RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.39296 (beroep)
NL25.39297 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter van 11 november 2025 in de zaken tussen
geboren op [geboortedatum] 2004, van Iraakse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Procesverloop
Eiser heeft op 3 april 2025 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 augustus 2025 buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, die ertoe strekt zijn uitzetting te voorkomen totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, L. El Majdoubi als tolk in de Arabische taal, en de gemachtigden van partijen.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL25.39296:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit; en,
- draagt de minister op eiser binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak eiser te horen en binnen maximaal zestien weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd met zaaknummer NL25.39297:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.721,-.
Overwegingen
1. De minister heeft met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat eiser toerekenbaar heeft nagelaten relevante informatie te verstrekken. Volgens de minister heeft eiser namelijk geen of onvoldoende verklaringen tijdens de twee nadere gehoren afgelegd.
Het eerste nader gehoor
2. Eiser heeft het eerste nader gehoor beëindigd omdat hij zei koorts te hebben en naar de medische dienst wilde. Volgens de minister heeft eiser dat gehoor gefrustreerd, omdat er aanleiding is om de verklaring van eiser dat hij ziek was en daarom niet in staat was om het gehoor te doen in twijfel te trekken. In de e-mail van de gemachtigde van eiser van 12 juni 2025 stond niets opgemerkt over dat eiser ziek zou zijn. Er bestond volgens de minister dus geen concrete aanleiding dat eiser door de medische dienst moest worden gezien. Ook heeft eiser zelf niet om de medische dienst verzocht.
3. Eiser vindt dat het besluit onzorgvuldig is omdat de medische dienst geen beoordeling heeft gemaakt. Daarmee heeft de minister in strijd gehandeld met de samenwerkingsverplichting.
4. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser op 12 juni 2025, één dag voorafgaand aan het eerste nader gehoor, een e-mail heeft gestuurd aan de IND. Daarin staat het volgende:
“Op dit moment ben ik in gesprek met de [eiser] . Hij heeft een ernstig relaas en is serieus mishandeld. Hij is ook getraumatiseerd en heeft grote littekens. Ik zie echter niet dat hij is gezien door Medifirst. Dus ik denk dat niet goed kan worden vastgesteld of hij wel kan worden gehoord morgen en op welke wijze.
Hoe ziet u dit?”
De rechtbank constateert dat de minister hierop niet heeft gereageerd.
5. Tijdens het eerste nader gehoor op 13 juni 2025 heeft eiser verklaard dat hij koorts had en dat hij de medische dienst wilde zien. Desondanks heeft de minister ervoor gekozen om het nader gehoor toch voort te zetten. De rechtbank is van oordeel dat de minister in deze situatie niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. De signalen over de gezondheidstoestand van eiser – zowel van de gemachtigde van eiser als van eiser zelf – vormden voldoende aanleiding voor de minister om nader onderzoek te doen naar de medische gezondheid van eiser. De minister heeft op zitting niet duidelijk gemaakt wat maakt dat het oordeel van de medische dienst niet kon worden afgewacht of het gehoor kon worden voortgezet, gezien deze signalen. Daarbij komt dat het niet aan een gehoormedewerker is om een medische beoordeling te maken of eiser in staat is om het gehoor voort te zetten. Evenmin heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom er aanleiding was de verklaring van eiser dat hij ziek was in twijfel te trekken. Door een medische beoordeling na te laten en het gehoor toch te laten plaatsvinden, heeft de minister onvoldoende onderzocht of eiser in staat was om te worden gehoord. Daarmee is het besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en heeft de minister in strijd gehandeld met de samenwerkingsverplichting. Het verwijt dat eiser het eerste nader gehoor heeft gefrustreerd, kan onder deze omstandigheden dus geen stand houden.
Het tweede nader gehoor
6. Eiser heeft het tweede nader gehoor beëindigd, omdat hij niet kon communiceren met de tolk.
7. De minister vindt dat eiser het tweede nader gehoor heeft gefrustreerd. Volgens de minister heeft eiser het gehoor beëindigd omdat hij niet wilde communiceren met de tolk, terwijl deze beëdigd is in de taal Arabisch-Irakees, de taal die eiser zelf bij het aanmeldgehoor heeft opgegeven als voertaal. De minister ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de kwaliteit van de tolk, omdat uit het nader gehoor blijkt dat eiser de tolk bij aanvang goed kon verstaan en dat er tijdens het nader gehoor geen aanwijzingen waren voor miscommunicatie. Volgens de minister is – kort gezegd – de afkomst van de tolk niet relevant zolang de tolk beëdigd is in de juiste taal.
8. Eiser voert aan dat het onzorgvuldig was dat de minister bij het tweede nader gehoor geen tolk heeft ingezet die afkomstig is uit Irak, terwijl zijn gemachtigde daar wel om had verzocht.
9. Uit nationale en internationale wet- en regelgeving volgt dat het van belang is dat een vreemdeling wordt gehoord met bijstand van een tolk in een taal waaraan de vreemdeling de voorkeur geeft, tenzij er een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren. De herkomst van de tolk is niet relevant, zolang de tolk is beëdigd in de juiste taal.
10. Uit het dossier blijkt dat bij het aanmeldgehoor, het eerste nader gehoor en het tweede nader gehoor telkens een registertolk Arabisch-Irakees is ingezet. Uit het verslag van het tweede nader gehoor blijkt bovendien dat eiser bij aanvang heeft bevestigd dat hij de tolk verstaat en begrijpt. Dit heeft eiser later nogmaals bevestigd nadat hij aangeeft dat het land van de tolk verschilt. In het verslag van het gehoor zijn geen aanwijzingen te vinden dat eiser de tolk niet goed heeft begrepen of verstaan. Ook heeft eiser in de correcties en aanvullingen geen inhoudelijke correcties of aanvullingen op het gehoor ingediend waaruit blijkt dat er sprake is geweest van vertaalfouten of communicatieproblemen.
11. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser geen geldige reden had om het gehoor te beëindigen. De minister heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser dit tweede nader gehoor heeft gefrustreerd.
12. De rechtbank stelt vast dat uit het beleid van de minister in samenhang met artikel 3.45b, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 volgt dat voor buitenbehandelingstelling van een asielaanvraag is vereist dat de vreemdeling twee keer in de gelegenheid is gesteld om informatie te verstrekken die van wezenlijk belang is voor zijn aanvraag en heeft verzuimd die informatie te verstrekken. Aangezien het eerste nader gehoor niet aan eiser kan worden verweten, heeft eiser slechts één keer verzuimd om informatie te verstrekken bij het tweede nader gehoor. De minister mocht de asielaanvraag van eiser daarom niet buiten behandeling stellen.
13. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. Eiser moet binnen acht weken opnieuw worden gehoord. De minister moet vervolgens binnen acht weken een nieuw besluit nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
14. Omdat nu op het beroep is beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.721,-, omdat eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en op de zitting is verschenen.
16. Partijen kunnen binnen één week na de bekendmaking van het proces-verbaal van de uitspraak in hoger beroep.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025 door mr. Q.M.J.A. Crul, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. F.W. Victoor, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen de uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.