ECLI:NL:RBDHA:2025:22776

ECLI:NL:RBDHA:2025:22776, Rechtbank Den Haag, 02-12-2025, NL25.24751

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 02-12-2025
Datum publicatie 02-12-2025
Zaaknummer NL25.24751
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Leeftijdsvaststelling. Beroep gegrond, de rechtbank laat de rechtsgevolgen in stand omdat de minister de presumptie van minderjarigheid voldoende heeft ontzenuwd. Niet meer in geschil dat de schouw van AVIM niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. De rechtbank constateert daarom dat sprake is van een motiveringsgebrek. De registratie in Italië speelt een grote rol maar is niet doorslaggevend. Eiser heeft geen plausibele verklaring gegeven voor de afwijkende registratie in Italië. De door eiser overgelegde doopakte wijkt af van het vergelijkingsmateriaal. De minister heeft niet ten onrechte gewicht gehecht aan het feit dat de verklaringen van eiser niet overeenkomen met openbare bronnen en dat de verklaringen van eiser over zijn reisverhaal niet in overeenstemming zijn met zijn opgegeven leeftijd. Het besluit is ook onzorgvuldig voorbereid omdat er geen voogd van Nidos aanwezig was bij de gehoren. Maar de rechtbank passeert dit gebrek omdat gesteld noch gebleken is dat eiser in zijn belangen is geschaad.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.24751

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),

en

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister waarmee eisers asielaanvraag is ingewilligd. Het beroep richt zich tegen de vaststelling van de leeftijd van eiser in het besluit. Volgens eiser is de minister van een onjuiste geboortedatum uitgegaan. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het besluit voor zover het besluit ziet op de vaststelling van eisers leeftijd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit in stand, omdat de minister het vermoeden van minderjarigheid voldoende heeft ontzenuwd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 juli 2023 een aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedatum 1]. De minister heeft aan eiser met het bestreden besluit van 6 mei 2025 een verblijfsvergunning verleend. De minister heeft daarbij de in Italië geregistreerde geboortedatum, [geboortedatum 2], aangehouden.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit voor zover dit besluit ziet op de vastgestelde geboortedatum.

De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Eiser is geschouwd door de AVIM en nadien door een medewerker van de IND. De medewerker van de AVIM heeft geconcludeerd dat er twijfel is over de opgegeven leeftijd en dat nader onderzoek nodig is. De medewerker van de IND heeft ook geconcludeerd dat er twijfel is over de opgegeven leeftijd.

In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eisers geboortedatum is aangepast naar [geboortedatum 2]. Deze beoordeling is gemaakt op basis van werkinstructie 2025/1 waarbij de minister heeft gekeken naar alle omstandigheden in het dossier. De minister merkt daarbij op dat bij de doopakte onregelmatigheden zijn geconstateerd.

Heeft eiser belang bij een inhoudelijk beoordeling?

4. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep, ondanks dat zijn asielaanvraag is ingewilligd. Er bestaat procesbelang bij betwisting van persoonsgegevens en daarmee ook bij betwisting van de geboortedatum. Uit een uitspraak van de Afdeling van 17 september 2003 volgt namelijk dat een vreemdeling alleen daadwerkelijk over een verblijfsvergunning beschikt, als deze is verleend op basis van de juiste persoonsgegevens. Eisers leeftijd kan daarnaast van belang zijn bij een eventueel verzoek om nareis van familieleden. Het voorgaande betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

De leeftijdsregistratie

Leeftijdsschouw

5. Eiser betoogt dat aan de leeftijdsschouw geen waarde kan worden gehecht, omdat deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hij verwijst daarbij naar verschillende uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de Afdeling en deze rechtbank.

De rechtbank overweegt dat partijen niet meer van mening verschillen dat de schouw van AVIM niet zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is. Dit betekent dat de minister in de besluitvorming de leeftijdsschouw van AVIM niet mocht betrekken bij zijn standpunt dat twijfel bestaat over de leeftijd die eiser heeft opgegeven. Omdat hij dit wel heeft gedaan is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en zal hierna beoordelen of zij de rechtsgevolgen van het besluit in stand kan laten.

Ontzenuwen minderjarigheid

6. De minister mag ondanks de gebrekkige schouw, met het oog op zorgvuldige besluitvorming, nader onderzoek doen naar de leeftijd van eiser. Daarbij dient de minister uit te gaan van de minderjarigheid van eiser en is het aan hem om de presumptie van de minderjarigheid te ontzenuwen. De rechtbank oordeelt dat de minister daarin is geslaagd en zal dat hierna uitleggen.

De minister heeft nader onderzoek verricht door navraag te doen bij de Italiaanse autoriteiten. Het is niet zo, zoals eiser stelt, dat bij het nader onderzoek onduidelijk is welke vragen aan Italië zijn gesteld. Aan Italië is onder meer gevraagd ‘could you inform me which personal details were registered in Italy for the person concerned?’, ‘how where these personal details substantiated?’ en ‘did the person concerned submit any documents in Italy?’. Uit de reactie van Italië volgt vervolgens dat eiser daar staat geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum 2] en geen documenten zijn overgelegd. De minister mocht daaruit opmaken dat de registratie van de leeftijd van eiser in Italië, zoals hij zelf ook heeft verklaard, is gebaseerd op zijn eigen verklaringen.

De minister heeft toegelicht dat de registratie in Italië een grote rol speelt, maar - zo begrijpt de rechtbank - niet doorslaggevend is geweest in de beoordeling. De minister heeft namelijk ook gewicht gehecht aan de door eiser overgelegde doopakte en de andere verklaringen van eiser.

Daarnaast heeft de minister ook inzichtelijk gemaakt waarom hij gewicht toekent aan de registratie in Italië. De minister heeft daarbij niet ten onrechte betrokken dat eiser geen plausibele verklaring heeft voor zijn afwijkende geboortedatum in Italië. Eiser heeft alleen verklaard dat hij niet weet en niet begrijpt waarom de Italiaanse autoriteiten een meerderjarige geboortedatum hebben geregistreerd. Dat eiser heeft verklaard dat hij heeft vernomen dat in Italië vaker fouten worden gemaakt is daarvoor onvoldoende, omdat eiser deze stelling in het geheel niet heeft onderbouwd.

Verder heeft de minister niet ten onrechte gewicht gehecht aan de door eiser overgelegde doopakte. De doopakte is door Bureau Documenten onderzocht. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat de opmaak en afgifte afwijkt van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Dit maakt dat het document niet bevoegd opgemaakt en afgegeven is. De minister heeft er terecht op gewezen dat de inhoud van de doopakte ook tegenstrijdig is met de verklaringen van eiser. Op de geboorteakte staat namelijk als geboortedatum [geboortedatum 3], terwijl eiser heeft verklaard te zijn geboren op [geboortedatum 1]. Daarmee doet dit document ook afbreuk aan de presumptie van minderjarigheid.

Eveneens heeft de minister niet ten onrechte gewicht gehecht aan de andere verklaringen van eiser, die de presumptie van zijn minderjarigheid ontzenuwen. In de eerste plaats zijn de verklaringen van eiser over zijn reisverhaal niet in overeenstemming met zijn opgegeven leeftijd. Eiser heeft verklaard dat hij op [getal] leeftijd in september 2020 is vertrokken uit Eritrea. Hij heeft daarna acht maanden in Ethiopië en elf maanden in Libië verbleven. Eiser heeft dus in totaal 19 maanden gereisd. Dit zou betekenen dat hij in april 2022 in Italië zou zijn aangekomen. Dit komt niet overeen met zijn verklaring en het Eurodac-resultaat dat hij op 28 juni 2023 Italië is ingereisd. In de tweede plaats heeft de minister erop mogen wijzen dat de verklaringen van eiser over zijn leeftijd niet overeenkomen met openbare bronnen. Eiser heeft verklaard dat hij op zijn [getal] is opgeroepen voor de militaire dienst, maar volgens een rapport van de UK Home Office is het niet gebruikelijk dat minderjarigen worden opgeroepen en als dit al gebeurd zijn de minderjarigen vaak 16 of 17 jaar oud. Daar komt bij dat eiser de oproep niet heeft overgelegd.

Gelet op het voorgaande is de presumptie van minderjarigheid door de minister ontzenuwd en is hij niet ten onrechte uitgegaan van de leeftijd van [geboortedatum 2].Voogd bij gehoren

7. Eiser stelt dat niet is voldaan aan de procedurele waarborgen uit het arrest Darboe. Uit het rapport aanmeldgehoor blijkt niet dat in een kindvriendelijke setting is gehoord. Daarnaast was de voogd van Nidos niet aanwezig bij het aanmeldgehoor zonder schouw en het aanmeldgehoor met schouw. Dit duidt erop dat het onderzoek naar de leeftijd niet zorgvuldig is geweest.

Deze beroepsgrond slaagt. Gelet op artikel 22 van het IVRK en de bijbehorende General Comment 6 dient de voogd en wettelijk vertegenwoordiger van een niet-begeleide minderjarige aanwezig te zijn bij alle gesprekken die worden gevoerd met de beslissingsautoriteit. Partijen verschillen niet van mening dat bij de aanmeldgehoren geen voogd of wettelijk vertegenwoordiger aanwezig was. De rechtbank volgt het standpunt van de minister niet dat een voogd in dit geval niet nodig was. Op het moment van het afnemen van de aanmeldgehoren was namelijk nog niet vast komen te staan dat eiser niet minderjarig is. Dit betekent dat de voorbereiding van het besluit onzorgvuldig is geweest. De rechtbank zal dit gebrek passeren, omdat gesteld noch gebleken is dat eiser in zijn belangen is geschaad. De rechtbank verwijst daarbij ook naar het kopje ‘ontzenuwen minderjarigheid’ waarin de rechtbank concludeert dat de minister de presumptie van minderjarigheid heeft ontzenuwd.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat het niet deugdelijk is gemotiveerd. Maar de rechtbank bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit vernietigde besluit in stand blijven. De minister heeft in beroep alsnog voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom hij uitgaat van de in het besluit vermelde geboortedatum.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser vergoeding van zijn proceskosten. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?