RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 1], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50423
geboren op [geboortedatum],
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is, maar dat de proceskosten van eiser wel voor vergoeding in aanmerking komen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen hiervan zijn.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 19 februari 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft de minister eiser opgedragen om binnen vier weken terug te keren naar Nigeria en een inreisverbod opgelegd van twee jaar.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser vreest bij terugkeer door zijn neef te worden vermoord, vanwege een probleem over landbouwgrond. De Fulani Herdsmen terroristen (een religieuze groep) willen de macht overnemen in Nigeria. Een neef van eiser is lid van de Fulani Herdsmen en heeft samen met de Fulani Herdsmen eisers familie vermoord en hun huis in brand gestoken. De neef van eiser wil zich de landbouwgrond van eisers vader toe-eigenen. Eiser vreest om deze reden te worden vermoord door zijn neef.
4. Volgens de minister bevat het asielrelaas van eiser de volgende asielmotieven:
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister vindt het tweede asielmotief niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die de asielmotieven volledig onderbouwen. De minister vindt verder dat eisers verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister werpt eiser tegen dat hij zeer summier en oppervlakkig heeft verklaard over de aanval op zijn familie en de problemen met de Fulani Herdsmen. Daarnaast heeft hij wisselend verklaard over het litteken op zijn arm en de videobeelden en foto’s op zijn telefoon. De minister werpt eiser verder tegen dat de verklaringen over bombardementen op zijn huis en de nationaliteitskaart niet in de tijd passen. Ook heeft hij de laatste zes maanden voor vertrek geen problemen ervaren. De minister heeft de asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaard, omdat eiser zich bij aankomst in Nederland niet direct heeft gemeld.
Verwijzing naar de zienswijze
5. Voor zover eiser erop heeft gewezen dat wat in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, overweegt de rechtbank dat dit onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waarop de rechtbank dient in te gaan. De minister is in het bestreden besluit namelijk uitgebreid ingegaan op de zienswijze van eiser. Daarom zal de rechtbank uitsluitend ingaan op wat eiser in beroep concreet heeft aangevoerd.
Is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn asielrelaas zo volledig mogelijk naar voren te brengen?
6. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd. Eiser stelt dat als de minister zijn verklaringen summier en oppervlakkig vindt, het op weg van de minister had gelegen om verder door te vragen. Eiser kan moeilijk inschatten wat voor de minister vaag en summier is of wanneer hij voldoende heeft verklaard.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiser onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn asielrelaas zo volledig mogelijk naar voren te brengen. Het is in de eerste plaats aan eiser om in het gehoor zijn asielrelaas zo volledig mogelijk naar voren te brengen. Daarnaast heeft eiser in de correcties en aanvullingen, in de zienswijze en op de zitting niet concreet aangegeven waar onvoldoende op is doorgevraagd of wat hij nog meer had willen verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met eisers referentiekader?
7. Eiser betoogt dat de minister bij het referentiekader uitgaat van een onjuiste voorstelling van zaken. Zo heeft eiser niet zelf zijn Schengenvisum aangevraagd, maar heeft een reisagent dit voor hem gedaan. Daarnaast heeft de minister onvoldoende inzichtelijk gemaakt hoe rekening is gehouden met zijn referentiekader en waarom meer van eisers verklaringen wordt verwacht.
De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluitvorming het volgende referentiekader heeft geschetst. Eiser is een volwassen man die in Nigeria een eigen bedrijf heeft gehad en zelf zijn Schengenvisum heeft geregeld. Daarnaast komt eiser uit [plaats] en behoort hij tot de Hausa stam. Eén van de grootste bevolkingsgroepen in Nigeria. Verder verblijft eiser al ruim twee jaar in Europa en heeft hij meerdere gehoren gehad.
De rechtbank volgt eiser niet dat sprake is van een onjuiste weergave van het referentiekader. De minister heeft bij het referentiekader mogen betrekken dat eiser zelf zijn Schengenvisum heeft geregeld. Op de zitting is door de minister namelijk toegelicht dat het gaat om de capaciteiten van eiser. Zo was hij zelf in staat om zijn huis te verkopen ter voorbereiding op zijn vertrek uit Nigeria en heeft hij contact kunnen leggen met een reisagent die voor hem een Schengenvisum heeft geregeld. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn stelling dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom meer van eisers verklaringen wordt verwacht gelet op zijn referentiekader. De minister heeft er namelijk op gewezen dat op meerdere punten in de besluitvorming aangegeven wordt dat en waarom er meer van eiser wordt verwacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat asielmotief 2 ongeloofwaardig is?
8. Eiser voert aan dat hij voldoende heeft verklaard over zijn ondervonden problemen en ook documenten heeft overgelegd ter onderbouwing hiervan. Zo heeft hij een brief van zijn oom overgelegd. Daarnaast heeft hij in beroep het testament van zijn opa overgelegd, waarin staat dat zijn opa de landbouwgrond nalaat aan zijn vader en diens broer. Ook heeft eiser in beroep foto’s van de aanval overgelegd. Eiser heeft verder geen documenten die hij kan overleggen. Daarnaast voert eiser aan dat de minister ten onrechte het AVIM proces-verbaal van verhoor heeft gebruikt in de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Dat verhoor is namelijk niet met dezelfde waarborgen omkleed als de gehoren in de asielprocedure. Eiser verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 10 juli 2025 en naar het medisch advies.
De rechtbank oordeelt dat de minister de wisselende verklaringen van eiser over de videobeelden en foto’s op zijn telefoon en de wisselende verklaringen over zijn litteken niet heeft mogen tegenwerpen. De minister stelt zich op het standpunt dat de wisselende verklaringen van eiser uit het AVIM verhoor tegengeworpen mochten worden op grond van artikel 3.108d, vijfde lid van de Vb. De rechtbank volgt dit niet. In dit artikel staat dat de minister de tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over de asielmotieven niet mag betrekken bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de asielaanvraag. Dit is alleen anders als sprake is van daden als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag of andere zware strafbare feiten. De rechtbank overweegt dat de wisselende verklaring van eiser of hij zelf de videobeelden en foto’s heeft gemaakt, geen betrekking heeft op de toepassing van artikel 1F of andere zware strafbare feiten. Datzelfde geldt voor de wisselende verklaring van eiser over hoe hij aan zijn litteken is gekomen. Dat - zoals de minister stelt - tijdens het AVIM verhoor nog niet duidelijk was dat het litteken te maken had met het asielmotief, maakt niet dat het onder de uitzondering van artikel 3.108d, vijfde lid van het Vb valt.
Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek, maar dit leidt niet tot een gegrondverklaring van het beroep. De minister heeft namelijk het asielrelaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht omdat de overige tegenwerpingen van de minister dit standpunt voldoende dragen. Dit wordt hierna uitgelegd.
De minister heeft aan eiser mogen tegenwerpen dat de door hem overgelegde documenten onvoldoende zijn om het asielrelaas en de verklaringen van eiser te onderbouwen. In de eerste plaats heeft de minister erop mogen wijzen dat niet is te verifiëren of de door eiser overgelegde brief ook daadwerkelijk van zijn oom afkomstig is. Daarnaast heeft de minister er terecht op gewezen dat de informatie uit de brief van de oom van eiser tegenstrijdig is met de verklaringen van eiser. In de brief staat dat de aanval op de familie van eiser is uitgevoerd door zijn oom ‘[naam 2]’, terwijl eiser heeft verklaard dat de aanval is uitgevoerd door zijn neef en deze ‘[naam 3]’ heet.De minister heeft er eveneens terecht op gewezen dat de informatie uit het overgelegde testament van de oom van eiser tegenstrijdig is met zijn eigen verklaringen. In het testament staat namelijk dat de naam van zijn vader ‘[naam 4]’ is, terwijl eiser in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat zijn vader ‘[naam 5]’ heet. Op de zitting heeft eiser geen verklaring gegeven voor deze tegenstrijdigheden. Ook heeft de minister het bevreemdend mogen vinden dat in het testament wordt benoemd dat de landbouwgrond is gelegen in Mushere, terwijl eiser dit zelf in de procedure niet heeft benoemd.
De minister heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de door eiser overgelegde foto’s niet afdoen aan de vage verklaringen over de aanval op zijn familie. De minister heeft kunnen tegenwerpen dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn problemen met de Fulani Herdsmen en de aanvallen van de Fulani Herdsmen. Zo heeft eiser alleen verklaard dat het te maken had met landbouw, dat zijn neef bij de Fulani Herdsmen zit en hem heeft bedreigd. Eiser is in de gelegenheid gesteld om hier meer over te verklaren, maar geeft alleen aan dat hij zich niet alles meer kan herinneren. De minister heeft erop mogen wijzen dat van eiser verwacht mag worden dat hij uitgebreider en duidelijker kan verklaren over de ondervonden problemen. De aanval en de bedreiging zijn voor eiser namelijk de directe aanleiding geweest om Nigeria te verlaten.
Daarnaast heeft de minister mogen tegenwerpen dat de verklaringen van eiser over het bombardement van zijn huis en zijn nationaliteitskaart niet passen in de tijd. Zijn verklaringen komen namelijk niet overeen met informatie die volgt uit de EU-VIS registratie. Anders dan eiser stelt mocht de minister van deze EU-VIS gegevens uitgaan. Weliswaar staat op de EU-VIS registratie ‘false’ vermeld, maar dit betekent niet dat sprake is van een vals visum. Eiser heeft dit namelijk niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat het paspoort wat eiser heeft gebruikt voor de visumaanvraag volgens eiser niet vals is.
Tot slot heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser de laatste zes maanden voor zijn vertrek geen problemen heeft gehad. Dit rijmt niet met de verklaring van eiser dat de Fulani Herdsmen en zijn neef naar hem op zoek zijn. Dit is door eiser ook niet betwist.
Gelet op het voorgaande passeert de rechtbank het gebrek in het bestreden besluit. Omdat de ongeloofwaardigheid van het relevante element ongewijzigd blijft, is het niet aannemelijk dat eiser door het passeren van het gebrek wordt benadeeld.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.