[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder
(gemachtigden: P. van de Ven en D. Schuilenburg).
Inleiding
Eiser heeft tegen de brief van verweerder van 23 september 2024 met het kenmerk Z/24/3728882 (het bestreden besluit I) beroep ingesteld.
Eiser heeft tegen de brief van verweerder van 2 juli 2025 met het kenmerk Z/25/3853691 (het bestreden besluit II) eveneens beroep ingesteld.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
3. Artikel 8:21, eerste lid, van de Awb bepaalt dat natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. In artikel 8:21, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Artikel 1:441, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt.
4. Eiser heeft de beroepen zonder zijn bewindvoerder ingediend. Bij de indiening van de beroepen is geen volmacht van zijn bewindvoerder overlegd.
5. De rechtbank heeft aan de bewindvoerder gevraagd of zij instemt met de beroepen van eiser. Hierop heeft [naam] van Fidinda geantwoord dat geen toestemming is verleend en dat gezien de geestelijke toestand van eiser ook niet alsnog toestemming zal worden verleend. Dit betekent dat eiser niet over de vereiste toestemming van zijn bewindvoerder beschikt om te procederen.
6. Niet gebleken is dat appellant tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. Omdat eiser onbekwaam is om beroepen in te stellen en de bewindvoerder geen volmacht of toestemming heeft gegeven voor het indienen van de beroepen, zijn de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.