uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 1991, van Surinaamse nationaliteit, verzoekster,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2014,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2023,
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster om de rechtsgevolgen op te schorten van het besluit van 12 september 2025. In dit besluit is het bezwaar van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez ongegrond verklaard. Hiermee beoogt verzoekster het voortzetten van de opvang van haar en haar kinderen, van de bijstandsuitkering en van de ziektekostenverzekering.
De minister heeft met het primaire besluit van 8 maart 2024 de aanvraag afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar ingediend en hangende dit bezwaar verzocht om een voorlopige voorziening. Deze voorlopige voorziening is met uitspraak van 8 januari 2025 toegewezen inhoudende dat verzoekster niet uitgezet mag worden totdat op het bezwaarschrift is beslist. Op 2 mei 2025 heeft verzoekster beroep ingediend wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Met het besluit van 12 september 2025 heeft de minister het bezwaar alsnog op het bezwaar beslist en dit ongegrond verklaard. Verzoekster heeft daarom verzocht om bovenstaande voorlopige voorziening hangende dit beroep.
De minister heeft op 14 oktober 2025 aangegeven zich te verzetten tegen toewijzing van deze voorlopige voorziening. Op 27 oktober 2025 heeft de minister aangegeven zich niet langer te verzetten tegen toewijzing van het verzoek, omdat de minister van mening is dat het spoedeisende belang van verzoekster zwaarder weegt dan het belang van de minister bij haar spoedige verwijdering uit Nederland.
Met toestemming van partijen zal de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Overwegingen
2. Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. Bij brief van 27 oktober 2025 heeft de minister de voorzieningenrechter laten weten zich niet langer te verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening.
4. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening treffen dat het bestreden besluit wordt geschorst tot vier weken nadat op het beroepschrift is beslist en dat de minister verzoekster dus niet mag uitzetten gedurende deze periode.
5. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoekster een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift). Die punt heeft een waarde van € 907,- bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 907,-. Als aan verzoekster een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde van verzoekster.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- schorst het bestreden besluit tot vier weken na de uitspraak op het beroep;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.