RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56127
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Procesverloop
1. De minister heeft op 15 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen.. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 september 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 september 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is van mening dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting. De lp-aanvraag loopt nu zeven maanden, er is tien keer gerappelleerd, en eiser krijgt telefonisch geen contact met het consulaat. Ook is eiser van mening dat er een belangenafweging plaats had moeten vinden omdat hij een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt met een kamergenoot. Hiervoor krijgt hij geen psychische hulp.
Wat vindt de minister?
5. De minister stelt dat eiser niet voldoende medewerking verleent ten aanzien van het verkrijgen van een lp. Hierbij verwijst hij naar Afdelingsjurisprudentie. Eiser zou juist tegenwerken door verschillend te verklaren tijdens gehoren. De bijzondere omstandigheden, te weten de psychische problemen door de traumatische gebeurtenis, zijn niet onderbouwd. Over het niet ontvangen van psychische hulp heeft eiser niet geklaagd bij de Commissie van Toezicht.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat voor eiser een lp-traject is opgestart en niet is gebleken dat de Tunesische autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor hem te zullen afgeven.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure driemaal schriftelijk is gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten, en er twee vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Bij psychische problemen kan eiser zich wenden tot de medische en psychische zorg in het detentiecentrum, en als dit ontoereikend is kan eiser hierover een klacht indienen. Niet is gebleken dat de zorg in het detentiecentrum ontoereikend is.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.