodige bijstand kan geven. Verweerder oppert dat het verlenen van de nodige bijstand ook kan worden gedaan door iemand anders in Italië, zoals een instelling. Verzoeker heeft immers eerder in Italië professionele hulp gekregen, dus bestaat volgens verweerder in Italië een reëel alternatief voor de zorg die verzoeker van zijn zus ontvangt. Dat verzoeker, zoals hij stelt, in Italië op straat is komen te staan omdat de behandelduur was verstreken, heeft hij niet aangetoond. Hij heeft ook niet aangetoond dat hij enkel in een privékliniek terecht kan en dat hij de kosten voor behandeling in Italië niet kan dragen. Bovendien dient verzoeker volgens verweerder over dergelijke zaken zijn beklag te doen bij de Italiaanse autoriteiten, die hem internationale bescherming – en daarmee ook recht op medische voorzieningen - hebben verleend. Verweerder verwijst daarbij naar het aanvullende besluit van 9 juli 2024 op zijn asielaanvraag.
Verzoeker voert aan dat tussen hem en zijn zus wel degelijk sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Hij heeft voldoende aangetoond dat zijn zus voor hem zorgt. De noodzaak van verzoeker om bij zijn zus te zijn, alsook de afhankelijkheid van haar, blijken immers expliciet uit het medisch dossier van verzoeker. Hij heeft niet alleen klachten die gerelateerd zijn aan de ontwikkelingen rond zijn verblijfsprocedure. Hij heeft zijn zus op alle vlakken, op alle momenten nodig. De meerderjarigheid van verzoeker alsook van zijn zus maken dit niet anders. Er is in deze situatie sprake van een andere vorm van afhankelijkheid dan de normale (emotionele) banden tussen familieleden. Dat er op dit moment geen sprake is van samenwoning 24 uur per dag is omdat verzoeker zich moet melden op het asielzoekerscentrum (AZC) en omdat hij daar afspraken heeft. Het AZC ligt op verre afstand van de woonplaats van zijn zus. Hij heeft al herhaaldelijk overplaatsing dan wel om vrijstelling van de meldplicht gevraagd, maar tot op heden is dit niet toegestaan. Als dat wel zou zijn toegestaan, zou hij praktisch 24 uur per dag bij zijn zus wonen. Verzoeker voert verder aan dat het ontbreken van financiële afhankelijkheid hem vooralsnog niet kan worden tegengeworpen omdat hij als asielzoeker in een AZC verblijft. Zijn gezondheidstoestand, de banden met andere gezinsleden waaronder zijn broer, schoonbroer, de mate waarin de familie de zorg kan geven die nodig is, alsook de banden met het land van herkomst dan wel met Italië, maken volgens verzoeker dat er sprake is van een meer dan normale afhankelijkheid. Hij beroept zich ook op zijn recht op privéleven in Nederland, aangezien hij grotere banden heeft met Nederland. Zijn familieleden zijn in Nederland en hij krijgt hier de behandeling die hij nodig heeft. Verzoeker voert ook aan dat indien verweerder besluit om hem te laten terugkeren naar Italië er wel degelijk sprake is van een onevenredige hardheid. Hij heeft nood aan verblijf bij zijn familie en kan niet zonder hen. Alle omstandigheden maken dat er wel degelijk sprake is van een onredelijk hard besluit.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoeker enige kans van slagen niet kan worden ontzegd. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat in de (onder 10 genoemde) procedure over het verzoek om uitstel van vertrek van verzoeker al goeddeels is ingegaan op verzoekers betoog dat het BMA ten onrechte heeft geconcludeerd dat bij vertrek van verzoeker naar Italië geen medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden ontstaat. Het BMA heeft ook niet geconcludeerd dat mantelzorg verleend door de referent, te weten de zus van verzoeker een essentieel onderdeel van de behandeling van verzoeker zou vormen. Volgens verweerder kan daarom worden volstaan met verwijzing naar de eerdergenoemde uitspraak van de rechtbank van 16 oktober 2025, waarin is geconcludeerd dat er geen reden is om aan het BMA-advies van 4 februari 2025 te twijfelen. Over verzoekers stelling dat hij meer dan gebruikelijk afhankelijk is van zijn zus, heeft verweerder in het verweerschrift opgemerkt dat in het bestreden besluit van 15 juli 2024 reeds voldoende op deze stelling is ingegaan. Verweerder heeft daarom volstaan met verwijzing naar de motivering van dat besluit. Verzoekers stelling dat hij anders dan gesteld in het BMA-advies, niet kan reizen en in Italië in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terecht zal komen die slecht zal zijn voor zijn gezondheid, heeft verweerder niet tot een andere conclusie gebracht. Verweerder heeft in reactie hierop verwezen naar de uitspraken van de rechtbank van 16 oktober 2025 en 2 december 2024 alsmede de uitspraak van de Afdeling van 22 september 2025.
Verweerders argumentatie in het voorgaande neemt echter niet weg dat er alleen al in het kader van de vraag of tussen verzoeker en zijn zus sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM vraagtekens geplaatst kunnen worden bij het in deze zaak door verweerder toegepaste beoordelingskader. Ontwikkelingen in de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, mede onder verwijzing naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geven er blijk van dat
verweerder de omstandigheid dat een vreemdeling exclusief van een referent afhankelijk is, niet als vereiste mag stellen voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Anders dan verweerder in het bestreden besluit lijkt te impliceren, betekent dat dus niet dat de banden tussen een vreemdeling en referent zo sterk móeten zijn dat zij zonder elkaar niet kunnen functioneren. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraken van de Afdeling van 20 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3275) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3275 en ECLI:NL:RVS:2025:315). Reeds in dit opzicht kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek.
De vraag of sprake is van meer dan bijzondere afhankelijkheid tussen verzoeker en zijn zus vergt een beoordeling van de feitelijke invulling van het familie-/gezinsleven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter geeft het bestreden besluit er geen blijk van dat die beoordeling voldoende deugdelijk heeft plaatsgevonden. Daarbij speelt ook de (actuele) medische situatie van verzoeker een rol en de mate waarin hij wel of niet zelfredzaam kan worden geacht. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het procesdossier aanwijzingen bevat om te vermoeden dat verslechtering van de medische situatie van verzoeker aan de orde is, al dan niet in relatie tot de vraag of bij vertrek van verzoeker naar Italië een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden verwacht kan worden. Zo heeft verweerder in de door verzoeker gevoerde procedure voor uitstel van vertrek de rechtbank bij brief van 13 mei 2025 gevraagd om de zaak zo snel mogelijk na de ontvangst van de beroepsgronden op zitting te behandelen omdat het COA van mening was dat het lang moeten afwachten van de zitting een zeer negatief effect op de geestelijke gezondheidstoestand van verzoeker heeft. Het COA heeft volgens de brief besloten om verzoeker bij wijze van uitzondering in de opvang te houden totdat er duidelijkheid is over de afloop van zijn procedure. Uit het dossier blijkt verder dat verzoeker tijdens het gehoor bij zijn inbewaringstelling op 3 november 2025 toen hem werd voorgehouden dat er zo spoedig mogelijk een overdracht naar Italië voor hem gepland zou worden, zich zodanig suïcidaal heeft geuit dat de regievoerder dit aan de medische dienst van het DTC heeft gemeld. De voorzieningenrechter vraagt zich in dit verband af of de weerslag van de onderhavige besluitvorming op de medische situatie van verzoeker wel voldoende in kaart is gebracht. Daar komt bij dat ook de vraag of voor verzoeker bij overdracht naar Italië sprake zal zijn van toegang tot voor hem benodigde zorg, in het licht van de situatie voor statushouders in Italië, onbeantwoord is gebleven. Het verweerschrift en verweerders standpunt ter zitting hebben hierover onvoldoende uitsluitsel gegeven. Wat verweerder betreft is de beoordeling van de eerder door verzoeker gevoerde procedures het sluitstuk van de in deze te maken beoordeling. De voorzieningenrechter acht dit standpunt onder de gegeven omstandigheden niet houdbaar en concludeert reeds op grond van het voorgaande tot toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.
12. De voorzieningenrechter overweegt voorts het navolgende.
1. Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun grondgebied verblijft.
2. De onderdaan van een derde land die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf, wordt opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van die andere lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd, of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van de betrokkene vereist is, is lid 1 van toepassing.
74 Bovendien moeten de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 het uit artikel 4 van het Handvest voortvloeiende verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen in acht nemen. Hieruit volgt dat zij er ook voor moeten zorgen dat een illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelander zich, zolang hij niet van dat grondgebied is verwijderd, niet in een door dat artikel 4 verboden situatie bevindt.
75 Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat dit artikel 4 wordt geschonden in het geval dat de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzen om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid (zie in die zin arresten van 19 maart 2019, Jawo, C‑163/17, EU:C:2019:218, punt 92, en 16 juli 2020, Addis, C‑517/17, EU:C:2020:579, punt 51).
1. Behoudens het bepaalde in de artikelen 16 en 17, zorgen de lidstaten ervoor dat jegens de onderdanen van derde landen, tijdens de termijn die overeenkomstig artikel 7 voor vrijwillig vertrek is toegestaan, en tijdens de termijn waarvoor overeenkomstig artikel 9 de verwijdering is uitgesteld, zoveel mogelijk de volgende beginselen in acht worden genomen:
(…)
(…)
Richtlijn 2008/115
13. Zoals hiervoor overwogen kan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. De voorzieningenrechter zal niet volstaan met dat oordeel, maar ziet aanleiding om de haar toekomende wettelijke bevoegdheid ex artikel 78 Vw 2000 te gebruiken om, in het belang van beide partijen, het geschil zo veel mogelijk finaal te beslechten en overweegt in het kader hiervan het navolgende.
14. De voorzieningenrechter heeft partijen ter zitting op het navolgende gewezen. In het besluit waartegen bezwaar is gemaakt en waarvan de voorzieningenrechter in de onderhavige procedure het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeelt, is het navolgende overwogen:
(…)
Wat betekent dit besluit voor u?
Uw aanvraag is afgewezen. U hebt geen verblijfsrecht meer. U bent op 6 september 2023 aangezegd onmiddellijk naar het grondgebied van Italië te gaan. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft echter bepaald dat u de beslissingen op uw beroepschrift asiel en op uw bezwaarschrift tegen de afwijzing van uw aanvraag om uitstel van vertrek in
Nederland mag afwachten.
(…)
15. In artikel 27, eerste lid, Vw 2000 is het navolgende bepaald:
(…)
De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:
(…)
16. De voorzieningenrechter heeft verweerder gevraagd of het niet nemen van een terugkeerbesluit verenigbaar is met richtlijn 2008/115 en of artikel 27, eerste lid, Vw 2000, gelet op artikel 6 van richtlijn 2008/115, verenigbaar is met de Hofjurisprudentie en meer in het bijzonder met het arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat (arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892).
17. Verweerder heeft aangegeven dat dit niet is aangevoerd door verzoeker en heeft ter zitting -bij herhaling- benadrukt dat de voorzieningenrechter niet buiten de omvang van het geding mag treden en de vragen of van verzoeker kan worden gevergd om naar Italië te gaan en wat de actuele medische gezondheidssituatie van verzoeker en de wijze waarop aan hem mantelzorg door zijn zus wordt verleend, niet relevant zijn in deze procedure en overigens reeds zijn beoordeeld door deze rechtbank en zittingsplaats en in rechte vast staan.
18. De voorzieningenrechter heeft verweerder voorgehouden dat doordat verweerder de aanvraag van verzoeker afwijst, verweerder -dus- vaststelt dat verzoeker geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Indien verzoeker geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft is de vraag aan de orde of verzoeker onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt. Dat is ook in deze procedure relevant want uit richtlijn 2008/115 vloeien verplichtingen voor de (voorzieningen)rechter voort die op de (voorzieningen)rechter rusten ongeacht de proceshouding van verzoeker en dus ook ongeacht welke beroepsgronden verzoeker aanvoert om zijn verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning op grond van nationaal beleid te onderbouwen. De voorzieningenrechter heeft verweerder daarom gevraagd wat de rechtsgevolgen zijn van het besluit waartegen bezwaar is ingesteld. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat sprake is van tijdsverloop tussen de beslissing waartegen bezwaar is gemaakt en de behandeling ter zitting. Verzoeker heeft onbetwist gesteld dat hij bij herhaling heeft verzocht om te beslissen op het bezwaar dat hij op 8 augustus 2024 heeft gemaakt. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder niet aan dit verzoek heeft voldaan. Verweerder heeft ook niet uit eigen beweging het besluit aanvullend gemotiveerd en hierin aangegeven wat de rechtsgevolgen van zijn besluit zijn. De voorzieningenrechter merkt ook op dat indien verweerder een besluit dat is genomen in ‘een reguliere vreemdelingenrechtprocedure’ handhaaft als hiertegen een rechtsmiddel wordt ingesteld, verweerder er goed aan doet om steeds uit eigen beweging na te gaan of het eerder vastgestelde terugkeerbesluit een actuele beoordeling van de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 en/of van het beginsel van non-refoulement vereist. Omdat verweerder dat in de onderhavige procedure heeft nagelaten een, in wezen, ter zitting heeft volstaan met de verwijzing naar het besluit en de in rechte vaststaande besluiten uit de vorige procedures, is de voorzieningenrechter wel genoodzaakt om deze actuele beoordeling zelf te verrichten.
19. Verweerder heeft dus gewezen op de hiervoor weergegeven passage in het besluit waartegen bezwaar is ingesteld en stelt zich op het standpunt dat het besluit ook voor zover het de rechtsgevolgen betreft rechtmatig is en dat de verplichting om terug te keren naar Italië is herleefd nadat is komen vast te staan dat aan verzoeker geen uitstel van vertrek hoeft te worden verleend.
20. De voorzieningenrechter heeft de vraag opgeworpen of die veronderstelling juist is gelet op de bewoordingen van artikel 6, eerste en tweede lid, van richtlijn 2008/115. Hierin is namelijk het navolgende bepaald:
(…)
Artikel 6 - Terugkeerbesluit
(…)
(…)
21. Uit deze bepalingen lijkt te volgen dat de Unierechter voor ogen heeft gehad dat een derdelander die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft éénmaal wordt opgedragen om zich, in het geval van verzoeker, naar de statusverlenende lidstaat te begeven en indien deze derdelander dit niet doet een terugkeerbesluit wordt vastgesteld. Het aan een illegaal verblijvende derdelander opdragen om zich naar de statusverlenende lidstaat te begeven is immers een van de in leden 2 tot en 5 vermelde uitzonderingen op de verplichting om een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Ook in het bepalen dat deze illegaal verblijvende derdelander moet worden opgedragen om zich onmiddellijk naar de lidstaat te begeven die de geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf heeft afgegeven, ziet de voorzieningenrechter een aanwijzing dat niet zonder meer evident is dat de verplichting van verzoeker om zich naar Italië te begeven zou herleven en vervolgens zou voortduren totdat verzoeker uit eigen beweging gevolg geeft aan dit bevel. De Uniewetgever heeft niet bepaald dat de autoriteiten bij niet-naleving van dit bevel de verwijdering naar de statusverlenende lidstaat ter hand moeten nemen, dan wel daartoe bevoegd zijn. In artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115 lijkt dwingendrechtelijk bepaald te zijn dat bij geen gevolg geven aan het bevel om naar de statusverlenende lidstaat te gaan ‘van rechtswege’ de hoofdregel van toepassing wordt. Verzoeker heeft geen gevolg gegeven aan de aanzegging om zich naar Italië te begeven om aldaar zijn rechten als statushouder te effectueren. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat verweerder verzoeker op 3 november 2025 in bewaring heeft gesteld om de terugkeer naar Italië te verzekeren. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker in staat is om zelfstandig naar Italië te vertrekken, dat deze verplichting door de bevestiging door de Afdeling van de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats in rechte vaststaat en dat deze verplichting dus is herleefd doordat de uitstel van vertrek-procedure inmiddels ook is beëindigd. Verzoeker betwist niet dat hij geen gevolg geeft aan deze verplichting, maar stelt zich onder verwijzing naar zijn medische problematiek en de noodzaak van mantelzorg dan wel de afhankelijkheid/het familie-gezinsleven met zijn zus op het standpunt dat hij niet kán voldoen aan deze verplichting.
22. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit alles buiten de omvang van het geding valt, maar de voorzieningenrechter is het daar dus niet mee eens. Ongeacht of de rechtsgevolgen van het besluit bestaan uit het bevel om naar Italië te gaan of uit het moeten nemen van een terugkeerbesluit, valt verzoeker immers onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 en deze vaststelling brengt zelfstandige verplichtingen mee voor de voorzieningenrechter.
23. Verweerder meent dat de verplichting van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115 is herleefd en dat dit ook inhoudt dat verzoeker door verweerder aan de statusverlenende lidstaat mag en moet worden overgedragen. Het is dus de vraag of dit een juiste uitleg en toepassing van het Unierecht is. Indien de hoofdregel uit artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115 echter toepasselijk zou zijn geworden, zou verweerder gehouden zijn een terugkeerbesluit vast te stellen. Dan is echter de vraag hoe deze verplichting zich verhoudt met de door de Italiaanse autoriteiten verleende internationale beschermingsstatus, temeer nu verweerder, anders dan ten aanzien van Griekenland, ten aanzien van Italië wel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en het arrest van 18 juni 2024 in de zaak QY niet van toepassing is (arrest van het Hof van 18 juni 2024, QY tegen Bundesrepublik Deutschland, C-753/22, ECLI:EU:C:2024:524). Ook komt dan de vraag op of verweerder, gelet op het arrest van het Hof van 6 juli 2023 in de zaak AA (arrest van het Hof van 6 juli 2023 in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A., C-663/21, ECLI:EU:C:2023:5400, wel bevoegd is om een terugkeerbesluit op te leggen of dat, zoals deze rechtbank en zittingsplaats meent, wel een terugkeerbesluit moet worden vastgesteld, maar de verwijdering moet worden uitgesteld op grond van artikel 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115. De rechtbank wijst in dit verband op de verwijzingsuitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 12 maart 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:3843, C-202/25, Tadmur) en 11 juli 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:12328, C-456/25, Aden).
24. Verweerder heeft in het besluit waar verzoeker nu bezwaar tegen heeft gemaakt niet vermeld wat de rechtsgevolgen zijn van de afwijzing van de aanvraag. Verweerder zal dan ook alsnog uitdrukkelijk kenbaar moeten maken of verzoeker zich naar Italië dient te begeven en wat de gevolgen zijn als hij dat niet doet. Verzoeker moet zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen en moet reeds daarom weten, voor het geval zijn bezwaar niet gegrond is, of de aanzegging om naar Italië terug te keren herleeft, dan wel dat er een terugkeerbesluit wordt vastgesteld waarin Pakistan als land van terugkeer wordt benoemd.
De rechtbank merkt hierbij op dat het Hof in haar arrest van 24 februari 2021 in de zaak M. e.a. de vraag heeft beantwoord of kort gezegd ‘statushouder in bewaring kunnen worden gesteld’ (arrest van 24 februari 2021 in de zaak M. e.a, C‑673/19, ECLI:EU:C:2021:127) . Aan het Hof is niet gevraagd om een nadere uitlegging van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115 en meer in het bijzonder of de statushouder éénmaal dient te worden aangezegd om zich naar de statusverlenende lidstaat te begeven of dat dit bevel voor onbepaalde tijd mag voortduren in het geval terugkeer van de derdelander naar zijn land van herkomst niet aan de orde is omdat het beginsel van non-refoulement hieraan in de weg staat.
25. De voorzieningenrechter overweegt voorts, in het kader van haar verplichtingen zoals die voortvloeien uit artikel 5 richtlijn 2008/115, dat de voorzieningenrechter, zo nodig ambtshalve rekening moet houden met de in artikel 5 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat zowel in het geval verweerder beoogt om verzoeker nog steeds op te dragen om zich naar Italië te begeven, als in het geval verweerder voornemens zou zijn om een terugkeerbesluit jegens verzoeker vast te stellen als het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in rechte stand zou houden, verzoeker onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt en de voorzieningenrechter dus onder meer gehouden is aan hetgeen is bepaald in artikel 5 van richtlijn 2008/115 en de nadere precisering hiervan door het Hof.
26. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat dit alles al is beoordeeld in het kader van 8 EVRM en artikel 64 Vw 2000 en ook in het besluit waartegen verzoeker bezwaar heeft gemaakt en in deze procedure een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend. De voorzieningenrechter overweegt dat dit slechts ten dele juist is. Er hebben rechterlijke controles plaatsgevonden van de besluiten van verweerder op de asielaanvraag en op het verzoek om uitstel van vertrek. De voorzieningenrechter overweegt echter dat de beoordeling of ten aanzien van Italië voor statushouders van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, geen betrekking heeft gehad op de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen, althans in die procedure is niet kenbaar beoordeeld of deze belangen in de weg staan aan het uitvaardigen van het bevel om naar de statusverlenende lidstaat te gaan. Omdat die asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard, heeft er geen beoordeling plaatsgevonden van het familieleven en het privéleven van verzoeker. Ten aanzien van de gezondheid van verzoeker is BMA om advies gevraagd met betrekking tot de vraag of verzoeker in staat is om te reizen. Daargelaten dat in dat kader de vraag opkomt of dit onderzoek volstaat en of niet alleen de feitelijke reisvoorwaarden, maar de weerslag van het besluit tot niet-ontvankelijk verklaring moet worden beoordeeld (vergelijk de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19325), vereist de vraag of deze belangen in de weg staan aan dat bevel een (deels) andere beoordeling.
27. Indien verweerder moet worden gevolgd in zijn standpunt dat de verplichting voor verzoeker om zich naar Italië te begeven herleeft, is bovendien een actuele beoordeling vereist van zowel deze belangen als van het beginsel van non-refoulement. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat verzoeker hierover niets heeft aangevoerd. Zoals de voorzieningenrechter reeds heeft overwogen staat wat verzoeker aanvoert los van de verplichtingen die de voorzieningenrechter heeft als richtlijn 2008/115 ten uitvoer wordt gelegd. Vertrekpunt bij de beoordeling die de voorzieningenrechter in dit kader moet maken zijn de in rechte vaststaande uitspraken. De voorzieningenrechter betrekt hierbij echter niet uitsluitend de data van deze uitspraken maar ook de informatie die in deze uitspraken is betrokken. De verplichting voor de voorzieningenrechter om een actuele beoordeling van het refoulementrisico te maken betekent immers dat de voorzieningenrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of er sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden ten aanzien van de eerder beoordeelde feiten en omstandigheden.
28. De voorzieningenrechter zal dus moeten nagaan of er sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten en omstandigheden die in de eerdere procedures zijn beoordeeld, waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat de beoordeling of aan verzoeker een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM moet worden verleend een andere beoordeling vergt dan de beoordeling of verzoeker kan worden aangezegd om naar Italië, dan wel naar zijn land van herkomst, terug te keren.
29. Het Hof heeft meerdere keren uitgelegd dat richtlijn 2008/115 noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld regelt en dat hieruit volgt dat geen enkele bepaling van richtlijn 2008/115 aldus kan worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfsvergunning toekent aan een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander.
30. Het Hof heeft echter in haar arrest van 22 november 2022 in de zaak X (arrest van 22 november 2022 in de zaak X, tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, EU:C:2022:913) onder meer het navolgende voor recht verklaard:
(…)
– de gezondheidstoestand van deze derdelander en de zorg die hij wegens die ziekte op dat grondgebied ontvangt, door de bevoegde nationale autoriteit samen met alle andere relevante gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het recht van de betrokkene op eerbiediging van zijn privéleven eraan in de weg staat dat jegens hem een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel wordt uitgevaardigd;
– de vaststelling van een dergelijk besluit of een dergelijke maatregel geen inbreuk maakt op dat recht op de enkele grond dat de betrokkene, in geval van terugkeer naar het land van bestemming, wordt blootgesteld aan het risico dat zijn gezondheidstoestand verslechtert, wanneer een dergelijk risico niet de door artikel 4 van het Handvest vereiste minimale ernst heeft.
(…)
31. De onderliggende procedure in die verwijzing zag op de verplichting op terugkeer naar een derde land. De voorzieningenrechter overweegt echter dat de uitlegging van het Hof betrekking heeft op richtlijn 2008/115 en dus ook relevant is als moet worden aangenomen dat verweerder, indien het besluit waartegen bezwaar is ingesteld in rechte stand zou houden, bevoegd is om verzoeker wederom op te dragen om zich naar Italië te begeven. De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5035), waarin de Afdeling de onderscheiden beoordelingskaders van 8 EVRM en artikel 64 van de Vw 2000 bespreekt.
32. De voorzieningenrechter overweegt dat de beoordeling in ‘de artikel 64 Vw-procedure’ dus niet betekent dat verweerder in de onderhavige procedure niet hoeft te beoordelen of de medische en psychische omstandigheden van verzoeker als onderdeel van zijn privéleven in de weg staan aan het verbinden van rechtsgevolgen aan zijn afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning. Verweerder heeft dit niet onderkend en de voorzieningenrechter is gehouden om dit te betrekken bij de beoordeling in deze procedure.
33. Verweerder heeft ter zitting aangegeven graag een termijn te krijgen om schriftelijk te reageren op deze rechtsvragen, welk verzoek de voorzieningenrechter vanzelfsprekend inwilligt om ook aan verweerder een eerlijk proces te bieden. Ook verzoeker zal in de gelegenheid worden gesteld om zich nader uit te laten over de vragen die de voorzieningenrechter tijdens het onderzoek ter zitting heeft opgeworpen. De voorzieningenrechter merkt hierbij ter voorlichting aan verweerder op dat niet kan worden voldaan aan het verzoek om vragen als in de onderhavige procedure door de voorzieningenrechter aan de orde gesteld op voorhand aan partijen kenbaar te maken. Vragen zoals die in de onderhavige procedure door de (voorzieningen)rechter zijn gesteld komen deels voort uit het debat ter zitting. De voorzieningenrechter heeft verweerder ter zitting ook gevraagd of het aangewezen is om deze aanvraag van verzoeker vanwege de ernstige medische problematiek van verzoeker en de verklaring van zijn zus over de omvang van de mantelzorg, in een ‘maatwerk-overleg’ of in een ‘rode knop-procedure’ te behandelen. Vanwege de uitzonderlijke specifieke feiten en omstandigheden, zoals de omstandigheid dat verzoeker gezamenlijk met onder meer zijn zus is gevlucht, hij een status in Italië heeft en zijn zus een status heeft in Nederland, zij beiden verklaren dat zij in ieder geval voor verzoeker wenst te zorgen, hiertoe ook in staat is en de kwetsbaarheid van verzoeker, lijkt precedentwerking bij een nadere maatwerkbeoordeling geen risico te vormen. Verzoeker is ter zitting verschenen. Ook verweerder heeft zich een indruk kunnen vormen van de kwetsbaarheid van verzoeker. Indien hier ter zitting geen nader gesprek over mogelijk is omdat voorafgaand aan de zitting al is beoordeeld en besloten dat -kort gezegd- het antwoord op elke vraag in dit verband ‘nee’ is, komen alle andere vragen pas aan de orde.
34. De voorzieningenrechter had gelet op het feitencomplex in de procedure en ook de signalen van het COa en de toelichting van de gemachtigde van verzoeker over de kwetsbaarheid van verzoeker, meer ruimte voor een gesprek ter zitting verwacht over een andere afdoening van de aanvraag om een verblijfsrecht voor verzoeker. Verweerder geeft immers gedurende geruime tijd aan maatwerk te willen verrichten. Daar hoort in een procedure als de onderhavige, zo meent de voorzieningenrechter, ook bij dat verweerder zich ondanks alle reeds in rechte vaststaande besluiten rekenschap geeft van de gevolgen van zijn besluitvorming. Verweerder is namelijk ook gewoon bevoegd om verzoeker wel toe te staan om bij zijn zus te verblijven en verweerder is geenszins verplicht om ‘elke aanvraag die hij kan afwijzen ook af te wijzen’. Verzoeker is een 30-jarige man die volgens de verklaring die zijn zus bij de aanvraag heeft gevoegd niet zelfstandig in staat is om zijn tanden te poetsen, zich te wassen, zijn medicatie in te nemen en naar afspraken te gaan. Verzoeker heeft zich suïcidaal geuit in verband met een mogelijk vertrek naar Italië. Verzoeker heeft verklaard in Italië te zijn opgenomen en na die opname op straat te zijn beland en omdat hij zich in Italië niet kon handhaven daarom door zijn zus naar Nederland te zijn gehaald. Verweerder mag vooralsnog ten aanzien van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel als het gaat om statushouders, maar verweerder wéét dat statushouders in Italië buitengewoon veel moeite hebben om zich staande te houden en hun rechten te effectueren. Verweerder stelt zich in dit kader echter eenvoudig op het standpunt dat de zorg die de zus biedt en de zorg die verzoeker in andere lidstaten en zijn land van herkomst heeft gehad niet is onderbouwd. Op de vraag van de voorzieningenrechter of dergelijke feiten en omstandigheden naar hun aard nader te zijn onderbouwen dan enkel met verklaringen, heeft verweerder te kennen gegeven dat dit wel van verzoeker mag worden verwacht. Verweerder doet evenwel uit eigen beweging geen enkele moeite om zelf meer informatie hierover te verkrijgen. Verweerder had best de zus van verzoeker kunnen uitnodigen voor een gehoor en had best via Dublinnet bij de Italiaanse autoriteiten kunnen informeren of er gegevens bekend zijn over een opname van verzoeker in een instelling voor gezondheidszorg. Verweerder kan zich ook best welwillender rekenschap geven van de verklaringen die verzoeker heeft afgelegd over zijn gebrek aan zelfredzaamheid, welk gebrek er in een eerder stadium van zijn verblijf in Nederland ook toe heeft geleid dat verzoeker op zijn verzoek is opgenomen in Veldzicht. De voorzieningenrechter mist elke reflectie hierover in de besluitvorming en de proceshouding ter zitting en overweegt dat dit -in deze concrete procedure- niet verenigbaar is met het openbaar verkondigen dat door verweerder altijd wordt gezocht naar het bieden van maatwerk. Hierbij heeft te gelden dat het besluit is genomen op 15 juli 2024 en verzoeker met de nodige medische en psychische problematiek kampt waardoor het altijd noodzakelijk is om na te gaan of deze problematiek wellicht is verergerd.
35. Omdat dit onderdeel van het onderzoek ter zitting dus niet lang heeft geduurd en verweerder zijn standpunt dat geen verblijf hoeft te worden verleend en de aanvraag dus wordt afgewezen handhaaft, is het nodig geweest om ook alle vragen over richtlijn 2008/115 te stellen. Verweerder had zich ook rekenschap moeten geven van de arresten die Hof heeft gewezen nadat het besluit is genomen, maar heeft die ontwikkelingen in de jurisprudentie kennelijk niet meteen in verband gebracht met de onderhavige zaak van verzoeker. Om ook dit deel van het onderzoek volledig te laten zijn en om daadwerkelijk hoor- en wederhoor te bieden als de voorzieningenrechter ambtshalve vragen aan de orde stelt, worden partijen vanzelfsprekend in de gelegenheid gesteld om hier schriftelijk nader op te reageren voor zover dit ter zitting niet goed mogelijk is geweest. De voorzieningenrechter geeft verweerder hierbij mee om zich alsnog nader te vergewissen of verweerder daadwerkelijk voornemens is, gelet op alle informatie die zich reeds in het dossier bevindt, om verzoeker te verwijderen terwijl hij, volgens verzoeker en zijn zus, niet in staat is tot basale zelfzorg.
36. De voorzieningenrechter heeft ter zitting ook medegedeeld om in het kader van de verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 2008/115 beschikking te willen hebben over de in de eerdere procedures overgelegde medische stukken een ook actuele informatie noodzakelijk te achten om (eind)uitspraak te kunnen doen in deze procedure. Verzoeker zal dan ook tevens in de gelegenheid worden gesteld om deze informatie over te leggen en de voorzieningenrechter zal verweerder vanzelfsprekend in de gelegenheid stellen om bij de schriftelijke reactie op de door de voorzieningenrechter gestelde vragen ook de nader overgelegde informatie te betrekken. Zoals ter zitting besproken is de voorzieningenrechter op de hoogte van de eerder door verzoeker gevoerde procedures en de rechterlijke beslissingen in die procedures. Verzoeker heeft evenwel ter zitting op vragen van de voorzieningenrechter verklaard dat het niet goed met hem gaat en dat hij inmiddels uit eigen beweging is gestaakt met het innemen van voorgeschreven medicatie vanwege de ‘drukte in zijn hoofd’. Gelet op deze verklaringen, bezien in samenhang met de reeds overgelegde medische informatie en de relatieve gedateerdheid hiervan, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om nader onderzoek te doen naar de actuele gezondheidssituatie van verzoeker. De voorzieningenrechter wijst ook op de eerder genoemde brief van 13 mei 2025 van verweerder in verband een dringende melding van het COA. Verweerder heeft in deze brief geschreven dat het COA van mening is dat het lang moeten wachten op de behandeling van het beroep (voorzieningenrechter: in de voorgaande procedure) een ‘zeer negatief effect op de geestelijke gezondheidstoestand van verzoeker heeft’ en dat het COA heeft besloten om verzoeker bij wijze van uitzondering in de opvang te houden totdat er duidelijkheid is over de afloop van zijn procedure. Ook hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding om nader onderzoek te doen naar de actuele gezondheidssituatie van verzoeker.
Vragen aan beide partijen
37. Gelet op al het vorenstaande verzoekt de voorzieningenrechter:
verzoeker om de navolgende informatie over te leggen:
-alle in de eerdere procedures overgelegde medische stukken;
-actuele informatie van behandelaars over het gezondheidsbeeld van verzoeker en ingezette behandelingen;
-een overzicht van voorgeschreven medicatie;
-een actuele verklaring van de zus van verzoeker over op welke wijze thans invulling wordt gegeven aan de mantelzorg;
-het patiëntendossier van de medische dienst van het DTC Rotterdam;
- beide partijen om na te gaan bij welke instelling verzoeker in Italië is opgenomen, op welke titel dit is geweest, hoe lang deze opname is geweest en waarom deze is beëindigd. Verzoeker kan dit nagaan door zijn zus te bevragen en verweerder kan dit nagaan door navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten omdat niet onaannemelijk is dat toegang tot een dergelijke instelling door de Italiaanse autoriteiten is verkregen. De voorzieningenrechter wijst er hierbij op dat verweerder wellicht beter in staat is om deze informatie te verkrijgen en ook verweerder gehouden is om te verzekeren dat in zijn besluitvorming en de uitvoering daarvan het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd.
- verweerder om, gelet op de opmerking in model M110, het proces-verbaal van gehoor van 3 november 2025, van de regievoerder dat hij schrikt van de suïcide-uitlatingen van verzoeker en daarom hiervan melding zal maken bij de medische dienst in het detentiecentrum (DTC), bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTV) navraag te doen waarom de op 3 november 2025 opgelegde maatregel op 5 november 2025 uit eigen beweging is opgeheven en na te vragen of de medische omstandigheden van verzoeker hiervoor (mede)redengevend zijn geweest. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat DTV heeft medegedeeld dat de voor de overdracht aan Italië noodzakelijke reisbescheiden niet tijdig voorhanden zouden zijn. In de maatregel van bewaring, model M109c, is echter vermeld dat verzoeker kan uitreizen op een door de DTV opgemaakt Europees reisdocument.
38. De voorzieningenrechter heeft ter zitting een aantal vragen aan partijen gesteld en partijen toegezegd de gelegenheid te bieden om hier nader schriftelijk op te reageren. De voorzieningenrechter stelt verweerder in de gelegenheid om nader te reageren op de navolgende vragen en zal verzoeker in de gelegenheid stellen om hier nader op te reageren:
-hoe verhoudt het tegenwerpen van het ontbreken van een mvv zich met de omstandigheid dat verzoeker een internationale beschermingsstatus heeft?
-welke rechtsgevolgen verbindt verweerder aan de afwijzing van de aanvraag van verzoeker?
-waarop baseert verweerder zijn standpunt dat de verplichting voor verzoeker om zich onmiddellijk naar Italië te begeven herleeft en is dit standpunt verenigbaar met artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115?
-indien verweerder niet bevoegd is om verzoeker wederom op te dragen om zich onmiddellijk naar Italië te begeven, is verweerder dan verplicht of bevoegd om een terugkeerbesluit vast te stellen? Welk gewicht komt hierbij toe aan de door de Italiaanse autoriteiten verleende internationale beschermingsstatus?
39. De voorzieningenrechter zal partijen een periode van zes weken verlenen om de gevraagde informatie over te leggen en acht weken om, indien gewenst, schriftelijk te reageren op de door de voorzieningenrechter opgeworpen rechtsvragen.
(Continuering) opvangvoorzieningen hangende het vervolg van deze procedure
40. De voorzieningenrechter acht het voorts noodzakelijk dat aan verzoeker tenminste gedurende deze procedure opvangvoorzieningen worden geboden omdat het verstoken blijven van opvang zonder meer een weerslag zal hebben op de gezondheidssituatie van verzoeker en reeds daarom in strijd moet worden geacht met de menselijke waardigheid. De voorzieningenrechter heeft reeds overwogen dat verzoeker, nu verweerder zijn aanvraag om een verblijfsvergunning heeft afgewezen, onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt omdat hij volgens verweerder niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating en verblijf.
41. De voorzieningenrechter wijst hierbij op het arrest van het Hof in de zaak Changu (arrest van het Hof van 12 september 2024, Changu, ECLI:EU:C:2024:748). In dit arrest heeft het Hof onder meer het navolgende verduidelijkt:
(…)
42. Het Hof heeft in het arrest van 12 september 2024 in de zaak Changu onder meer het navolgende voor recht verklaard:
(…)
3) De artikelen 1, 4 en 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, gelezen in samenhang met richtlijn 2008/115, moeten aldus worden uitgelegd dat een lidstaat niet verplicht is om op grond van dwingende humanitaire overwegingen een verblijfsrecht toe te kennen aan een derdelander die thans illegaal op zijn grondgebied verblijft, ongeacht hoe lang deze derdelander reeds op dat grondgebied verblijft. Zolang zijn verwijdering niet heeft plaatsgevonden, kan die derdelander zich echter beroepen op de rechten die hem zowel door het Handvest van de grondrechten als door artikel 14, lid 1, van richtlijn 2008/115 worden gewaarborgd. (…)
43. In artikel 14, eerste lid, van richtlijn 2008/115 is het navolgende bepaald:
Artikel 14 - Waarborgen in afwachting van terugkeer
b) dringende medische zorg wordt verstrekt en essentiële behandeling van ziekte wordt uitgevoerd;
d) er wordt rekening gehouden met de speciale behoeften van kwetsbare personen.
44. De voorzieningenrechter overweegt dat in punt 24 van de preambule bij richtlijn 2008/115 is bepaald dat in deze richtlijn de grondrechten en de beginselen in acht worden genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend. Gelet op dit algemene uitgangspunt en gelet op de verduidelijking van richtlijn 2008/115 in de Hofjurisprudentie, overweegt de voorzieningenrechter dat de waarborgen die een derdelander aan artikel 14, eerste lid, van richtlijn 2008/115 ontleent in afwachting van terugkeer naar een derde land, toekomen aan iedere derdelander die onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115 valt en dus ook aan verzoeker.
45. Voor zover uit artikel 3 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers en/of de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 dan ook zou volgen dat verzoeker geen aanspraak maakt op opvang omdat hij niet onder artikel 3, tweede lid onder h, of een van de andere in dit Rva-artikel genoemde categorieën zou vallen, verklaart de voorzieningenrechter deze regeling dan ook in de onderhavige procedure buiten toepassing omdat het Unierecht prevaleert.
46. De voorzieningenrechter houdt iedere verdere beslissing met inbegrip van de beslissing over de proceskosten aan. De voorzieningenrechter zal als de gevraagde informatie is verkregen en nadat beide partijen in de gelegenheid zijn geweest om hun mogelijk nadere standpunten kenbaar te maken, partijen informeren over de verdere voortgang van de procedure.
47. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
-wijst de voorlopige voorziening toe, schorst het besluit van 15 juli 2024 en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen totdat is beslist op het bezwaar;
-bepaalt dat aan verzoeker opvang moet worden geboden totdat de voorzieningenrechter op het bezwaar heeft beslist;
-geeft partijen zes weken de gelegenheid om de onder 37 gevraagde informatie te overleggen;
-geeft partijen acht weken de gelegenheid om schriftelijk te reageren op de onder 38 door de voorzieningenrechter gestelde vragen;
-houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 1 december 2025.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.