ECLI:NL:RBDHA:2025:22737

ECLI:NL:RBDHA:2025:22737, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, 25.56594

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer 25.56594
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011825

Samenvatting

Bewaring 59-1-a, toestemming OM, medische en psychische problematiek, lichter middel, voortvarendheid, ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56594

geboren op [geboortedatum],

van Poolse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),

en

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 17 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij is op de rechtbank in Groningen bijgestaan door mr. Loth, als waarnemer voor zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser:

(zware gronden)3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

(lichte gronden)

4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

Ter zitting heeft de minister lichte grond 4e ingetrokken. De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.

Voortraject

3. Eiser voert aan dat de minister voorafgaand aan de bewaring toestemming had moeten vragen aan het Openbaar Ministerie, in plaats van na het opleggen van de maatregel. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond.

De rechtbank volgt eiser hier niet in. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het ontbreken van bezwaar van het OM een voorwaarde is voor uitzetting, en niet voor inbewaringstelling. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken, en stelt vast dat dit geen gebrek oplevert.

Grondslag

4. De rechtbank stelt vast dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft. Op 20 augustus 2025 heeft de minister een besluit genomen, waarin het rechtmatig verblijf van eiser op grond van het Unierecht is ingetrokken. Eiser valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.

Gronden

5. De rechtbank is van oordeel dat de minister de zware en lichte gronden terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd en dat deze, in samenhang bezien, reeds voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

Lichter middel

6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de maatregel van bewaring voor eiser niet onevenredig bezwarend is. Eiser lijdt namelijk aan een alcoholverslaving en meer medische en psychische problematiek. Hierbij verwijst eiser wederom naar de uitspraak van zittingsplaats Roermond.

Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond derhalve niet om de uitzetting van eiser te verzekeren. De medische en psychische problematiek van eiser zijn kenbaar meegenomen in de maatregel, en maken eiser niet detentieongeschikt. Bovendien heeft eiser zijn problematiek niet met stukken nader onderbouwd. In het detentiecentrum is de nodige medische en psychische hulp aanwezig, die overeenkomt met de zorg in de vrije maatschappij. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat de aangehaalde uitspraak in hoger beroep is vernietigd door de Afdeling.

Voortvarendheid

7. Eiser voert aan dat de minister niet voortvarend heeft gehandeld door pas na 4 dagen een lp-aanvraag te doen bij de Poolse autoriteiten. Eiser was namelijk al bekend bij de politie en bij AVIM, waardoor de minister eerder stappen had kunnen zetten.

De minister heeft op de vijfde dag van bewaring, op 21 november 2025, een lp-aanvraag verstuurd naar de Poolse autoriteiten en het OM gevraagd naar bezwaar tegen de uitzetting van eiser. Op 20 november is er een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Op 26 november 2025 is een vluchtaanvraag gedaan, en de vlucht staat geboekt voor 5 december 2025. De rechtbank vindt deze gang van zaken voldoende voortvarend.

Zicht op uitzetting

8. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Polen in het algemeen niet ontbreekt. Dit blijkt ook uit het feit dat er een vlucht is geboekt voor 5 december 2025.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Ketelaars - Mast

Griffier

  • mr. M.A. Postma

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?