RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56025
geboren op [geboortedatum],
van Turkse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
1. Op 10 november 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vwopgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden) 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 29 juli 2021 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Op 5 maart 2025 heeft de minister een Dublinclaim bij de Duitse autoriteiten ingediend. De Duitse autoriteiten hebben op 10 maart 2025 de claim van Nederland geaccepteerd.
Gronden
6. Eiser heeft ter zitting de zware gronden en de lichte grond 4a bestreden. Ten aanzien van zware grond 3a en lichte grond 4a voert eiser aan dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij bij inreis niet beschikte over geldige documenten. Eiser bevond zich als vluchteling in een situatie van overmacht, en heeft bij zijn asielaanvraag wel direct openheid van zaken gegeven over zijn identiteit. Ook heeft hij zijn rijbewijs overgelegd. Ten aanzien van zware grond 3k geeft eiser aan dat hij niet kan worden overgedragen aan Duitsland omdat hij dan risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM en artikel 4 Handvest. In Duitsland zou eiser namelijk niet de nodige medische hulp krijgen.
De rechtbank stelt vast dat de minister terecht heeft aangegeven dat voor het tegenwerpen van zware grond 3a de feitelijke juistheid voldoende is. Eiser beschikte niet over geldige documenten voor grensoverschrijding, dus is grond 3a feitelijk juist en kan deze worden tegengeworpen. Hiermee heeft eiser niet voldaan aan artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit, waarmee ook de motivering voor lichte grond 4a is gegeven.
Ten aanzien van de zware grond 3k stelt de rechtbank vast dat deze ook feitelijk juist is, nu eiser op 14 april 2025 een beschikking heeft gekregen waarin staat dat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag. Eiser heeft meermaals aangegeven niet naar Duitsland te willen of kunnen. Deze grond kan ook aan eiser worden tegengeworpen.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat aan hem een lichter middel had moeten worden opgelegd vanwege zijn medische en psychische gezondheid. Eiser geeft aan dat zijn situatie is verslechterd tijdens zijn verblijf in het detentiecentrum. Zo heeft hij nachtmerries, en last van het feit dat hij gedetineerd is en overgedragen moet worden. Hij heeft veel last van zijn voet en is schizofreen.
Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstond daarom niet om de overdracht van eiser te verzekeren. De medische en psychische omstandigheden van eiser zijn kennelijk meegewogen in de maatregel, en leiden niet tot de conclusie dat aan eiser een lichter middel moest worden opgelegd. De problematiek van eiser maakt hem niet detentieongeschikt, en in het detentiecentrum is medische en psychische hulp beschikbaar die vergelijkbaar is met de zorg in de vrije maatschappij.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht naar Duitsland niet ontbreekt. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de Duitse autoriteiten akkoord hebben gegeven voor de overdracht van eiser, en dat na eerdere geannuleerde pogingen om eiser over te dragen een nieuwe overdracht gepland staat op 19 december 2025.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.