ECLI:NL:RBDHA:2025:22734

ECLI:NL:RBDHA:2025:22734, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, 25.56575

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer 25.56575
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011825

Samenvatting

Bewaring 59-1-a, zicht op uitzetting, non-refoulement, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56575

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. H. Loth),

en

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 10 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij is bijgestaan door zijn gemachtigde op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en omdat de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;

3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;

3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;

3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer.

(lichte gronden)

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;

4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend, die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

4. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.

Voortraject

3. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Grondslag

4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft. Op 30 oktober 2025 is zijn asielaanvraag afgewezen, en heeft eiser de verplichting opgelegd gekregen om Nederland onmiddellijk te verlaten. Eiser had al sinds 10 december 2024 een terugkeerbesluit en een inreisverbod. Hieraan heeft hij echter geen gevolg gegeven. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

5. Eiser heeft de zware en lichte gronden niet betwist. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Dit is voldoende om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Lichter middel

6. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren.

Voortvarendheid

7. De minister heeft op 11 november 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Ter zitting heeft de minister aangegeven dat de lp-aanvraag voor eiser op 4 november 2025 is opgestart. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

8. Ten aanzien van het zicht op uitzetting wijst eiser op de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Den Bosch van 11 november 2025. Hierin heeft de rechtbank geoordeeld dat de toets of er risico bestaat op refoulement moet blijken uit de maatregel. Nu uit de maatregel van 10 november 2025 niet blijkt dat die toets is gemaakt, levert dit een gebrek op in de maatregel.

De rechtbank stelt vast dat eiser op 30 oktober 2025 een beschikking heeft gekregen op zijn asielaanvraag. In het kader van zijn asielaanvraag is het risico op refoulement beoordeeld. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat dit opnieuw had moeten worden gedaan in de maatregel van bewaring. Gezien het korte tijdverloop (elf dagen) kon de minister uitgaan van de toets zoals die in het kader van de asielaanvraag is gedaan.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Ketelaars - Mast

Griffier

  • mr. M.A. Postma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?