[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 2008, in de BRP geregistreerd als Braziliaanse, eiser/verzoeker, hierna: [eiser]
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak ook het verzoek om een voorlopige voorziening. De minister heeft [eiser] aanvraag met het bestreden besluit van 14 juli 2025 kennelijk ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft daarbij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep, tezamen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 19 november 2025 op zitting behandeld. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Ook is verschenen H. Abdulla, als tolk in de Engelse taal en
[naam 1] (voogd van [eiser] via Nidos).
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de kennelijke ongegrondverklaring van de aanvraag van [eiser] . Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die hij heeft aangevoerd.
Minderjarigheid
3. [eiser] stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2008. Hij is alleen naar Nederland gereisd zonder enig identiteitsdocument. Tijdens een schouw is door de minister geconcludeerd dat [eiser] evident minderjarig is.
Asielaanvraag
4. Op 8 maart 2023 heeft [eiser] als alleenstaande minderjarige vreemdeling een asielaanvraag ingediend. [eiser] heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij en zijn zusje toen hij vijf of zes jaar was door zijn vader vanuit Brazilië naar Libanon zijn meegenomen. Zijn biologische moeder heeft hij nooit meer gezien en niks meer van gehoord. In Libanon verbleven zij eerst samen met hun vader en stiefmoeder en haar gezin. Zijn vader is na een paar maanden vertrokken. Ook die heeft hij nooit meer gezien en niets meer van vernomen. Vanaf zijn negende jaar tot aan zijn vertrek naar Nederland is hij mishandeld door zijn stiefmoeder. Daarnaast is hij misbruikt door drie stiefzussen vanaf zijn twaalfde jaar tot aan zijn vertrek in maart 2023. Bij terugkeer naar Libanon is [eiser] bang dat hem hetzelfde zou overkomen. Daarnaast voelt [eiser] zich onveilig in Libanon, omdat daar familievetes gaande zijn.
Relevante elementen
5. Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
Besluitvorming
6. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van [eiser] geloofwaardig geacht. De overige elementen heeft de minister niet beoordeeld op geloofwaardigheid. De minister heeft de aanvraag van [eiser] kennelijk ongegrond verklaard, omdat [eiser] afkomstig is uit een veilig land, namelijk Brazilië. Omdat de minister nog onderzoekt of [eiser] bij terugkeer kan rekenen op adequate opvang, heeft hij nog geen terugkeerplicht aan [eiser] opgelegd en ook geen reguliere verblijfsvergunning verleend op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige. De minister vindt verder dat hij voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het kind en acht het besluit niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
7. [eiser] is het niet eens met het bestreden besluit. De rechtbank zal hierna – voor zover van belang – ingaan op de beroepsgronden.
Kennelijk ongegrond
8. Tussen partijen is niet in geschil dat de minister de asielaanvraag van [eiser] ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard, omdat de minister Brazilië niet als veilig land van herkomst kon tegenwerpen en dat het beroep hierom reeds gegrond is. De minister verzoekt om de rechtsgevolgen in stand te laten, omdat niet in geschil is dat [eiser] in Brazilië geen problemen heeft. De rechtbank ziet hiervoor geen aanleiding, omdat aan het bestreden besluit ook andere gebreken kleven. Hierna legt de rechtbank uit welke gebreken er zijn en welke gevolgen dit heeft.
Zwaarwegendheid
9. [eiser] meent dat de minister ten onrechte zijn verklaringen over de problemen die hij heeft gehad in Libanon niet heeft beoordeeld op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid. De minister dient volgens [eiser] in ieder geval ook de zwaarwegendheid van de feiten en omstandigheden waarvan de geloofwaardigheid in het midden is gelaten te beoordelen. Hij verwijst in dit kader naar artikel C1/4.1., zesde lid, van de Vc 2000 en de uitspraak van de Afdeling van 17 augustus 2022.
10. De minister stelt zich op het standpunt dat de zaak is afgedaan in de “pilot zwaarwegendheid”. De minister kan de geloofwaardigheid van zaken in de pilot in het midden laten, omdat op voorhand duidelijk is dat de verklaringen, indien geloofwaardig, nimmer zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Dit betekent dat bij de toepassing van de pilot al rekening is gehouden met de zwaarwegendheid, voordat wordt overgegaan op het in het midden laten van de geloofwaardigheid. Dit is ook zo in het geval van [eiser] . [eiser] beschikt namelijk over de Braziliaanse nationaliteit en hij heeft daar geen problemen ondervonden. Omdat Brazilië een veilig land is, kan [eiser] daar bescherming vragen en hoeft Nederland geen bescherming te bieden.
11. De rechtbank volgt dit standpunt van de minister niet. Middels de tegenwerping dat [eiser] geen problemen zou hebben in Brazilië, is de zwaarwegendheid van de problemen in Libanon niet beoordeeld. Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat geweld binnen de familie, onder omstandigheden, kan worden aangemerkt als een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De rechtbank volgt dan ook niet dat de problemen van [eiser] in Libanon niet kunnen leiden tot een gegronde vrees voor vervolging op risico op ernstige schade. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het kader van de pilot de beoordeling van de geloofwaardigheid en zwaarwegendheid van de verklaringen van [eiser] over de problemen in Libanon slechts in het midden had kunnen laten, indien er alleen zou worden ingezet op terugkeer naar Brazilië. In dit geval is door de minister echter ook een onderzoek opgestart naar adequate opvang in Libanon. De stelling van de minister, zoals ter zitting ingenomen, dat hij ook in een later stadium alsnog kan onderzoeken of [eiser] wel veilig kan terugkeren naar Libanon doet aan het voorgaande niet af. De minister is immers verplicht om bij onbegeleide minderjarige vreemdelingen zo spoedig mogelijk duidelijkheid te verschaffen over de verblijfsrechtelijke status. Bovendien is de rechtbank met [eiser] eens dat hierdoor onduidelijk blijft in hoeverre hij moet meewerken aan het onderzoek naar adequate opvang in Libanon. Zo heeft de minister gesuggereerd dat hij contact zou kunnen opnemen met familieleden in Libanon. Indien uit wordt gegaan van de verklaringen van [eiser] , onder meer dat hij werd mishandeld door zijn stiefmoeder als hij naar zijn biologische ouders vroeg, is het volstrekt ongepast om van hem te vragen contact op te nemen met zijn familieleden in Libanon, waaronder zijn stiefmoeder.
12. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte de zwaarwegendheid van de problemen van [eiser] in Libanon niet heeft beoordeeld. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 8 van het EVRM
13. [eiser] voert verder aan dat hem ten onrechte geen verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 8 van het EVRM. [eiser] zou niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden. [eiser] kan zich hiermee niet verenigen. In de zienswijze heeft hij aangevoerd dat hij al meer dan twee jaar in Nederland is, dat hij hier naar school gaat en zijn leven is begonnen. Hij heeft hier ook vrienden en een opvangfamilie. De minister heeft ten onrechte geen belangenafweging gemaakt, aldus [eiser] . Op grond van WI 2020/16 moet dit wel gebeuren. Niet duidelijk is wat de belangen aan de zijde van de Staat zijn, niet meegewogen is dat [eiser] als minderjarige naar Nederland is gekomen en de banden met het land van herkomst zijn ten onrechte niet beoordeeld.
14. De minister stelt zich op het standpunt dat [eiser] geen beschermenswaardig privéleven heeft in Nederland. [eiser] heeft procedureel rechtmatig verblijf gehad in Nederland. Dit brengt gebruikelijk privéleven met zich mee. Gebruikelijk privéleven is in de regel niet van dien aard dat dit door artikel 8 van het EVRM wordt beschermd. Daarvoor moet sprake zijn van een bepaalde en in redelijkheid niet aan te tasten intensiteit. Daarvoor moeten zwaarwegende privébelangen aanwezig zijn. In het geval van [eiser] is daar niet van gebleken, aldus de minister. Een verdergaande belangenafweging is aan de orde wanneer sprake is van een door artikel 8 van het EVRM te beschermen privéleven. Dat is in het geval van [eiser] niet aan de orde. De minister wijst erop dat bij deze beoordeling alle relevante omstandigheden zijn betrokken, zoals de leeftijd van [eiser] , de duur van het verblijf in Nederland, de schoolgang, de in Nederland aangegane vriendschappen en de opvangfamilie.
15. De rechtbank stelt voorop dat uit WI 2020/16 volgt dat in beginsel snel kan worden aangenomen dat sprake is van privéleven. Dit betekent nog niet dat het weigeren van verblijf leidt tot een schending van het recht op bescherming van dat privéleven. Na de vaststelling dat sprake is van privéleven wordt een volledige belangenafweging gemaakt waarbij alle relevante omstandigheden worden betrokken. Bij deze weging wordt de vraag beantwoordt of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat op grond van artikel 8 van het EVRM een verplichting bestaat tot het laten voortzetten van het privéleven in Nederland.
16. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [eiser] privéleven heeft in Nederland. De rechtbank volgt de minister niet dat in dit geval een belangenafweging achterwege kon blijven, omdat er geen sprake is van zwaarwegende privébelangen. De minister heeft ten onrechte als extra voorwaarde gesteld dat [eiser] meer dan gebruikelijk privéleven moet hebben; dit is niet in lijn met het toetsingskader van WI 2020/16. Dit betekent dat de minister ten onrechte geen volledige belangenafweging heeft gemaakt waarin alle relevante omstandigheden zijn betrokken. De beroepsgrond slaagt.
Het belang van het kind
17. [eiser] voert verder aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen als kind. [eiser] heeft verklaard dat hij zich niets kan herinneren van zijn tijd in Brazilië en dat hij daar geen familie of kennissen heeft. Hij kan zich ook niet goed herinneren dat hij door zijn vader is meegenomen naar Libanon. De stelling van de minister dat [eiser] een langdurige en vormende periode van zijn jeugd in Brazilië heeft doorgebracht, ontbeert dan ook enige onderbouwing. De minister heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat [eiser] geen enkele band heeft met Brazilië en het daarom geenszins in zijn belang is om daarnaartoe te gaan. Daarnaast heeft [eiser] ook verklaard dat hij zijn leven in Nederland is begonnen. Hij gaat hier onder andere naar school, heeft een baantje en verblijft al jaren bij een opvangfamilie. Ten onrechte overweegt de minister dat dit niet relevant is. Het is juist wel relevant, omdat het aantoont hoe sterk zijn band is met Nederland. Dit had moeten worden meegewogen in een belangenafweging of evenredigheidsbeoordeling.
18. De minister stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat in de besluitvorming voldoende rekening is gehouden met de belangen van [eiser] als kind.
19. De rechtbank stelt vast dat [eiser] minderjarig is. De rechtbank brengt in herinnering dat op grond van artikel 3, eerste lid, van het IVRK bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen. Aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend hoeven zijn, dient dus aanzienlijk gewicht toe te komen.
20. De rechtbank is van oordeel dat de minister de belangen van [eiser] niet voorop heeft gesteld en onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn belangen. Zo blijft de minister in de besluitvorming steken in algemeenheden, zoals dat het in [eiser] belang is om met zijn biologische ouders herenigd te worden en terug te keren naar Brazilië. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het algemeen zo dat het in het belang van een minderjarige is om bij zijn biologische ouders te verblijven, maar de minister moet zich daarbij wel rekenschap geven van alle relevante feiten en omstandigheden. Het is de rechtbank onduidelijk waarop de minister heeft gebaseerd dat het in het belang van [eiser] is om bij zijn biologische ouders te verblijven, gelet op zijn verklaringen. Hij heeft namelijk verklaard dat hij het lastig vindt om met zijn biologische ouders herenigd te worden, omdat zij hem in de steek hebben gelaten en het misschien slechte mensen zijn. Verder heeft de minister bij de beoordeling van de belangen van het kind geen rekening gehouden met de goede band die [eiser] heeft met zijn opvangfamilie. Verder valt het de rechtbank op dat [eiser] door de minister niet als bijzonder kwetsbaar is aangemerkt. Het is de rechtbank onduidelijk waarop de minister dit oordeel heeft gebaseerd, gelet op [eiser] asielrelaas, het feit dat er geen familieleden bekend zijn en [eiser] hier alleen is. De beroepsgrond slaagt.
Adequate opvang
21. [eiser] stelt dat hij ten onrechte niet in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom nader onderzoek naar adequate opvang nodig is en waarom de vergunning niet reeds is verleend. [eiser] meent dat aan de voorwaarden van het beleid in paragraaf B8/6.2.1. van de Vc 2000 is voldaan. Daar komt bij dat de minister onvoldoende voortvarendheid heeft gehandeld met betrekking tot het onderzoek naar adequate opvang. De minister heeft Brazilië tegengeworpen als veilig land van herkomst en [eiser] heeft geen asielmotieven ten aanzien van dit land. Niet valt in te zien waarom de minister dan geen tracingsverzoek in Brazilië heeft kunnen opstarten. Dit geldt te meer omdat [eiser] zelf het Braziliaanse consulaat al heeft benaderd. Bovendien heeft de procedure bijna twee en een half jaar geduurd en was er dus voldoende tijd voor de minister om actie te ondernemen. Hij wijst in dit kader op een uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2025.
22. De minister stelt zich – kort samengevat – op het standpunt dat er voldoende voortvarend aan het onderzoek naar adequate opvang wordt gewerkt. Tijdens de gehoren is onderzoek gedaan naar familieleden in Brazilië en Libanon. Na het asielbesluit hebben er reeds vier vertrekgesprekken met DT&V plaatsgevonden.
23. Ten aanzien van de voortvarendheid van het onderzoek naar adequate opvang, stelt de rechtbank voorop dat de Afdeling in een drietal uitspraken van 8 juni 2022 heeft uiteengezet wat de gevolgen zijn van het arrest van het Europese Hof van 14 januari 2021 in de zaak T.Q. tegen Nederland. In deze uitspraken is geoordeeld dat de minister zo spoedig mogelijk na het indienen van een asielverzoek door een alleenstaande minderjarige moet onderzoeken of er in het land van herkomst adequate opvang beschikbaar is. De minister moet ernaar streven om dit onderzoek tijdens de beoordeling van de asielaanvraag af te ronden, maar mag een besluit op de asielaanvraag loskoppelen van een besluit over terugkeer als dit onderzoek op dat moment nog niet is afgerond. Voorop staat echter dat de minister voortvarend handelt en zo spoedig mogelijk duidelijkheid geeft over de verblijfsrechtelijke status van de alleenstaande minderjarige. Daarom moet de minister in dergelijke gevallen bij het afwijzen van een asielaanvraag motiveren waarom hij geen terugkeerbesluit uitvaardigt. Als blijkt dat er geen sprake is van adequate opvang in het land van herkomst, moet de minister een reguliere verblijfsvergunning verlenen.
24. De Afdeling is verder van oordeel dat een termijn van drie jaar na indiening van de asielaanvraag voor het onderzoek naar adequate opvang hoe dan ook te lang is. De minister is namelijk gehouden om voortvarend te handelen, om de periode waarin de vreemdeling in onzekerheid verkeert over zijn verblijfsstatus zo kort mogelijk te houden en de doelstelling van de Terugkeerrichtlijn om een doeltreffend terugkeer- en verwijderingsbeleid te voeren te waarborgen. De vreemdeling is daarnaast gehouden zijn volledige medewerking aan het onderzoek te verlenen.
25. De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend onderzoek heeft gedaan naar adequate opvang. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Gelet op de problemen die [eiser] heeft ondervonden in Libanon heeft de rechtbank de minister ter zitting gevraagd om uit te leggen waarom er onderzoek wordt gedaan naar adequate opvang in Libanon. De minister heeft op de zitting toegelicht dat de prioriteit ligt bij terugkeer naar Brazilië en alleen als dat niet lukt er gekeken moet worden of er een mogelijkheid is om terug te keren naar Libanon. Op dat moment zal dan worden bekeken of dat veilig is gelet op zijn asielrelaas. De rechtbank is van oordeel dat deze handelswijze niet duidt op een voortvarend onderzoek. Het in het midden laten of het asielrelaas geloofwaardig wordt geacht en het niet beoordelen van de zwaarwegendheid leidt in dit geval ontegenzeglijk tot vertraging in het onderzoek naar adequate opvang. Daar komt bij dat tijdens de gehoren al is gebleken dat de biologische moeder van [eiser] misschien nog in Brazilië is en dat er geen problemen zijn ten opzichte van Brazilië. De minister heeft daarom ten onrechte gewacht tot na het asielbesluit met een concreet onderzoek naar adequate opvang voor [eiser] in Brazilië. Het enkel afnemen van gehoren is in dit geval dan ook onvoldoende geweest om te kunnen concluderen dat de minister voortvarend heeft gehandeld.
26. De rechtbank neemt verder in aanmerking dat [eiser] op 8 maart 2023 asiel heeft aangevraagd. Zelfs de termijn van drie jaar, die hoe dan ook te lang wordt geacht, is al in zicht. Hoewel er vertrekgesprekken worden gevoerd, is onvoldoende inzichtelijk welke onderzoekshandelingen de DT&V heeft verricht en nog wil verrichten en hoe lang ze verwachten daarmee bezig te zijn. Ter zitting heeft de minister desgevraagd toegelicht niet voornemens te zijn om een individueel ambtsbericht te vragen aan de ambassade in Brazilië en verder niet te weten of er al contact met de ambassade van Brazilië of Libanon is opgenomen. Dit wekt verbazing nu op dit moment nog niet eens vaststaat dat [eiser] de Braziliaanse nationaliteit heeft. Dit is immers enkel als asielmotief geloofwaardig geacht op basis van verklaringen van [eiser] zelf. [eiser] heeft echter ook contact gezocht met de Braziliaanse ambassade in Nederland, en daaruit blijkt dat er onvoldoende documentatie beschikbaar is om vast te stellen dat [eiser] over de Braziliaanse nationaliteit beschikt. Ook de vertrekgesprekken zijn daarom onvoldoende om te concluderen dat de minister voortvarend handelt. De beroepsgrond van slaagt.
27. De rechtbank is van oordeel dat dit gebrek zich in beginsel niet leent voor herstel. De minister heeft immers niet voortvarend gehandeld en dat kan niet ongedaan worden gemaakt. Bovendien is er geen enkel zicht op afronding van het onderzoek. De rechtbank ziet desondanks af van het zelf voorzien in de zaak en te bepalen dat de minister een buitenschuldvergunning moet verlenen aan [eiser] . Zoals de Afdeling heeft overwogen, volgt uit het Unierecht namelijk geen verplichting tot vergunningverlening. Het is in de eerste plaats aan de minister om af te wegen en deugdelijk te motiveren of aan een niet-begeleide minderjarige vreemdeling van wie de asielaanvraag is afgewezen en voor wie hij heeft nagelaten om voortvarend te onderzoeken of adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is, alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. De rechtbank sluit hierbij aan. Bovendien kleven er aan de afwijzing van de asielaanvraag ook gebreken en staat dus niet vast of de asielaanvraag niet tot een inwilliging leidt. De rechtbank zal daarom het besluit vernietigen en de minister opdragen een nieuw besluit te nemen.
28. De minister moet opnieuw op de asielaanvraag beslissen. De rechtbank geeft de minister in dat kader mee dat [eiser] in beroep een nieuw bewijsstuk heeft ingediend, te weten een verklaring van een ziekenhuis in Libanon. Dat moet de minister betrekken bij de nieuwe besluitvorming. Verder zal de minister opnieuw moeten beoordelen of [eiser] in aanmerking komt voor een regulier vergunning op grond van artikel 8 van het EVRM, waarbij ervanuit moet worden gegaan dat [eiser] in ieder geval privéleven heeft in Nederland. Daarnaast zal moeten worden bekeken of [eiser] in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid, waarbij de minister gebonden is aan het oordeel dat niet voortvarend is gehandeld ten aanzien van het onderzoek naar adequate opvang en vaststaat dat geen adequate opvang is gevonden voor [eiser] in Brazilië en Libanon.
29. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat ter zitting is besproken dat er twijfel bestaat of afdoening van zaken van alleenstaande minderjarige vreemdelingen geschikt zijn om af te doen in de “pilot zwaarwegendheid”. Het gaat om kwetsbare kinderen die recht hebben op een zorgvuldige behandeling van hun asielaanvraag en waarvoor een apart proces is ingericht. Dat houdt in dat in ieder geval korte gehoren worden gehouden, verspreid over meerdere dagen en door dezelfde gespecialiseerde IND-medewerker. Het is immers van belang om een vertrouwensband te kunnen opbouwen met het kind. Dit is niet gebeurd in de procedure van [eiser] . Hij heeft meerdere lange gehoren gehad met indringende vragen over mishandeling en seksueel misbruik. Dat het maatwerk niet is geleverd in de procedure van [eiser] , heeft zijn weerslag gehad in de gehoren. Zo vraagt [eiser] op het einde van het aanvullende gehoor, waarom er nog een keer is gevraagd over wat er gebeurde tussen hem en zijn stiefzussen. Daaruit volgt dat het op zijn minst niet duidelijk is geweest waarom hij tot tweemaal toe hierover moest verklaren, maar het geeft ook aanleiding om af te vragen of de gehoren wel kindvriendelijk zijn geweest. Het is ook de vraag of het passend is om na deze gehoren en een behandeling van 26 maanden, [eiser] te confronteren met een besluit waarin de geloofwaardigheid van zijn verklaringen in het midden wordt gelaten.
Conclusie en gevolgen
30. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit meerdere gebreken bevat. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. Het is aan de minister om opnieuw af te wegen of opnieuw deugdelijk te onderzoeken en te motiveren of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken. Het voorgaande betekent dat [eiser] gelijk krijgt. De overige beroepsgronden behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.
31. De rechtbank ziet aanleiding om een dwangsom op te leggen gezien de lange duur van de procedure en het recht van [eiser] om zo spoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen over zijn verblijfsrechtelijke status. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb dat de minister een dwangsom verbeurt als hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt. De rechtbank stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,- per dag dat de termijn overschreden wordt, met een maximum van € 15.000,-. Naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze dwangsom om de minister te stimuleren om spoedig te beslissen.
32. Omdat het beroep gegrond is, krijgt [eiser] een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,- omdat de gemachtigde van [eiser] een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
33. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E.P.W. Kwakman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.