[verzoekster], v-nummer: [nummer], verzoekster
(gemachtigde: mr. I. Vreeken),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het volgens haar niet tijdig nemen van een besluit door de minister. Zij heeft het beroep op 29 juli 2025 ingetrokken, omdat de minister op 11 juli 2025 alsnog een besluit op haar asielaanvraag heeft genomen.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank op 28 augustus 2025 meegedeeld zich te verzetten tegen het verzoek om veroordeling in de proceskosten, omdat de rechterlijke dwangsomperiode nog niet was verstreken ten tijde van het indienen van het beroep. Het beroep van verzoekster was volgens de minister daarom niet-ontvankelijk.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank overweegt als volgt. Met het alsnog nemen van een besluit is de minister aan verzoekster tegemoetgekomen. Dat is echter niet voldoende voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor moet ook zijn voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als niet is voldaan aan deze voorwaarden, bestaat geen recht op een vergoeding van de proceskosten.
Verzoekster heeft op 15 februari 2023 een asielaanvraag gedaan. Zij heeft vervolgens beroep tegen het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag ingediend. Met de uitspraak van 15 januari 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van verzoekster gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak met de algemene asielprocedure aan te vangen en binnen acht weken na die aanvang een besluit op de aanvraag bekend te maken (8+8-wekenmodel). Ook heeft de rechtbank bepaald dat de minister aan verzoekster een dwangsom van € 100 moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijnen overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
Verzoekster heeft op 16 april 2025 een opvolgend beroep niet tijdig ingesteld, omdat de minister niet binnen acht weken een aanvang heeft gemaakt met de algemene asielprocedure. Het 8+8-wekenmodel kent de minister een maximale nadere beslistermijn van maximaal zestien weken na de uitspraak toe. Dat die termijn van zestien weken is opgedeeld in twee termijnen van acht weken en dat de minister gehouden is om binnen acht weken na de uitspraak een aanvang te maken met de algemene asielprocedure maakt dat niet anders. De overschrijding van de eerste achtwekentermijn betekent dus niet dat verzoekster al eerder dan de in de uitspraak toekende maximale beslistermijn van zestien weken opnieuw tegen het niet tijdig nemen van een besluit kon opkomen.
Het voorgaande betekent dat de nadere termijn van zestien weken van de uitspraak van 15 januari 2025 op het moment van de indiening van het beroep niet tijdig nog niet was verstreken en het beroep dus te vroeg is ingediend.
Conclusie en gevolgen
5. Omdat geen sprake was van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoekster in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten wordt daarom afgewezen.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.