ECLI:NL:RBDHA:2025:22825

ECLI:NL:RBDHA:2025:22825, Rechtbank Den Haag, 26-11-2025, NL23.38150

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 26-11-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer NL23.38150
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

De rechtbank verklaart het beroep tegen afwijzing van de aanvraag om een zelfstandige asielvergunning gegrond. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij de gestelde bekering van eiser ongeloofwaardig acht en vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer naar Iran (vanwege afvalligheid) sprake is van een reëel risico op ernstige schade.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL23.38150

V-nummer: [nummer]

gemachtigde: mr. A. Heida,

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Dam.

Procesverloop

Eiser heeft op 11 augustus 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (de asielaanvraag) ingediend.

Bij brief van 13 november 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens overschrijding van de beslistermijn.

Op 5 december 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn asielaanvraag.

Bij besluit van 29 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en dat hij wel een asielvergunning krijgt als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht mede betrekking op de alsnog genomen beslissing op de asielaanvraag van eiser.

De rechtbank heeft het beroep op 21 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de tolk [naam 1] en de gemachtigde van verweerder. Ook is verschenen de echtgenote van eiser.

Overwegingen

Inleiding

Eiser is geboren op [geboortedatum] 1984 en heeft de Iraanse nationaliteit. Op 30 juli 2022 is hij met zijn vrouw ([naam 2]) en twee minderjarige dochters ([naam 3] en [naam 4]) Nederland ingereisd. De in deze zaak voorliggende asielaanvraag heeft eiser op 11 augustus 2022 ingediend. Eisers dochter [naam 4] heeft een ernstige spierziekte (SMA, type 1) waarvoor zij behandeld wordt.

Verweerder wilde eiser en zijn gezin aanvankelijk aan Italië overdragen op grond van verordening (EU) nr. 604/2013. Op 28 september 2022 heeft verweerder een claimverzoek ingediend bij Italië. De autoriteiten van Italië hebben niet binnen twee maanden gereageerd, zodat sinds 29 november 2022 de verantwoordelijkheid van Italië vaststond. Op 13 januari 2023 heeft verweerder het voornemen uitgebracht om de asielaanvragen van eiser en zijn gezin niet in behandeling te nemen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder heeft op 26 april 2023 bericht dat de asielaanvragen van eiser en zijn gezin vanwege humanitaire omstandigheden in de nationale procedure worden opgenomen en dat het voornemen van 13 januari 2023 als ingetrokken kan worden beschouwd. Na eiser op 25 mei 2024 te hebben gehoord heeft verweerder geen nieuw voornemen uitgebracht maar direct het bestreden besluit genomen.

Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Iran afstand heeft gedaan van de islam en in Nederland is bekeerd tot het christendom. In Nederland heeft eiser berichten op sociale media geplaatst over het christendom. Eiser vreest bij terugkeer te worden gearresteerd vanwege zijn afvalligheid, bekering en uitlatingen op sociale media. Tijdens het verblijf van eiser en zijn gezin in Nederland hebben de Iraanse autoriteiten een inval in hun huis in Iran gedaan.

Het bestreden besluit

Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

- identiteit, nationaliteit en herkomst;

- afvalligheid;

- politieke uitingen op sociale media; en

- bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen

Verweerder acht de door eiser opgegeven identiteit, Iraanse nationaliteit en herkomst, de afvalligheid en de politieke uitingen op sociale media geloofwaardig. Verweerder acht de gestelde bekering en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig. De geloofwaardig geachte elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat eiser uit Iran komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn of om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser voldoet volgens verweerder wel aan de voorwaarden voor een afgeleide asielvergunning omdat zijn echtgenote een zelfstandige asielvergunning heeft gekregen. Gelet hierop heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd en aan eiser een asielvergunning zoals bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 verleend.

Beroep tegen niet tijdig beslissen op de asielaanvraag

3. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling daarvan. Verweerder heeft inmiddels beslist op de asielaanvraag en eiser komt niet in aanmerking voor een bestuurlijke dwangsom. Op het beroep van eiser is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND zoals deze luidt sinds 11 juli 2021 van toepassing. Op grond daarvan kan de vreemdeling niet bereiken dat dwangsommen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht worden verbeurd of opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft bij uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352, geoordeeld dat genoemde Tijdelijke wet, voor zover die de mogelijkheid uitsluit dat verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurt in asielzaken, niet in strijd is met het Unierecht.

Omdat eiser terecht stelt dat verweerder niet tijdig op zijn aanvraag had beslist, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in dit verband heeft gemaakt. Weliswaar heeft verweerder de beslistermijn met WBV 2022/22 met negen maanden verlengd, maar deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 11 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:3193, geoordeeld dat WBV 2022/22 onverbindend is. Verweerder had dus binnen zes maanden na de asielaanvraag een beslissing moeten nemen. Eiser heeft na het verstrijken van de beslistermijn van zes maanden een geldige ingebrekestelling verstuurd en verweerder heeft pas na het instellen van het beroep een besluit genomen. De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld zoals hierna onder 9 vermeld.

Beroep tegen het bestreden besluit

Geloofwaardigheidsbeoordeling

4. Eiser betoogt dat verweerder zijn bekering tot het christendom en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.

Blijkens werkinstructie 2022/3 (WI 2022/3) is het aan de vreemdeling om inzichtelijk te maken wat zijn situatie was voor de bekering, hoe hij vervolgens in aanraking is gekomen met een andere geloofsovertuiging en hoe de bekering verder tot stand is gekomen. Verweerder maakt een individuele afweging die onderdeel is van een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Om de geloofwaardigheid van een bekering te toetsen richt verweerder zich op drie elementen, te weten: de motieven voor en het proces van bekering, de kennis van het nieuwe geloof, de activiteiten (zoals het bezoeken van religieuze bijeenkomsten) die een persoon onderneemt binnen de nieuwe geloofsovertuiging en het effect van de veranderingen.

De motieven voor en proces van bekering

Het standpunt van verweerder dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt welke verandering het christendom hem persoonlijk heeft gebracht, berust op de tegenwerping dat eiser is blijven steken in algemene, oppervlakkige verklaringen. De rechtbank stelt vast dat, nu er geen inhoudelijk voornemen tot weigering van een zelfstandige asielvergunning is uitgebracht en eiser dus daarover geen zienswijze heeft kunnen geven, en er ook geen verweerschrift is ingediend, het inhoudelijke debat tussen partijen voor het eerst op de zitting kon plaatsvinden. Verweerder heeft op de zitting echter in feite het bestreden besluit herhaald. Hij bleef verwijten dat de verklaringen van eiser te vaag en summier waren en ging onvoldoende in op de voorbeelden zoals genoemd in de beroepsgronden. Dit terwijl de verklaringen van eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet en ook zeker persoonlijk zijn. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij nooit een goede relatie met zijn vader heeft gehad en dat zijn vader hem verwijt dat [naam 4] chronisch ziek is omdat eiser en zijn echtgenote zich niet islamitisch gedragen (zie NG, p. 48). In het christendom ervaart eiser die vader-zoon relatie wel: eiser kan, anders dan bij zijn vader, zijn relatie met God zonder belemmering hebben. God draagt zijn pijn en beschermt hem (zie NG, p. 48). Eiser merkt terecht op dat deze verklaringen over het gemis van steun van zijn vader en de band met God niet algemeen en oppervlakkig zijn, maar duidelijk maken wat eiser persoonlijk aantrok tot het christendom, althans verweerder heeft het tegendeel niet deugdelijk gemotiveerd. Verder verklaarde eiser onder meer dat na zijn roep om hulp van God het zonder verklaarbare reden beter ging met [naam 4] (zie NG, p. 30) en dat zijn angst om [naam 4] kwijt te raken is verminderd doordat hij in het eeuwige leven is gaan geloven (zie NG, p. 48). Met andere woorden: eiser stelt dat hij door zijn bekering minder bang is voor de toekomst van zijn chronisch zieke dochter en haar mogelijke overlijden. Ook dat is niet een algemeen en oppervlakkig motief voor de gestelde bekering, maar kan verklaren waarom eiser zich persoonlijk voelde aangetrokken tot het christendom. Eiser heeft verder verklaard dat de omstandigheid dat zijn gebeden waren verhoord hem een totaal andere kijk heeft gegeven op alles. Hij verklaart dat hij het gevoel kreeg dat [naam 4] de oorzaak was van dit alles. [naam 4] was vanaf dat moment geen kind meer voor hem, maar de aanwezigheid van God. Eiser verklaart daarbij dat ze (de rechtbank begrijpt: eiser en zijn echtgenote) eerst dachten dat zij [naam 4] aan het helpen waren, maar dat het juist andersom was; als [naam 4] er niet was geweest, waren zij niet in aanraking gekomen met het christendom (zie NG, p. 31). Naar het oordeel van de rechtbank geeft eiser (onder meer) met deze verklaring inzicht in zijn persoonlijke beleving en het proces dat plaatsvond. De rechtbank wijst wat betreft dit proces verder naar wat zij hierna onder 5.2.2. overweegt.

Het standpunt van verweerder dat eiser onvoldoende heeft kunnen verklaren over het startpunt van zijn gestelde bekering tot het christendom, berust in belangrijke mate op de tegenwerping dat de verklaringen van eiser over het verlossingsgebed van 10 maart 2022 onvoldoende gedetailleerd en consistent zijn. De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het nader gehoor inderdaad diverse verklaringen over het verlossingsgebed heeft gegeven die als onvoldoende kunnen worden geduid, zoals de verklaringen dat eiser zich (op één flard na) niet kan herinneren welk gebed [naam 5] zou hebben uitgesproken (zie NG, p. 40) en dat hij geen details kan verschaffen over de preek die [naam 5] zou hebben gehouden (zie NG, p. 49). Eiser heeft echter ook verklaringen afgelegd die concreter zijn. Zo heeft eiser verklaard dat hij vanwege de medische situatie van [naam 4] het geloven in het christendom wilde proberen (zie NG, p. 29) maar dat hij op het moment dat het verlossingsgebed werd uitgesproken nog het gevoel had misbruik te maken van het verlossingsgebed (zie NG, p. 30). Nadat de al zieke [naam 4] in Nederland door een coronabesmetting op de Intensive Care belandde, heeft eiser God oprecht om een teken gevraagd zodat hij voor de rest van zijn leven zou gaan geloven. Ongeveer twee weken tot een maand daarna werd voor het eerst het beademingsmasker op het gezicht van [naam 4] weggehaald, kon stapsgewijs worden opgebouwd dat [naam 4] zonder masker verder kon en herstelde [naam 4] tegen ieders verwachting in (zie NG, p. 30). De rechtbank kan eiser in zijn lezing volgen dat het verlossingsgebed een soort formele bekering was (onder het motto: baat het niet, dan schaadt het niet), maar dat eisers hart daarbij nog niet was betrokken en dat eisers geloof daarna intensiveerde en de bekering pas is voltooid op het moment dat de situatie van [naam 4] verbeterde. Dat is niet een onvoldoende gedetailleerde verklaring over de overwegingen die ten grondslag liggen aan het uitspreken van het verlossingsgebed, maar kan het startpunt van het gestelde bekeringsproces en de geloofsgroei en intensivering die daarna plaatsvond inzichtelijk maken, althans verweerder heeft het tegendeel niet deugdelijk gemotiveerd. In het verlengde daarvan valt niet zonder meer in te zien dat het ongerijmd is dat eiser na het uitspreken van het verlossingsgebed nog twijfels had over het geloof en dat eiser zich thans niet veel meer van de inhoud van het verlossingsgebed kan herinneren omdat daar voor hem niet het zwaartepunt in zijn bekeringsproces ligt.

Het bestreden besluit kent op deze punten een motiveringsgebrek.

Kennis van het nieuwe geloof

Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser onvoldoende kennis heeft over het christendom. De rechtbank overweegt dat eiser op zijn minst blijk heeft gegeven van basale kennis van het christendom, waarbij ook zijn referentiekader in aanmerking moet worden genomen en zijn verklaring dat hij geen lezer is en dat hij eigenlijk weinig gelegenheid had om te lezen omdat hij als kostwinner voor allerlei zaken moest zorgen en daarbij intensief bezig was met [naam 4] (die lang in het ziekenhuis lag en voor wie medicijnen moesten worden aangeschaft en betaald) en zijn tijd en aandacht daardoor in beslag werd genomen (zie NG, p. 31, 34, 35 en 36). De stelling van verweerder dat eiser geenszins inzichtelijk heeft gemaakt wat deze kennis voor hem persoonlijk heeft betekend, kan zonder nadere motivering geen stand houden. Zo benoemt eiser waarom het verhaal van Petrus hem aanspreekt: “Omdat ik zelf ook twijfelde. Ik geloofde niet diep in mijn hart. Wat in mijn hoofd draaide was altijd een voorwaarde. Als [naam 4] genezen raakt, ga ik geloven. Ik dacht als ik hiermee bezig ben, kan ik geloven” (zie NG, p. 34) en over wat dat voor hem betekent verklaart hij: “Nadat hij (eiser doelt op Petrus, rechtbank) drie keer ontkende, was hij op een gegeven moment gaan geloven en zei hij dat hij niet op niveau was van Jezus christus en hij ondersteboven gekruisigd moest worden. Ik heb het gevoel dat hij toen pas door had wat de betekenis was van eeuwige verlossing en vergeving. Na het gevoel dat door [naam 4] was gekomen had ik daarvoor nog niet het gevoel wat de gang van zaken was” (zie NG, p. 35). Eiser benoemt onder meer ook het gedeelte uit het Bijbelboek Korinthe over het zaaien, dat het lichaam van het zaad verandert tot een andere vorm en er iets anders tot leven komt. Dat spreekt hem aan omdat hij dacht: dit is wat mij gaat overkomen als ik doodga, dan blijft mijn geest in leven en krijgt een beter leven (zie NG, p. 31). Verder verklaart eiser dat de wederopstanding van Jezus Christus en het eeuwige leven dat hij kan leiden doordat Jezus zijn zonden heeft gedragen en hem heeft verlost, zijn interesse heeft opgewekt omdat hij altijd bang was voor het kwijtraken, het verliezen, en altijd angst voor de dood had (zie NG, p. 32). Gelet hierop ziet de rechtbank niet in waarom eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in wat zijn kennis en de verhalen voor hem persoonlijk betekenen. Dat eiser (soms) niet de titel van verzen of verhalen kan noemen, is onvoldoende voor een andersluidende conclusie.

Het bestreden besluit kent op dit punt een motiveringsgebrek.

Tussenconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling bekering

Gelet op het voorgaande heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser met zijn verklaringen de gestelde bekering niet geloofwaardig heeft gemaakt.

Verklaringen van derden

Uit WI 2022/3 volgt dat de ingebrachte informatie van derden altijd moeten worden meegewogen in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling van de bekering, maar het gewicht dat daaraan wordt toegekend afhankelijk is van de individuele casus. Aan verklaringen waarin een eigen oordeel wordt gegeven ten aanzien van de oprechtheid van de bekering zal in de regel beperkt gewicht worden toegekend. Aan verklaringen waarin feitelijke informatie staat (bijvoorbeeld waarnemingen welke rol de vreemdeling speelt binnen een (kerkelijke) organisatie en hoe hij binnen de gemeenschap uiting geeft aan zijn gestelde bekering, of informatie over het proces dat binnen die kerk tot een doop leidt) zal meer waarde worden toegekend. Het uitgangspunt blijft dat de vreemdeling ten overstaan van verweerder overtuigende verklaringen dient af te leggen over zijn bekering, maar de feitelijke informatie kan de verklaringen van de vreemdeling ondersteunen en in twijfelgevallen de doorslag geven. Indien de verklaringen van derden niet leiden tot het geloofwaardig achten van de bekering, dient gemotiveerd te worden om welke reden de verklaringen van derden niet opwegen tegen de ongeloofwaardig geachte verklaringen die de vreemdeling ten overstaan van de IND heeft afgelegd. Met de enkele stelling dat het aan de vreemdeling is om zijn bekering aannemelijk te maken middels zijn verklaringen, zijn de verklaringen van derden niet zichtbaar meegewogen.

Eiser heeft tijdens het nader gehoor onder meer een verklaring van de Open Hofkerk en doopcertificaten overgelegd en in beroep onder meer een verklaring van de Seven Ministries Ontmoetingskerk van 21 mei 2025.

Verweerder heeft in het bestreden besluit geen inhoudelijk oordeel gegeven over de documenten die eiser heeft overgelegd ter staving van de gestelde bekering. Als reden hiervoor geeft verweerder dat eiser in beginsel met zijn verklaringen aannemelijk dient te maken dat hij bekeerd is en dat hij daarin niet is geslaagd. Nu hiervoor evenwel is geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser met zijn verklaringen de gestelde bekering niet geloofwaardig heeft gemaakt (5.4.2) heeft verweerder, in het verlengde daarvan, ook ten onrechte niet gemotiveerd gereageerd op de (in 5.5.2 genoemde) documenten. Bovendien is dit standpunt van verweerder, voor zover dit ziet op de overgelegde verklaringen, niet in overeenstemming met WI 2022/3. Zoals hiervoor overwogen schrijft WI 2022/3 voor dat verweerder dient te motiveren om welke reden de verklaringen van derden niet opwegen tegen de ongeloofwaardig geachte verklaringen die de vreemdeling heeft afgelegd. Het standpunt dat verweerder op zitting heeft ingenomen komt in wezen erop neer dat aan overgelegde verklaringen geen bewijswaarde toekomt omdat de inhoud daarvan oppervlakkig is en niets zegt over de intrinsieke motivatie van eiser. Deze motivering is ontoereikend omdat verweerder niet heeft uitgelegd waarom hij dit vindt. Daarnaast is verweerder op zitting nog steeds niet ingegaan op de overgelegde doopaktes.

Het bestreden besluit kent op dit punt een motiveringsgebrek.

Eindconclusie geloofwaardigheidsbeoordeling bekering

Gelet op het voorgaande heeft verweerder in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd waarom hij de gestelde bekering van eiser ongeloofwaardig acht. Deze beroepsgrond slaagt.

Zwaarwegendheid

6. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte geen vluchtelingschap dan wel een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Iran heeft aangenomen.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser door zijn afvalligheid bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op vervolging of ernstige schade. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van verweerder niet berust op een zorgvuldige voorbereiding en evenmin op een deugdelijke motivering. Dit legt de rechtbank hierna uit.

Risico op het vliegveld in Iran

Eiser heeft onder meer gewezen op het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023. Uit pagina 115 en 116 van het ambtsbericht kan inderdaad, zoals eiser heeft opgemerkt, worden afgeleid dat als een Iraniër een langere tijd in het buitenland heeft verbleven dit meteen opvalt en het risico groot is dat hij of zij bij terugkeer door de Iraanse autoriteiten zal worden ondervraagd. Eiser verblijft sinds augustus 2022 en dus inmiddels ruim drie jaar in Nederland. De rechtbank kan eiser daarom volgen in de stelling dat ook in zijn geval het risico reëel is dat hij bij terugkeer in Iran op de luchthaven door de Iraanse autoriteiten zal worden ondervraagd. Volgens het ambtsbericht is niet ondenkbaar dat de Iraanse autoriteiten hem in dat geval ook zullen bevragen over (de reden van) zijn asielaanvraag, of over mogelijke politieke of religieuze activiteiten.

Verweerder stelt dat het niettemin niet aannemelijk is dat een dergelijke ondervraging zal leiden tot problemen met de Iraanse autoriteiten, omdat van eiser mag worden verwacht dat hij bij aankomst op het vliegveld in Iran niet tegen de Iraanse autoriteiten zal zeggen dat hij afvallig is en dat hij een formulier zal ondertekenen waarin hij verklaart dat hij moslim is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verwachtingen van verweerder in dit geval ongerechtvaardigd. Nu de afvalligheid van eiser geloofwaardig is, afvalligheid is aan te merken als een ‘geloofsovertuiging’ en eiser tijdens het gehoor in verband met zijn afvalligheid heeft verklaard dat hij bij terugkeer openlijk anti-islam uitingen zou doen om andere mensen bewust te maken dat de islam niks teweeg heeft gebracht behalve pijn (zie NG, p. 24), mag niet zonder meer van eiser worden verlangd dat hij zich, om vervolging te voorkomen, terughoudend zal opstellen bij de uitoefening van zijn afvalligheid in Iran en, in het verlengde daarvan, evenmin dat hij over zijn afvalligheid zal liegen tegenover de Iraanse autoriteiten op het vliegveld als hij daarvoor wordt ondervraagd. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:93, r.o. 18.2 en 25.2, en ECLI:NL:RVS:2022:94, r.o. 23.2, waarin weer is verwezen naar diverse arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (bijvoorbeeld het arrest Y en Z van 5 september 2012, ECLI:EU:C:2012:518).

Uit het voorgaande, en uitgaande van gerechtvaardigde verwachtingen, volgt dat de (aannemelijke) ondervraging van eiser op het vliegveld in Iran er zeer wel toe kan leiden dat de Iraanse autoriteiten erachter komen dat eiser afvallig is. Dit heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet onderkend. Dit betekent dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld wat de gevolgen zijn als de Iraanse autoriteiten op het vliegveld erachter komen dat eiser afvallig is. Nu dit niet is beoordeeld, heeft verweerder zich in het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser op het vliegveld in Iran problemen zal krijgen met de Iraanse autoriteiten.

Risico na terugkeer in Iran

Verweerder heeft verder gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn afvalligheid in Iran problemen zal krijgen, omdat hij die voor zijn vertrek uit Iran ook niet heeft gehad en kan worden verwacht dat hij zich opnieuw conformeert aan de heersende culturele en religieuze normen en waarden om problemen te voorkomen, net zoals hij in de jaren voor zijn vertrek uit Iran heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is ook voormelde verwachting van verweerder ongerechtvaardigd. Uit de eerder aangehaalde Afdelingsuitspraak van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, r.o. 23.1 en 23.2, volgt dat verweerder moet onderzoeken en beoordelen of, en zo ja hoe, een vreemdeling na terugkeer naar zijn land van herkomst uiting wil geven aan zijn afvalligheid. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij, anders dan in het verleden, bij terugkeer openlijk anti-islam uitingen zou doen om andere mensen bewust te maken dat de islam niks teweeg heeft gebracht behalve pijn (zie NG, p. 24). Dat eiser tijdens het nader gehoor ook heeft verklaard dat hij zijn familie niet bewust wil maken, betekent nog niet, anders dan verweerder stelt, dat eiser niet in voormelde verklaring kan worden gevolgd. Eiser heeft daarbij uitgelegd dat hij gesprekken met zijn zussen voert, maar ze nergens toe verplicht (zie NG, p. 24). Daarnaast heeft eiser uitgelegd dat hij geen gesprekken met zijn ouders voert omdat zij geen luisterend oor hebben. Dat eiser zijn familie nergens toe wil verplichten, is consistent met zijn eerdere verklaringen dat hij wars is van de dwang die naar zijn beleving juist vanuit de islam wordt gepredikt (zie NG, p. 15, 20 en 23). Ook heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij niet bang meer is voor de mogelijke gevolgen (executie) bij het uiten van zijn afvalligheid. Dat eiser stelt niet langer bang te zijn voor de gevolgen (zie NG, p. 37), is consistent met zijn verklaring dat hij thans gelooft in leven na de dood (zie NG, p. 27). Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom niet van deze verklaring kan worden uitgegaan. Bij de risicobeoordeling heeft verweerder dus enkel de wijze waarop eiser voor zijn vertrek uit Iran uiting heeft gegeven aan zijn afvalligheid betrokken. Daarmee is verweerder niet alleen uitgegaan van een verkeerd uitgangspunt, maar verlangt hij ook van eiser terughoudendheid bij de uitoefening van zijn afvalligheid, hetgeen blijkens eerdergenoemde Afdelingsuitspraken niet mag.

Uit het voorgaande volgt dat door de wijze waarop eiser zijn afvalligheid in Iran wil uiten, het bij anderen zeer wel mogelijk bekend kan worden dat eiser afvallig is. Dit heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet onderkend. Daarom heeft verweerder in het bestreden besluit ten onrechte onvoldoende beoordeeld wat de gevolgen de Iraanse autoriteiten er in Iran achter komen dat eiser afvallig is. Daarbij kunnen, gelet op het navolgende, bovendien ook eisers berichten op sociale media in Nederland een rol spelen.

Berichten op sociale media

Ook in dit kader heeft eiser gewezen op het ambtsbericht. Op pagina 116, 117 en 119 van het ambtsbericht staat onder meer het volgende.

“Volgens een bron lopen teruggekeerde asielzoekers het risico om te worden gemonitord door de Iraanse autoriteiten.922 Het is niet bekend voor hoe lang iemand wordt gevolgd na terugkeer in Iran, als hiervan sprake is. Evenmin is bekend hoe intensief iemand wordt gevolgd

(..)

Als de Iraanse autoriteiten weet hebben van de asielaanvraag van een terugkeerder, zijn er allerlei manieren waarop zij hierachter konden komen, bijvoorbeeld via vrienden, familieleden, het monitoren van een sms-bericht of een telefoongesprek. De autoriteiten konden iemand bij terugkeer hierover bevragen. Ze konden dit ook ontdekken door de socialemedia-accounts van de betreffende persoon en anderen door te nemen

(..)

In toenemende mate komen berichten naar buiten waaruit blijkt dat personen onder druk worden gezet om de wachtwoorden van hun sociale media accounts te geven. Hierdoor krijgen de autoriteiten inzage in sociale netwerken binnen en buiten Iran. Het komt soms voor dat Iraniërs uit de diaspora bij aankomst in Iran op de luchthaven wordt gevraagd naar deze wachtwoorden. Het weigeren om de wachtwoorden te geven is mogelijk, maar dan ondervindt die persoon daarvan ook de consequenties. Formeel-juridisch kan iemand niet worden verplicht om zijn of haar wachtwoord te geven, maar de autoriteiten kunnen bij een ondervraging gaan dreigen in de richting van degene die weigert en diens familieleden. Daarmee is weigeren in de praktijk geen optie.“

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser berichten over het christendom op sociale media plaatst. De rechtbank kan eiser daarom volgen in de stelling dat ook in zijn geval een mogelijkheid bestaat dat hij bij terugkeer enige tijd wordt gemonitord door de Iraanse autoriteiten.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn sociale media activiteiten bekend zijn bij de Iraanse autoriteiten. Verweerder heeft daarbij echter geen acht geslagen op de hierboven geschetste landeninformatie. Dit standpunt kan dan ook geen stand houden. Op zitting heeft verweerder alsnog gereageerd op de aangedragen landeninformatie en gesteld dat deze informatie geen ander licht werpt op de risicobeoordeling. Daarbij heeft verweerder echter dezelfde argumenten naar voren gebracht als bij de beoordeling van het risico dat eiser loopt als afvallige. Om dezelfde als hiervoor genoemd zijn deze argumenten ook in dit kader onvoldoende.

Eindconclusie zwaarwegendheid

Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Iran een reëel risico loopt op ernstige schade of gegronde vrees heeft vervolging door de Iraanse autoriteiten. Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie beroep tegen het bestreden besluit

8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover dat ziet op de zelfstandige asielvergunning. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de gebreken in de beroepsfase niet zijn hersteld. De rechtbank zal niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan verweerder is om op basis van alle bekende omstandigheden te beoordelen en motiveren of de gestelde bekering van eiser geloofwaardig is en of eiser bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn afvalligheid, uitlatingen op sociale media en – indien verweerder in een nieuw te nemen besluit op het bezwaar tot de conclusie komt dat de bekering wel geloofwaardig is – eisers bekering. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moet worden hersteld, niet valt in te zien dat eiser op die manier eerder uitsluitsel krijgt in de zaak dan als verweerder de opdracht wordt gegeven een nieuwe beslissing op de asielaanvraag te nemen. Verweerder moet binnen tien weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Proceskosten

9. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder – naast de hiervoor onder 3.1 genoemde veroordeling in de proceskosten - te veroordelen in de proceskosten die eiser in dit verband heeft gemaakt. Toegekend wordt in totaal € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen het niet tijdig beslissen, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5; daarnaast 1 punt voor het indienen van inhoudelijke gronden in beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,-, steeds met een wegingsfactor 1). De rechtbank is van oordeel dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen van licht gewicht is, omdat dit beroep alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden en of er een dwangsom verschuldigd is.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de zelfstandige asielvergunning;

- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.267,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. D.J. Bes, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Griffier

  • mr. D.J. Bes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?