[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. B.F. van Es),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv (gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het stopzetten van zijn uitkering op grond van de Ziektewet. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Het Uwv heeft in het besluit van 19 augustus 2025 bepaald dat verzoeker per 20 september 2025 geen Ziektewet-uitkering meer krijgt. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de rechtbank
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat de beëindiging van de Ziektewet-uitkering leidt tot een plotselinge en substantiële inkomensdaling, waarvoor geen compensatie uit andere inkomstenbronnen beschikbaar is. Verzoeker verricht vrijwilligerswerk, zodat hij dat niet als compensatie voor zijn inkomensverlies kan gebruiken, en is medisch niet in staat om zijn arbeidsomvang uit te breiden. Ondertussen lopen zijn vaste woonlasten door. Verzoeker is in zijn levensonderhoud afhankelijk van zijn Ziektewet-uitkering.
4. Het Uwv is van mening dat er geen sprake is van onverwijlde spoed. Geadviseerd is om een WW-uitkering aan te vragen. Uit de gegevens van het Uwv blijkt niet dat dit is gebeurd. Uit het verzoekschrift blijkt volgens het Uwv ook niet dat verzoeker al een uitkering bij de gemeente heeft aangevraagd. Verzoeker heeft ook geen nadere stukken aangevoerd waaruit een acute financiële noodsituatie zou blijken.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker zijn stelling dat er geen andere inkomstenbronnen beschikbaar zijn, niet nader heeft onderbouwd. Verzoeker heeft niet toegelicht waarom het geen reële optie is om een WW-uitkering of bijstandsuitkering aan te vragen. Daarnaast heeft verzoeker in het geheel geen stukken ingebracht om zijn stelling te onderbouwen dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat geen sprake is van een acute financiële noodsituatie.
Conclusie en gevolgen
6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: