[naam] , eiser,
geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. Y. Izgi),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. J.R. Sotthewes - de Jonge).
Inleiding
1. De minister heeft met het besluit van 28 augustus 2025 de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser procesbelang?
2. De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep.
De rechtbank stelt het volgende vast. Bij bericht van 21 september 2025 heeft de minister laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De minister heeft bij bericht van 25 november 2025 aangegeven en op de zitting bevestigd dat eiser zich weer heeft gemeld en zich op 5 november 2025 heeft laten inschrijven bij het IOM voor zelfstandige terugkeer naar Marokko. Gelet hierop heeft de minister de rechtbank verzocht om te beoordelen of er nog sprake is van procesbelang.
In de omstandigheid dat eiser zich heeft aangemeld bij het IOM en mogelijk op termijn vrijwillig uit Nederland zal vertrekken, ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat eiser op dit moment geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Eiser is nog niet vertrokken en heeft evenmin zijn asielaanvraag ingetrokken. Daarnaast heeft de minister bevestigd dat er behoudens een inschrijving nog geen andere stappen zijn ondernomen door eiser of het IOM in het kader van vertrek. Er zijn dan ook geen concrete aanknopingspunten waaruit kan volgen dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij op een andere manier geen actueel en reëel belang meer heeft. Daarom zal de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordelen. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De EU heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk op 17 juli 2025 een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek op 18 juli 2025 aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Oostenrijk niet zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser vreest dat hij door de Oostenrijkse autoriteiten zal worden uitgezet naar Marokko en daardoor wordt blootgesteld aan indirect refoulement. Bij terugkeer naar Marokko vreest eiser een schending van artikel 3 van het EVRM, omdat hij aldaar zal worden gedetineerd wegens het ontlopen van de militaire dienstplicht. De Oostenrijkse autoriteiten hebben al aan eiser medegedeeld dat hij zal worden uitgezet, omdat hij door uitreiking van een groene kaart Oostenrijk dient te verlaten. Een logisch gevolg hiervan is dat eiser bij terugkeer naar Oostenrijk geen opvang zal genieten en op straat zal komen te staan. Ook al zou de mogelijkheid voor eiser bestaan om een opvolgende asielaanvraag in te dienen, dan zal hij geen recht meer hebben op rechtsbijstand. Daarmee wordt hem praktisch de mogelijkheid ontnomen om te kunnen klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten. Oostenrijk zal zijn internationale verplichtingen ten aanzien van eiser niet nakomen. Dit alles maakt dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de minister de asielaanvraag aan zich had moeten trekken, aldus eiser.
De minister mag ten aanzien van Oostenrijk in het algemeen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn situatie anders is. Dat is het geval als eiser aannemelijk maakt dat sprake is van structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem die een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om onder het bereik van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest te vallen.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. De Afdeling heeft in verschillende uitspraken geoordeeld dat ten aanzien van Oostenrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om hier anders over te oordelen. Oostenrijk heeft met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Verder is het claimverzoek door Oostenrijk geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening, wat inhoudt dat eisers asielaanvraag, die hij in Oostenrijk heeft ingediend, nog in behandeling is. Van een herhaalde aanvraag zal daarom geen sprake zijn. Mocht eiser na overdracht van mening zijn dat Oostenrijk zijn verplichtingen, zoals het niet bieden van opvang en andere voorzieningen, niet nakomt dan ligt het op zijn weg om daarover in Oostenrijk te klagen. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Oostenrijk hem niet zouden willen of kunnen helpen. De enkele stelling daartoe is onvoldoende. Eisers beroepsgrond dat hij door de uitreiking van een “groene kaart” Oostenrijk dient te verlaten, is niet nader toegelicht en ook niet onderbouwd. Ook deze grond kan daarom niet leiden tot een ander oordeel.
Indirect refoulement
6. Ten aanzien van het betoog van eiser dat hij bij overdracht aan Oostenrijk vreest voor indirect refoulement, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van
30 november 2023 en de Afdeling van 12 juni 2024. Uit die uitspraken volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Zoals hiervoor onder 5.2. is overwogen kan ten aanzien van Oostenrijk nog altijd worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank onderzoekt daarom niet of er bij overdracht aan Oostenrijk een risico is op indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser kan worden overgedragen aan Oostenrijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.