ECLI:NL:RBDHA:2025:22691

ECLI:NL:RBDHA:2025:22691, Rechtbank Den Haag, 01-12-2025, NL25.46728 en NL25.46731

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 01-12-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer NL25.46728 en NL25.46731
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Dublin Duitsland; interstatelijk vertrouwensbeginsel; verbod op indirect refoulement; artikel 17 Dublinverordening; ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaken tussen

[eiser], v-nummer: [nummer 1], eiser

de minister van Asiel en Migratie

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL25.46728 en NL25.46731

[eiseres] , v-nummer: [nummer 2], eiseres

samen eisers, mede namens hun minderjarige zoon,

[naam minderjarige zoon] , v-nummer: [nummer 3]

(gemachtigde: mr. E.A. Welling),

en

(gemachtigde: mr. D.A.M. Frieser).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eisers zijn het niet eens met deze besluiten en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers, nu voor Duitsland mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eisers onvoldoende hebben onderbouwd waarom de minister artikel 17 van de Dublinverordening had moeten toepassen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 6 mei 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 24 september 2025 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

De rechtbank heeft de beroepen op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van de besluiten

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 17 juni 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Op 20 juni 2025 heeft Duitsland dit verzoek in eerste instantie afgewezen. Op 26 juni 2025 heeft Nederland een heroverwegingsverzoek gestuurd, waarna Duitsland het verzoek op 7 juli 2025 alsnog heeft aanvaard.

Mag de minister voor Duitsland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

4. Eisers betogen dat voor Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat ze bij overdracht aan Duitsland in een situatie terechtkomen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eisers voeren aan dat sprake is van tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen en dat er concrete aanknopingspunten zijn dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Volgens eisers is de asielprocedure namelijk op meerdere punten niet in overeenstemming met de minimumnormen van de EU-richtlijnen en daardoor kunnen zij niet gebruikmaken van de in de asielprocedure vereiste voorzieningen. Ook is volgens eisers onduidelijk hoe zij hun basisrechten, zoals uitgelegd in het arrest Ibrahim, kunnen effectueren. Daarnaast voeren eisers aan dat er geen mogelijkheid bestaat om bij de Duitse autoriteiten te klagen over deze voorkomende problemen. Verder verwijzen eisers naar enkele recente artikelen van de NOS en het AD waaruit volgens hen blijkt dat Duitsland zijn houding ten opzichte van asielzoekers verhardt. Tot slot voeren eisers aan dat de minister voorbij gaat aan hun persoonlijke omstandigheden en dat de minister de door eisers aangehaalde bronnen en rechtspraak onvoldoende in samenhang heeft getoetst. Daar komt volgens eisers bij dat de minister het nieuwste AIDA-rapport niet heeft betrokken.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat voor Duitsland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister wijst daarbij terecht op meerdere daartoe strekkende uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De algemene verwijzingen naar de openbare bronnen zijn daarvoor onvoldoende, omdat eisers op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat deze bronnen betrekking hebben op hun persoonlijke situatie. Uit de stellingen en verklaringen van eisers blijkt niet dat eisers na overdracht aan Duitsland geen toegang krijgen tot de opvang of andere voorzieningen of dat sprake is van fundamentele systeemfouten die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Jawo bereiken. De minister wijst er daarbij terecht op dat de Opvangrichtlijn, Kwalificatierichtlijn en Procedurerichtlijn ook van toepassing zijn op de asielprocedure in Duitsland. De enkele niet onderbouwde stelling dat het onduidelijk is hoe eisers hun basisrechten, zoals bedoeld in het arrest Ibrahim, kunnen effectueren, is onvoldoende om de hoge drempel van zwaarwegendheid te halen. Hoewel de verschillende AIDA-rapporten kanttekeningen bevatten over de opvang in Duitsland, mocht de minister zich op het standpunt stellen dat hieruit niet blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of opvangvoorzieningen. De minister heeft daarbij het nieuwste AIDA-rapport betrokken en terecht gesteld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld laat zien dan de eerdere rapporten. Eisers kunnen zich wenden tot de Duitse autoriteiten als er problemen zijn in de opvang dan wel asielprocedure. Eisers hebben niet onderbouwd dat de Duitse autoriteiten hen niet kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.

Is een overdracht in strijd met het verbod op indirect refoulement?

5. Eisers voeren aan dat ze bij overdracht aan Duitsland een risico lopen op indirect refoulement, omdat de Duitse asielprocedure niet de waarborgen kan bieden om dat te voorkomen en daarnaast de reële mogelijkheid bestaat dat ze naar hun land van herkomst worden uitgezet. Dit is volgens eisers in strijd met artikel 3 van het EVRM. Eisers wijzen daarbij op een brief van de Duitse autoriteiten waarin staat dat zij eisers aan Polen wilden overdragen, waarna Polen hen volgens eisers zou uitzetten naar hun land van herkomst. Volgens eisers is niet inzichtelijk gemaakt waarom Duitsland nu wel akkoord is gegaan met het terugnameverzoek.

De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraken van het Hof van Justitie en de Afdeling volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in de andere lidstaat, die is aangewezen als verantwoordelijke lidstaat, een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer er geen sprake is van systeemfouten in de asielprocedure. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld (zie onder 4.1.) is hiervan geen sprake. Dit betekent dat de rechtbank niet mag onderzoeken of overdracht aan Duitsland een (indirect) risico op schending van het beginsel van non-refoulement inhoudt. De vrees voor dit risico kunnen eisers in Duitsland aankaarten. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat Duitsland door het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvragen van eisers daar in behandeling worden genomen. Dat Duitsland pas na een heroverwegingsverzoek akkoord is gegaan, maakt dit niet anders. Bovendien dateert de brief waar eisers naar verwijzen van vóór het claimakkoord van Duitsland. De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister artikel 17 van de Dublinverordening moeten toepassen?

6. Eisers betogen dat de minister hun asielverzoek in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening, omdat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Eiser [eiser] heeft namelijk last van maag-, darm- en nierproblemen en hij krijgt daarvoor een onderzoek. Omdat deze behandeling inmiddels in Nederland is opgestart, is Nederland volgens eisers het aangewezen land om hun asielverzoek te behandelen. Ter onderbouwing zijn verschillende afspraken met de internist, foto’s van medicijndoosjes en een medisch overzicht overgelegd. Eiser [eiser] is onvoldoende over deze medische problematiek gehoord, aldus eisers. Overdracht aan Duitsland zal een zodanig ernstige invloed op zijn medische problematiek hebben dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Volgens eisers is in ieder geval niet uitgesloten dat sprake is van een mogelijk ernstige aandoening. De minister had daarom advies moeten vragen bij het Bureau Medische Advisering (BMA). Eisers wijzen ter onderbouwing van hun betoog op het arrest C.K. en twee uitspraken van deze rechtbank. Daarnaast voeren eisers aan dat de belangen van het kind onvoldoende zijn getoetst. De minderjarige zoon van eisers heeft namelijk ook medische problemen. Ter onderbouwing hebben zij twee afspraken bij een oogarts en een foto van een doosje zalf overgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat artikel 17 van de Dublinverordening niet toegepast hoeft te worden. Eisers hebben namelijk niet aannemelijk gemaakt dat in hun geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden waardoor overdracht aan Duitsland leidt tot onevenredige hardheid. Medische aspecten zijn op zichzelf niet voldoende om te spreken van een bijzondere omstandigheid en op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan van vergelijkbare medische voorzieningen in Duitsland. Eisers hebben niet nader onderbouwd dat zij specialistische zorg nodig hebben die alleen in Nederland beschikbaar is. De overgelegde stukken tonen volgens de rechtbank daarnaast niet aan dat bij overdracht aan Duitsland sprake is van onomkeerbare gevolgen zoals bedoeld in het arrest C.K. en het arrest X. Dat eisers stellen dat er mogelijk sprake is van een ernstige aandoening is daarvoor onvoldoende en de minister heeft dan ook geen BMA-advies hoeven opvragen.

De rechtbank merkt ten aanzien van de belangen van het kind op dat in de beschikkingen van eisers geen afzonderlijke overweging is gewijd aan de belangen van hun minderjarige zoon. De rechtbank moet toetsen of de minister voldoende rekening heeft gehouden met de gestelde belangen van het kind voor zover die zijn aangevoerd. De minister heeft zich op de zitting terecht op het standpunt gesteld dat eisers geen specifieke reden hebben aangevoerd waarom de belangen van het kind zouden worden geschaad bij overdracht naar Duitsland, dan wel waarom het in zijn belang is om in Nederland te blijven. Daar komt bij dat het in beginsel altijd in het belang van een minderjarige is om bij zijn ouders te blijven. Ten aanzien van de oogklachten van de minderjarige zoon van eisers heeft de rechtbank onder 6.1. geoordeeld dat de minister ervan uit mag gaan dat de medische voorzieningen in Duitsland van vergelijkbare kwaliteit zijn met die van Nederland. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W. Loof

Griffier

  • mr. I.S. Pruijn

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?