[naam], eiser,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).
Inleiding
1. De minister heeft op 5 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft op 13 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn hierbij niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 september 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. De rechtbank toetst in dit geval alleen of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 17 september 2025 tot en met de opheffing van de maatregel op 13 oktober 2025 rechtmatig was.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser voert aan dat hij in de periode van 13 oktober 2025 tot 31 oktober 2025 zonder rechtsgrond van zijn vrijheid is beroofd. Daarnaast heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld door pas een week na de beslissing op de asielaanvraag een vertrekgesprek met eiser te voeren. De minister heeft ten onrechte na 25 september 2025 artikel 59b onder b Vw ten grondslag gelegd aan de bewaring. Ten aanzien van het zicht op uitzetting voert eiser nog aan dat er conform het arrest Ararat van het Hof van Justitie een actuele beoordeling van het risico op refoulement dient plaats te vinden in het kader van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.
Oordeel van de rechtbank
5. Allereerst merkt de rechtbank op dat de gronden die eiser heeft gericht tegen de maatregel van bewaring van 1 november onbesproken blijven, nu dit buiten de toetsingsperiode ligt. De rechtbank beoordeelt de periode van 17 september 2025 tot 13 oktober 2025.
6. Ten aanzien van de periode van 13 oktober 2025 tot 31 oktober 2025 stelt de rechtbank vast dat uit het dossier, waaronder met name de M120, volgt dat eiser gedurende deze periode in strafrechtelijke detentie verbleef. Van vrijheidsberoving zonder rechtsgrond was daarom geen sprake.
De rechtbank verwijst naar de uitspraak op het eerste beroep van eiser van 23 september 2025, waarin al is geoordeeld dat de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen. Ook is er ten aanzien van Algerije zicht op uitzetting in algemene zin, en zijn er geen aanwijzingen dat het in het geval van eiser niet zo is. De rechtbank stelt vast dat eiser op 25 september 2025 een beschikking heeft gekregen op zijn asielaanvraag. In het kader van zijn asielaanvraag is het risico op refoulement beoordeeld. Gezien het korte tijdverloop (elf dagen) kan de rechtbank uitgaan van de toets zoals die in het kader van de asielaanvraag is gedaan.
Ten aanzien van de stelling van eiser dat de grondslag van de maatregel onjuist zou zijn na de beschikking van 25 september 2025, merkt de rechtbank op dat in de asielbeschikking is neergelegd dat de bewaring wordt verlengd op grond van artikel 59b, derde lid Vw.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure tot aan de opheffing van de maatregel voldoende voortvarend heeft gehandeld. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure, op 17 september 2025, een vertrekgesprek met eiser is gevoerd en dat op 1 oktober 2025 een lp-aanvraag is opgestart. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het vertrekgesprek te laat heeft plaatsgevonden.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
7. De rechtbank ziet ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.