RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56580
geboren op [geboortedatum],
van Roemeense nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H. Loth),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
1. De minister heeft op 12 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, en is op de rechtbank in Groningen bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. Eiser voert aan dat uit de M105-A volgt dat aan hem in het kader van de ophouding mededelingen zijn gedaan in het Engels. De mededelingen hadden volgens eiser moeten worden vertaald in een taal die hij spreekt, en hierbij wijst hij op een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen. De mededelingen hadden moeten worden gedaan met behulp van een tolk, Engels volstaat niet.
Deze grond slaagt niet. De minister heeft ter zitting terecht gewezen op de Afdelingsuitspraak van 16 januari 2024, waaruit volgt dat een tolk niet nodig is als zowel de verbalisant als eiser de taal (in dit geval Engels) voldoende machtig zijn. Uit de M105-A blijkt dat dit het geval was, en ook geeft de gemachtigde van eiser ter zitting aan dat eiser goed Engels spreekt. De rechtbank stelt vast dat dit geen gebrek oplevert in de ophouding.
Grondslag
4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft. Op 3 september 2025 heeft eiser de verplichting opgelegd gekregen om Nederland binnen een maand te verlaten. Hieraan heeft hij echter geen gevolg gegeven. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
Gronden
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister de zware en lichte gronden terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd en dat deze, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
6. Eiser is van mening dat aan hem een lichter middel had moeten worden opgelegd, zoals een verwijderingsbesluit met een vertrektermijn. De inbewaringstelling was niet noodzakelijk geweest, nu eiser als Unieburger het recht heeft om zich binnen de Unie te verplaatsen naar zijn land van herkomst.
Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.
Voortvarendheid
7. Eiser stelt dat de minister niet voortvarend genoeg heeft gehandeld, nu er pas na acht dagen een vlucht voor eiser is aangevraagd. Dit had sneller moeten gebeuren.
De minister heeft op 17 en 19 november 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast is er een vlucht gepland voor eiser voor 1 december 2025. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.
Zicht op uitzetting
8. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Roemenië in het algemeen niet ontbreekt. Ook staat er voor eiser een vlucht gepland op 1 december 2025.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.