ECLI:NL:RBDHA:2025:22752

ECLI:NL:RBDHA:2025:22752, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, NL25.56479

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer NL25.56479
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823 BWBR0011825

Samenvatting

Eerste beroep bewaring – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56479

V-nummer: [V-nummer],

(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),

en

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 18 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [naam]. Verweerde heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.

Grondslag van de maatregel

2. Eiser betwist de grondslag van de maatregel van bewaring. Hij wijst erop dat zijn identiteit en nationaliteit al vaststonden in de eerdere asielprocedure, dus kan hij niet in bewaring worden gesteld om zijn identiteit vast te stellen. Verweerder heeft erkend dat aan zijn identiteit niet wordt getwijfeld. Gelet op het feit dat eiser is staande gehouden terwijl hij zijn meldplicht naleefde, doet vermoeden dat er geen risico op onttrekken aan het toezicht bestaat.

3. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring heeft mogen baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend en hij is niet in het bezit van identificerende documenten. Dat zijn opgegeven identiteitsgegevens in een eerdere asielprocedure zijn gevolgd, betekent niet dat deze ook vaststaan. Het is dan aan verweerder om zijn verklaringen over zijn identiteit te onderzoeken. Daarnaast blijkt uit wat de rechtbank hieronder zal bespreken dat sprake is van een reëel risico op onttrekking, zodat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van eisers asielaanvraag. Dat eiser zich aan zijn meldplicht heeft gehouden, maakt het voorgaande niet anders.

Maatregel van bewaring

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:

- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan; - 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; - 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:

- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; - 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; - 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. Eiser betwist alle aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden. Ten aanzien van de zware grond 3a stelt eiser dat zijn illegale inreis hem niet kan worden tegengeworpen. Wanneer een vreemdeling vlucht uit het land van herkomst is het veelal niet veilig of is er geen tijd om een visum aan te vragen. Begrijpelijkerwijs wordt dan gekozen voor een irreguliere binnenkomst in Europa. Wat betreft zware grond 3c stelt eiser dat het zo mag zijn dat zijn asielaanvraag negatief is geëindigd, maar dat heeft er niet toe geleid dat hij zich aan het toezicht heeft onttrokken. Hij hield zich netjes aan de meldplicht en was aanwezig op de COa-locatie.

6. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3c volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Eiser beschikt niet over een paspoort of een visum. Dit maakt dat de zware grond 3a feitelijk juist is en deze wordt terecht aan eiser tegengeworpen. Ook de zware grond 3c acht de rechtbank feitelijk juist. Eiser heeft immers een afwijzende beschikking ontvangen op 5 juni 2025. Hij heeft geen gevolg gegeven aan de vertrekplicht die uit de beschikking volgt. Dat eiser zich aan de meldplicht heeft gehouden, doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond.

Lichter middel

7. Eiser stelt dat uit de maatregel niet blijkt dat een redelijke belangenafweging is gemaakt ten aanzien van de vraag of lichter middel moet worden toegepast. Hij kan de behandeling van zijn herhaalde asielaanvraag immers ook op een opvanglocatie afwachten. Hij heeft in het verleden aangetoond dat hij zich houdt aan de meldplicht en zich beschikbaar houdt op de opvanglocatie.

8. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen, is een risico op onttrekking aan het toezicht gegeven. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om dit risico te ondervangen. Wegens het onttrekkingsgevaar kan hij zijn asielaanvraag niet in vrijheid afwachten. Dat eiser zich aan zijn meldplicht heeft gehouden, doet niet af aan het feit dat hij zich niet heeft gehouden aan zijn vertrekplicht.

Ambtshalve toets

9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2025 door mr. M.J. Schouw, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.J. Schouw

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?