[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 1993, van Belarussische nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 8 augustus 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Gouloyan als tolk in de Russische taal en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond
4. Eiser heeft Belarus in september 2020 verlaten. Eiser heeft op 27 september 2020 zijn eerste asielaanvraag gedaan. Deze asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is hierna met onbekende bestemming vertrokken. Het beroep tegen de afwijzing is ongegrond verklaard.
Op 27 mei 2022 heeft eiser een tweede asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld omdat hij heeft nagelaten te antwoorden op verzoeken om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang voor zijn aanvraag volgens de minister. Eiser is vervolgens weer met onbekende bestemming vertrokken.
Hierna heeft eiser op 20 juli 2022 zijn derde asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag is ook afgewezen als kennelijk ongegrond. Het ingediende beroep is door de advocaat van eiser ingetrokken nadat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Eiser is in deze periode buiten het Schengengebied geweest.
Eiser heeft de huidige asielaanvraag op 1 augustus 2025 ingediend. Over deze aanvraag gaat de huidige procedure.
Bij het gehoor opvolgende aanvraag van 4 augustus 2025 heeft eiser aangegeven over foto’s te beschikken van een document dat zijn asielrelaas kan onderbouwen. Bij de correcties en aanvullingen van het opvolgende gehoor van 5 augustus 2025 zijn kopieën van een ‘beschikking aangaande het aanspannen van een strafrechtelijke zaak’ ingebracht en is aangegeven dat de originele documenten zich vanaf 5 augustus 2025 bij een vriend van eiser bevinden en dat deze zo snel mogelijk aan de gemachtigde van eiser overhandigd zullen worden. Vervolgens heeft de minister op 6 augustus 2025 een voornemen uitgebracht. In de zienswijze heeft eiser aangegeven dat de originele documenten uiterlijk 10 augustus 2025 bij het kantoor van de gemachtigde van eiser bezorgd zullen worden en verzoekt eiser om hem in de gelegenheid te stellen de originele documenten in te brengen. De minister heeft op 8 augustus 2025 het bestreden besluit genomen. Op 12 augustus 2025 heeft de gemachtigde van eiser het document opgestuurd naar Bureau Documenten. Bureau Documenten heeft op 15 oktober 2025 een verklaring van onderzoek afgegeven. De minister heeft dit document op 27 oktober 2025, een dag voor de zitting, toegevoegd aan het digitale dossier.
Asielrelaas
5. Eiser heeft het volgende aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd. Hij heeft verklaard dat hij de Belarussische nationaliteit heeft en tot de Belarussische bevolkingsgroep behoort. Verder heeft eiser verklaard dat er in april 2025 politieagenten bij zijn woning langs zijn gekomen en dat die tegen zijn moeder hebben verteld dat er een nieuwe strafzaak tegen hem is gestart vanwege zijn deelname aan een protest op 14 april 2020. Het protest was als steun voor één van de presidentskandidaten van Belarus, [naam] , die uit de lijst van kandidaten was gehaald.
Besluitvorming
Het asielrelaas bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. de identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de nieuwe strafzaak als gevolg van de deelname aan de demonstratie op
14 juli 2020.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar acht de nieuwe strafzaak als gevolg van de deelname aan de demonstratie op 14 juli 2020 niet geloofwaardig. De minister stelt dat eiser hiertoe onvoldoende documenten heeft gegeven en hier geen goede verklaring voor heeft. Eiser heeft namelijk enkel een kopie ingebracht en niet het originele document. Ook vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn deelname aan demonstraties in de negatieve aandacht van de autoriteiten staat, hij verklaart vaag over het politiebezoek in april 2025 en hij verklaart vaag over het document dat door de politie in april 2025 is afgegeven. Daarnaast kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd volgens de minister, omdat hij meermalen met onbekende bestemming is vertrokken. De asielaanvraag is daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. Aan eiser wordt een nieuw terugkeerbesluit opgelegd en het inreisverbod dat eerder is opgelegd, is nog steeds van kracht.
Samenwerkingsverplichting
6. Eiser stelt dat de minister in strijd met de samenwerkingsverplichting heeft gehandeld. Volgens eiser heeft de minister bij voorbaat ten onrechte geweigerd om objectieve documenten bij de beoordeling van het asielrelaas te betrekken. Eiser acht het onnavolgbaar dat zijn asielrelaas volgens de minister onvoldoende is onderbouwd, terwijl hij niet in de gelegenheid is gesteld om het beschikbare bewijs alsnog te doen toekomen. Eiser wijst erop dat de minister bekend was dat de originele documenten in Nederland bevonden. Hij had hiervan al fotokopieën bij de correcties en aanvullingen overgelegd. De originele documenten zijn op 12 augustus 2025 per aangetekende post naar de IND verstuurd en zijn inmiddels bij het dossier gevoegd.
De minister kan eiser niet volgen in zijn standpunt dat ten onrechte bij voorbaat objectieve documenten zijn uitgesloten of dat het verzoek om uitstel ten onrechte is afgewezen. De asielprocedure dient zorgvuldig te worden uitgevoerd, en een verzoek om uitstel kan alleen in goed onderbouwde gevallen worden ingewilligd. In dit geval was er geen overtuigende reden voor uitstel. Bovendien heeft eiser ook geen afdoende onderbouwing gegeven voor het niet tijdig overleggen van het document. Omdat eiser eerder asielaanvragen heeft ingediend, mocht hij worden verondersteld met de vereisten van de procedure bekend te zijn. Eiser had voldoende tijd om de benodigde documenten te verkrijgen. Het feit dat het originele document pas na de inleverdatum is overgelegd, kan niet als een gegronde reden voor uitstel worden beschouwd. Hoewel eiser verklaart dat hij door zijn nomadische bestaan het risico loopt documenten te verliezen, is dit volgens de minister geen gegronde reden om uitstel te verlenen. In asielprocedures wordt van eiser verwacht dat hij zorgdraagt voor zijn documenten, ongeacht zijn levensstijl. Daarnaast had eiser sinds april 2025 al in het bezit kunnen zijn van het originele document. Het verzoek om uitstel is daarom terecht afgewezen.
De rechtbank overweegt dat eiser redelijkerwijs de gelegenheid moet krijgen om een origineel document te overleggen dat zijn asielrelaas mogelijk kan onderbouwen. Dit geldt ook binnen de algemene asielprocedure, waarin doorgaans kortere termijnen gelden. Eiser heeft van meet af aan verklaard dat het originele document zijn asielrelaas kan onderbouwen en dat het document onderweg was naar Nederland of naar zijn gemachtigde. De minister heeft de vierde opvolgende aanvraag van eiser inhoudelijk beoordeeld en heeft daarmee het door eiser aangevoerde element als relevant beschouwd. De minister had eiser dan ook redelijkerwijs een nadere termijn moeten geven om het document binnen een redelijke termijn over te leggen. Daarbij weegt mee dat het document de kern van het asielrelaas raakt. Anders dan de minister, is de rechtbank van oordeel dat eiser wel een plausibele verklaring heeft gegeven voor het niet meenemen van het originele document bij zijn vlucht, namelijk de angst om deze onderweg te verliezen. Door eiser geen nadere termijn te bieden en het besluit te nemen zonder het originele document af te wachten, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank op dit punt in strijd gehandeld met de samenwerkingsverplichting. De overweging in het bestreden besluit dat eiser zijn asielrelaas onvoldoende heeft onderbouwd met objectief bewijs en daarvoor geen verschoonbare reden heeft gegeven, kan daarom niet standhouden. De beroepsgrond slaagt.
Het document ‘beschikking aangaande het aanspannen van een strafrechtelijke zaak’
7. De rechtbank schetst eerst de gang van zaken omtrent het document ‘beschikking aangaande het aanspannen van een strafrechtelijke zaak’ en het onderzoek daarnaar door de minister.
Eiser heeft na het bestreden besluit op 12 augustus 2025 het originele document ‘beschikking aangaande het aanspannen van een strafrechtelijke zaak’ opgestuurd naar de IND. De minister heeft dit document laten onderzoeken door Bureau Documenten. Op 27 oktober 2025, één dag voor de zitting, heeft de minister het onderzoek van Bureau Documenten van 15 oktober 2025 aan het digitale dossier toegevoegd. Uit het onderzoek volgt dat het een uitspraak/vonnis van de onderzoekscommissie van de Republiek Belarus is. Volgens Bureau Documenten zijn er, gelet op het beschikbare vergelijkingsmateriaal en gelet op ambtelijk verkregen informatie, onregelmatigheden aangetroffen met betrekking tot de opmaak en afgifte van het document. Bureau Documenten concludeert daarom dat dit document hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven, waardoor niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.
Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten te laat is ingebracht door de minister en daarom buiten beschouwing moet blijven in de beoordeling vanwege strijd met de goede procesorde. Subsidiair voert eiser aan dat het onderzoek door Bureau Documenten niet deugdelijk is uitgevoerd. Het document is namelijk geen uitspraak/vonnis, zoals Bureau Documenten stelt, maar een beschikking, zo blijkt uit de vertaling van ELAN Languages. Daarbij komt volgens eiser dat de tolk op de zitting heeft verklaard dat op het document “gerechtelijk bevel” staat.
De minister stelt zich op het standpunt dat het rapport van Bureau Documenten kan worden meegenomen in de beoordeling van de zaak. Eiser heeft het document zelf pas laat ingebracht. Als eiser een contra-expertise zou willen laten verrichten, dan kan eiser om aanhouding verzoeken. De minister ziet zelf geen aanleiding voor aanhouding, omdat mag worden uitgegaan van de juistheid van de conclusie van Bureau Documenten.
De rechtbank is van oordeel dat het inbrengen van het onderzoeksrapport van Bureau Documenten door de minister één dag voor de zitting niet in strijd is met de goede procesorde. In asielzaken vindt een zogenaamde ex nunc-toetsing plaats, wat betekent dat de rechtbank kijkt naar de actuele situatie ten tijde van het beroep. Het document kan de kern van het asielrelaas van eiser onderbouwen. Het is daarom, ook in het belang van eiser, wenselijk dat er duidelijkheid bestaat over het document.
Daarnaast volgt de rechtbank eiser niet in zijn subsidiaire standpunt dat het onderzoek van Bureau Documenten ondeugdelijk is, enkel omdat het document volgens eiser een beschikking of gerechtelijk bevel zou zijn, en volgens Bureau Documenten een uitspraak/vonnis. Dit verschil in terminologie maakt niet dat op voorhand niet kan worden uitgegaan van het onderzoek van Bureau Documenten. De minister mag in beginsel uitgaan van een rapport van Bureau Documenten. Dit neemt echter niet weg dat eiser, gelet op het beginsel van equality of arms, de gelegenheid moet krijgen dit rapport te bestrijden door een (ander) deskundigenrapport (contra-expertise). Door het late tijdstip van inbreng van de verklaring van onderzoek door de minister, heeft eiser deze mogelijkheid onvoldoende gehad. De gemachtigde van eiser heeft namelijk op de zitting aangegeven dat hij de uitkomst van dit onderzoek nog niet heeft kunnen bespreken met eiser en dat er geen tijd was voor een contra-expertise. De rechtbank acht het van belang dat eiser alsnog in de gelegenheid wordt gesteld een contra-expertise te laten verrichten, omdat de uitkomst daarvan van invloed kan zijn op de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas.
De rechtbank ziet verder geen aanleiding om in te gaan op de overige beroepsgronden ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielmotief ‘de nieuwe strafzaak als gevolg van de deelname aan de demonstratie op 14 juli 2020’. Het document dat eiser hieraan ten grondslag legt, zal mogelijk nog nader worden onderzocht. De uitkomst van dit onderzoek kan van invloed zijn op de verdere beoordeling van dit asielmotief.
In grote lijnen als ongeloofwaardig worden beschouwd
8. Eiser volgt de tegenwerping van de minister niet dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig beschouwd kan worden, omdat hij meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken. Volgens eiser ontbreekt het causaal verband tussen deze gedraging en de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas. Daarbij gaat het om de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas, niet om de geloofwaardigheid van de persoon. Dat eiser meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken, toont volgens hem juist aan dat hij bang was te worden overgedragen aan het land van herkomst.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Eiser is tot drie keer toe met onbekende bestemming vertrokken en heeft de asielprocedure of de beroepsfase niet afgewacht. Dit gedrag doet volgens de minister afbreuk aan de algehele geloofwaardigheid en roept twijfels op over de oprechtheid van de noodzaak om internationale bescherming.
De rechtbank kan het standpunt van de minister dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, niet volgen. Artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn over de beoordeling van feiten en omstandigheden vermeldt niets over met onbekende bestemming vertrekken en de mogelijke betekenis voor de geloofwaardigheid. Met onbekende stemming vertrekken is een individuele gedragsfactor, een contextuele factor – het is geen element uit het asielrelaas zelf of een element over het land van herkomst. Voordat de minister conclusies kan trekken over de algehele geloofwaardigheid van een vreemdeling, moet de minister dergelijke individuele gedragsfactoren zorgvuldig in overweging nemen en de vreemdeling moet ook de gelegenheid krijgen om met uitleg voor zijn of haar gedrag te komen. Weliswaar heeft de minister eiser tijdens het nader gehoor daartoe de gelegenheid gegeven, maar de minister heeft onvoldoende gemotiveerd in het bestreden besluit wat maakt dat het eerdere herhaaldelijk vertrek van eiser en de redenen die eiser daaraan ten grondslag heeft gelegd, zou leiden tot ongeloofwaardigheid van zijn nieuwe asielrelaas. Het enkele feit dat een vreemdeling meerdere keren is vertrokken, betekent niet automatisch dat een vreemdeling in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Daarbij komt dat minister beleid heeft over wanneer iemand in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd, zoals vastgelegd in paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vc. In dit beleid is niet concreet terug te vinden dat herhaald vertrek met onbekende bestemming afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van een vreemdeling. Desgevraagd kon de gemachtigde van de minister op de zitting ook geen duidelijkheid geven waarop deze tegenwerping is gebaseerd. Zonder nadere onderbouwing van de minister kan de rechtbank deze tegenwerping over de geloofwaardigheid van het asielrelaas dan ook niet volgen. Deze beroepsgrond slaagt ook.
Conclusie en gevolgen
9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat eiser nog de gelegenheid moet krijgen tot nader onderzoek naar het document de ‘beschikking aangaande het aanspannen van een strafrechtelijke zaak’. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10. Aangezien de rechtbank nu heeft beslist op het beroep, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor twaalf weken.
12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.721,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Als aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister deze vergoeding betalen aan de gemachtigde.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak NL25.38515:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 8 augustus 2025;
- draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak NL25.38516:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Q.M.J.A. Crul, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Roefs, griffier.
BIJLAGE
Paragraaf C1/4.3.2.5 Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, Vw
Onder de vraag of vast is komen te staan dat de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, vallen feiten en/of omstandigheden die raken aan de algemene geloofwaardigheid van de vreemdeling. Deze feiten en omstandigheden zien dus niet enkel op de vastgestelde feiten en/of omstandigheden die behoren tot het asielmotief. Als de vreemdeling in deze of een andere procedure verklaringen aflegt die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantasten, kan de vreemdeling worden beschouwd als niet geloofwaardig in grote lijnen.
Vaststellingen die zijn gedaan met betrekking tot de voorwaarden genoemd in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a t/m d, Vw kunnen van invloed zijn op de geloofwaardigheid in grote lijnen.
Omstandigheden die in ieder geval kunnen worden betrokken bij de beoordeling of de vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd, zijn:
Ook als een vreemdeling in het kader van de Dublinprocedure in de nationale procedure is opgenomen en aantoonbaar onjuiste informatie heeft verstrekt of heeft achtergehouden (al dan niet in de andere lidstaat) betrekt de IND dit bij de beoordeling of een vreemdeling in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.