RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , [V-Nummer 1] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 23/10976 (beroep) en 23/10977 (voorlopige voorziening)
[eiser 1] , [V-Nummer 2]
[eiser 2] , [V-Nummer 3]
[eiser 3] , [V-Nummer 4]
gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en
(gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel).
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (referent). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eisers mocht afwijzen. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Eiseres was sinds 2004 in Nederland. In het asielzoekerscentrum waar zij destijds verbleef heeft zij referent ontmoet, waarna zij een relatie met hem kreeg. Met hem heeft ze drie kinderen gekregen: [eiser 1] (geboren op [geboortedatum 1] 2010), [eiser 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2011), en [eiser 3] (geboren op [geboortedatum 3] 2017).
Eiseres heeft in 2004 asiel aangevraagd in Nederland. Deze aanvraag is destijds onherroepelijk afgewezen. Eiseres heeft sindsdien diverse verblijfsaanvragen gedaan, die ook allemaal onherroepelijk zijn afgewezen. Enkel in 2011 heeft eiseres tijdelijk uitstel van vertrek gekregen tijdens haar zwangerschap. In 2012 is aan eiseres een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. In 2015 heeft eiseres een beroep gedaan op de kinderpardonregeling, die is afgewezen.
Eiseres, [eiser 1] en [eiser 2] zijn op 17 november 2016 naar Congo uitgezet. Eiseres had tegen deze (voorgenomen) uitzetting bezwaar gemaakt en verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend. Het bezwaar is door verweerder ongegrond verklaard en de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn door de voorzieningenrechter afgewezen. Sindsdien verblijven eisers in Congo.
Op 17 november 2016 hebben eiseres, [eiser 1] en [eiser 2] een mvv aangevraagd voor verblijf in Nederland, om gezinsleven uit te oefenen met referent op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen en het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld bij deze rechtbank en de verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Deze rechtbank heeft in een uitspraak van 29 mei 2018 het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Eisers hebben opnieuw een aanvraag ingediend voor een mvv. Verweerder heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 8 augustus 2023 afgewezen. Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Met het bestreden besluit van 21 augustus 2023 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent. Verweerder stelt verder dat eiseres niet aan het inburgeringsvereiste voldoet en dat geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eisers en referent.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en daarbij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verweerder heeft op 23 mei 2024 en 24 oktober 2025 gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de gemachtigde van eisers, [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres en [eiser 1] hebben ook deelgenomen, door middel van een videoverbinding.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eisers om een mvv terecht heeft afgewezen. De vragen die daarbij in geschil zijn, zijn of tussen eiseres en referent sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, of eiseres aan het inburgeringsvereiste voldoet en of sprake is van familie- en gezinsleven tussen eisers en referent.
Is sprake van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent?
Een vreemdeling van 21 jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt kan in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner. Verweerder neemt aan dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als deze relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Het is aan de vreemdeling om het bestaan van de duurzame en exclusieve relatie aan te tonen.
Eiseres voert aan dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie tussen haar en referent. Volgens eiseres heeft verweerder haar ten onrechte tegengeworpen dat referent niet naar een buurland is gekomen om eiseres te ontmoeten. Eiseres en referent hebben niet de financiële middelen en intellectualiteit om dat te doen.
De rechtbank overweegt allereerst dat de rechtbank in de uitspraak van 29 mei 2018 heeft vastgesteld dat niet in geschil was dat geen sprake was van een duurzame en exclusieve relatie. Daaruit volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat tot aan het vertrek van eiseres uit Nederland geen sprake is geweest van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiseres en referent. Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak. Voor de beoordeling van de huidige zaak gaat de rechtbank dan ook in beginsel uit van de conclusies uit die uitspraak en zal de rechtbank vooral kijken naar wat er veranderd is in de situatie van eisers sinds die uitspraak.
Op de zitting heeft de rechtbank aan de gemachtigde van eisers en referent de vraag gesteld wat er is veranderd in de situatie tussen referent en eiseres sinds de uitspraak van 29 mei 2018. De rechtbank heeft op deze vraag geen duidelijke en concrete reactie gekregen. De rechtbank ziet ook verder niet dat er iets in de situatie van eiseres en referent is veranderd waardoor nu, in tegenstelling tot in de uitspraak van 29 mei 2018, wel sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Eisers zijn al sinds 2016 niet in Nederland en eiseres en referent hebben elkaar al negen jaar niet gezien. Hoewel de rechtbank kan begrijpen dat het voor eiseres en referent lastig is om een ontmoeting te realiseren, vormt het feit dat geen ontmoeting heeft plaatsgevonden en evenmin is geprobeerd om elkaar te ontmoeten, wel een indicatie dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. De overgelegde whatsappgesprekken zijn verder van beperkte hoeveelheid, kort en oppervlakkig. Een duurzame en exclusieve relatie moet op één lijn zijn te stellen met een huwelijk. Gelet daarop, mag van whatsappgesprekken meer diepgang worden verwacht. Hoewel de rechtbank daarnaast ziet dat er wel al die jaren contact is geweest tussen referent en eiseres, is de rechtbank van oordeel dat dit enkele feit nog niet wil zeggen dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. De rechtbank ziet verder dat referent geld aan eiseres overmaakt voor het levensonderhoud van haar en de kinderen. Maar ook uit dit enkele feit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie.
De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres en referent niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij een duurzame en exclusieve relatie hebben.
Voldoet eiseres aan het inburgeringsvereiste?
Eiseres voert aan dat het inburgeringsvereiste haar ten onrechte is tegengeworpen. Eiseres kan een mbo-diploma overleggen en het vereiste is in strijd met het recht om familieleven uit te oefenen. Hangende het beroep heeft eiseres een brief van DUO overgelegd met de uitslag van het basisexamen inburgering. Daaruit volgt dat eiseres per 22 juli 2024 is geslaagd voor het inburgeringsexamen.
De rechtbank stelt voorop dat het een positieve ontwikkeling is dat eiseres haar inburgeringsexamen heeft gehaald. Het kan echter niet tot een andere uitkomst leiden. De rechtbank doet in deze zaak namelijk een ex tunc toetsing. Dat betekent dat de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit toetst aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van het bestreden besluit voordeden. Feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het bestreden besluit worden niet bij de beoordeling meegenomen. Het bestreden besluit is van 21 augustus 2023 en eiseres is op 22 juli 2024 geslaagd voor het inburgeringsexamen. De rechtbank kan dat dus niet betrekken bij de beoordeling van deze zaak. Echter, ook als de rechtbank het bij de beoordeling wel zou betrekken, leidt het slagen voor het inburgeringsexamen niet tot een andere uitkomst. Eisers voldoen namelijk nog steeds niet aan de overige voorwaarden voor het verlenen van een mvv.
Is sprake van familie- en gezinsleven tussen eisers en referent?
Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de feiten die in het voordeel van het gezin meewegen. Volgens eisers eist verweerder ten onrechte een gelegaliseerde geboorteakte van [eiser 3] , terwijl de familieband tussen referent en de kinderen met andere middelen kan worden aangetoond.
In de uitspraak van 29 mei 2018 heeft de rechtbank beoordeeld of tussen [eiser 2] en [eiser 1] en referent familieleven bestond in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat hier geen sprake van was. Ook bij deze grond zal de rechtbank strikt kijken naar wat er veranderd is in de situatie van eisers sinds die uitspraak, dus waaruit volgt dat er ten tijde van het bestreden besluit, in tegenstelling tot in de uitspraak van 29 mei 2018, wél sprake was van familieleven.
Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.4 is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft kunnen concluderen dat eiseres niet heeft aangetoond dat tussen haar en referent een duurzame en exclusieve relatie bestaat en dat om die reden geen sprake is van familieleven. Daarnaast heeft verweerder kunnen concluderen dat tussen referent en zijn kinderen geen hechte persoonlijke banden bestaan. Eisers hebben niet op enige wijze overtuigend onderbouwd dat sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en de kinderen. Zoals verweerder ook heeft gesteld, volgt uit de enkele omstandigheid dat referent de twee oudste kinderen heeft erkend niet dat daardoor sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent en de kinderen. Voor zover eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte een gelegaliseerde geboorteakte van [eiser 3] eist, overweegt de rechtbank dat, ondanks het ontbreken van die geboorteakte, ook verder niet is gebleken van hechte persoonlijke banden tussen referent en [eiser 3] .
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep, is er voor het treffen van een voorlopige voorziening geen reden meer. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 23/10976:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer AWB 23/10977;
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.