[eiser] , eiser en verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).
Inleiding
1. Eiser heeft op 18 december 2023 een aanvraag ingediend voor afgifte van een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 19 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Tevens heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat het verzoek wordt behandeld als ware eiser in het bezit is van een faciliterend inreisvisum.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd door een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente), de gemachtigde van eiser, M. Momand als tolk in de taal Urdu, [vrijwilliger] (vrijwilliger begeleider van referente) en de gemachtigde van verweerder.
Achtergrond
2. Eiser heeft de Pakistaanse nationaliteit en woont in Pakistan. Hij is getrouwd met referente en heeft met haar twee zonen: [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2023. Referente heeft uit een eerder huwelijk ook een dochter: [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2008. Zij maakt deel uit van het gezin van eiser en referente. Referente en de drie kinderen wonen in Nederland en hebben allen de Nederlandse nationaliteit.
3. Eiser heeft op 18 december 2023 verzocht om afgifte van een faciliterend visum op grond van artikel 20 van het VWEU, met daarbij een beroep op het arrest Chavez-Vilchez. Die aanvraag is met het besluit van 19 maart 2024 afgewezen. Eiser heeft vervolgens bezwaar gemaakt en op 18 april 2024 verzocht om een voorlopige voorziening ertoe strekkende dat aan eiser het faciliterend visum wordt verleend. Subsidiair verzocht hij om verweerder op te dragen binnen een termijn van twee weken te beslissen op het bezwaarschrift. De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraak van 26 juni 2024 bepaald dat verweerder, als hij niet uiterlijk op 29 juli 2024 een besluit heeft genomen over het bezwaar van eiser, verweerder hem na die datum moet behandelen alsof hij hem het aangevraagde faciliterend visum heeft verleend.
4. Verweerder heeft op 25 juli 2024 een besluit op het bezwaar van eiser genomen. Dat besluit is bij bericht van 11 december 2024 ingetrokken. Op 14 februari 2025 is het bestreden besluit genomen.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft de aanvraag van eiser – kort gezegd – afgewezen omdat eiser geen daadwerkelijke zorgtaken ten behoeve van de minderjarige kinderen verricht en er geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat de kinderen gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Uit de Whatsapp berichten die zijn aangeleverd kan niet worden opgemaakt waar die over gaan, nu die niet zijn vertaald. Verder blijkt uit de rapportages en verklaringen dat het gezin hulp van verschillende instanties en derden ontvangt en dat er enige verbetering in de situatie van de kinderen is te zien. Er is niet gebleken wat de zorg- en opvoedingstaken van eiser zijn en dat de kinderen dermate afhankelijk van hem zijn dat zij de Europese Unie zouden moeten verlaten als eiser niet mag inreizen.
Beoordeling door de rechtbank
6. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dat verzoek toe te wijzen. Hij hoeft dus geen griffierecht te betalen.
7. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
8. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hieronder zal zij verder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Toetsingskader
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, anders dan eiser aanvoert, in het bestreden besluit volgens het juiste juridische kader is getoetst. Er is volgens verweerder in het bestreden besluit niet cumulatief aan de vereisten van paragraaf B10/2.5. van de Vc getoetst, maar deze zijn onafhankelijk van elkaar bezien.
De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025, volgt dat de vaststelling van een afhankelijkheidsverhouding, zoals volgt uit het arrest Chaves-Vilchez, de grondslag vormt voor het ontstaan van een verblijfsrecht. De vereisten die zijn genoemd in paragraaf B10/2.5. van de Vc, mogen niet als cumulatief worden uitgelegd, maar moeten als losstaand worden beoordeeld. Dat betekent dus dat er ook een afhankelijkheidsverhouding kan bestaan (vereiste d), zonder dat er meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken worden verricht (vereiste c).
De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder heeft getoetst of er sprake is van meer dan marginale zorg- en opvoedingstaken en een dermate afhankelijkheid van de kinderen, waardoor zij de Europese Unie zouden moeten verlaten als eiser geen verblijfsvergunning krijgt. Uit het bestreden besluit blijkt bijvoorbeeld dat het volgende is vastgesteld:
“Ook als uit de gesprekken wel zou blijken dat meer dan marginale zorg en opvoedtaken worden verricht, wat niet het geval is, dan is daarmee nog niet aangetoond dat één of meerdere kinderen dermate van hem afhankelijk zijn dat zij het grondgebied van de EU zouden moeten verlaten als aan hem geen visum wordt verstrekt.”.
De rechtbank is van oordeel dat uit die formulering volgt dat verweerder anders dan is vastgesteld in de uitspraak van de Afdeling, cumulatief heeft getoetst aan de vereisten c en d. Anders dan verweerder heeft aangevoerd ter zitting, ziet de rechtbank in het bestreden besluit niet dat deze vereisten los van elkaar zijn getoetst. Daarbij komt dat verweerder in het bestreden besluit de nadruk heeft gelegd op toetsing van vereiste c, terwijl uit de genoemde uitspraak van de Afdeling volgt dat de nadruk moet liggen op toetsing van vereiste d. Verweerder overweegt bijvoorbeeld:
“Allereerst wordt overwogen dat onvoldoende is gebleken dat de vreemdeling meer dan marginale zorg- en opvoedtaken uitvoert ten behoeve van de minderjarige kinderen”
De rechtbank constateert dan ook een motiveringsgebrek.
De rechtbank overweegt verder dat met betrekking tot het belang van de kinderen in het bestreden besluit is overwogen dat er onvoldoende is gebleken dat de normale ontwikkeling in het geding is. De rechtbank stelt vast dat er meerdere rapporten zijn overgelegd ter onderbouwing van de precaire gezinssituatie. Zoals ter zitting ook is gebleken, heeft het gezin veel ondersteuning van derden nodig. Er is ook gebleken dat de kinderen psychologische ondersteuning nodig hebben. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de gevolgen van het besluit voor de kinderen onvoldoende heeft meegewogen. Zo heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de emotionele ontwikkeling van de kinderen en de vele hulp die het gezin al voor een langere tijd nodig heeft. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de belangen van de kinderen onvoldoende heeft meegewogen.
Toetsing aan artikel 8 van het EVRM
10. Verweerder stelt zich in het verweerschrift in beroep op het standpunt dat er in het bestreden besluit ten onrechte aan artikel 8 van het EVRM is getoetst. Een beoordeling van het recht op van gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM valt volgens verweerder buiten de reikwijdte van het faciliterend visum. De bevoegdheid voor het nemen van dergelijke besluiten ligt namelijk bij de minister van Asiel en Migratie en niet bij de minister van Buitenlandse Zaken. De overwegingen hieromtrent zijn dan ook onbevoegd genomen en in het verweerschrift laat verweerder dan ook weten dat het deel van het besluit dat daarop ziet, komt te vervallen.
Ter zitting heeft eiser hierover het standpunt ingenomen dat hij erop mocht vertrouwen dat er wel werd getoetst aan artikel 8 van het EVRM. De rechtbank vat dit op als een beroep op het vertrouwensbeginsel.
11. De rechtbank overweegt dat voor een beroep op het vertrouwensbeginsel drie stappen moeten worden doorlopen. Ten eerste moet het aannemelijk zijn dat aan de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat het bestuursorgaan een bevoegdheid zou uitoefenen.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op de zitting van 5 december 2024 aan eiser heeft laten weten de beslissing op bezwaar van 25 juli 2024 in te trekken, omdat er volgens verweerder ten onrechte niet aan artikel 8 van het EVRM was getoetst. Volgens verweerder had er destijds wel ambtshalve aan dat artikel moeten worden getoetst. Vervolgens is in het bestreden besluit aan artikel 8 van het EVRM getoetst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser uit die toezegging van verweerder op de zitting van 5 december 2024 en vervolgens uit het bestreden besluit, redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat verweerder die bevoegdheid zou uitoefenen.
Vervolgens is het de vraag of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Dat is het geval als eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht veronderstellen dat degene die de uitlating deed of de gedraging verrichtte de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkte.
Zoals ter zitting ook is toegelicht door verweerder, vertegenwoordigde de IND in deze zaak vanaf de bezwaarprocedure de minister van Buitenlandse Zaken. Diezelfde IND vertegenwoordigt de minister van Asiel en Migratie in reguliere zaken waarin een beroep wordt gedaan op artikel 8 van het EVRM. Eiser mocht er volgens de rechtbank dan ook vanuit gaan dat de procesgemachtigde op de zitting van 5 december 2024 verweerder vertegenwoordigde, en dat het bestreden besluit ook bevoegd is genomen.
Tot slot moet er een belangenafweging worden gemaakt, waarin wordt afgewogen of er zwaarder wegende belangen het gerechtvaardigde vertrouwen in de weg staat. De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is van een belang van verweerder dat zwaarder zou wegen dan het belang dat eiser heeft bij de spoedige beoordeling van het gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging het gerechtvaardigd vertrouwen niet in de weg staat.
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser het gerechtvaardigde vertrouwen mocht hebben dat zijn bezwaar getoetst zou worden aan artikel 8 van het EVRM. Gelet op het voorgaande is het beroep dan ook gegrond en behoeven de overige gronden geen bespreking meer.
Voorlopige voorziening
13. De rechtbank overweegt dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 26 juni 2024 heeft overwogen dat er sprake was van een precaire gezinssituatie en dat er geen reden is te twijfelen aan het belang voor het gezin bij een snelle komst van eiser naar Nederland. Verweerder heeft vervolgens een besluit genomen binnen de door de voorzieningenrechter gestelde termijn. Zoals hierboven ook benoemd heeft verweerder dat besluit echter op de zitting van 5 december 2024 ingetrokken en vervolgens op 14 februari 2025 het bestreden besluit genomen. Zoals hierboven uiteengezet komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep gegrond is en wordt het bestreden besluit vernietigd.
De rechtbank stelt vast dat de gezinssituatie, net zoals eerder door de voorzieningenrechter is geoordeeld, nog steeds precair is. Zoals ook blijkt uit het bestreden besluit onderkent verweerder dat referente de zorg voor de kinderen niet alleen aankan onder de huidige omstandigheden en dat het gezien de weerslag die de stress van referente heeft op het gezin, begrijpelijk is dat de overkomst van eiser gewenst is. Ook ter zitting heeft verweerder erkend dat er problemen zijn in het gezin en dat er veel hulpinstanties bij betrokken zijn. Ter zitting heeft referente verder aangegeven de zorg niet meer alleen aan te kunnen, ook niet met de vele hulpinstanties die betrokken zijn, en dat zij daarom overweegt haar jongste kind naar Pakistan te sturen. De rechtbank heeft in deze uitspraak ook vastgesteld dat verweerder de gevolgen voor de kinderen onvoldoende heeft betrokken in het bestreden besluit.
De rechtbank concludeert dan ook dat gelet op de belangen van de kinderen, de conclusie dat de gezinssituatie (nog steeds) zeer precair is en de verwijtbaarheid aan verweerder voor de lange duur van de procedure, er een voorziening moet worden getroffen. De rechtbank treft dan ook een voorlopige voorziening waarbij eiser moet worden behandeld als ware hij in het bezit is van een faciliterend visum. Deze voorziening duurt tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser heeft beslist.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat verweerder een nieuwe beslissing moet nemen op het bezwaar van eiser, waarbij deze uitspraak in acht moet worden genomen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
15. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient daarbij ook een nieuwe toets in het kader van artikel 8 van het EVRM te maken. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
16. De rechtbank treft verder een voorlopige voorziening die inhoudt dat eiser moet worden behandeld als ware hij in het bezit van een faciliterend visum. Deze voorziening geldt tot zes weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar heeft beslist.
17. Nu het beroep gegrond is en de rechtbank zelf een voorlopige voorziening treft, is er geen aanleiding meer voor de voorzieningenechter om de gevraagde voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst dat verzoek dan ook af.
18. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.721,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank in de zaak met nummer NL25.12235:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; en
- bepaalt dat eiser moet worden behandeld als ware hij in bezit van een faciliterend visum ten minste tot zes weken na het nemen van een nieuw besluit.
De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL24.48641:
-wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank in beide zaken:
-veroordeelt verweerder in het betalen van € 2.721,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.