RECHTBANK DEN HAAG
[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna eiseres
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.22594 (beroep)
NL25.22595 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. L.M. Weber),
en
(gemachtigde: mr. F.E. Mahler).
Procesverloop
1. Eiseres heeft op 5 april 2023 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op de beroepsgronden gereageerd door een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna rechtbank) heeft de zaken op 3 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, S.B. Aniania als tolk in de taal Tigrinya en de gemachtigde van verweerder. Ook waren een zoon en een dochter van eiseres aanwezig en twee medewerkers van Vluchtelingenwerk Nederland.
De rechtbank heeft verweerder na de zitting in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het ter zitting ingenomen standpunt van eiseres met betrekking tot het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft op 17 september 2025 zijn reactie ingediend. Eiseres is vervolgens in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Eiseres heeft op 24 september 2025 haar reactie ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 6 oktober 2025 gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
4. Eiseres legt aan haar herhaalde asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres vreest voor de autoriteiten in Eritrea nu haar kinderen zijn gedeserteerd en zij hiervoor eerder gevangen is gehouden en mishandeld. De buren van eiseres hebben doorgegeven dat soldaten haar huis hebben dichtgetimmerd en dat zij één van haar zoons hebben meegenomen. Eiseres is daarnaast al een lange tijd ongeoorloofd afwezig en al zeven jaar in Nederland. Zij heeft geen diasporabelasting betaald en is hiertoe ook niet bereid. Eiseres heeft daarnaast geen geldige reisdocumenten en vreest dan ook te worden opgepakt bij terugkeer.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig worden geacht. De mogelijke problemen met de autoriteiten vanwege de lange afwezigheid worden niet geloofwaardig geacht. De problemen vanwege de desertie van de kinderen van eiseres zijn al beoordeeld in de eerste asielaanvraag en de verklaringen van eiseres hierover worden niet als nieuwe informatie aangemerkt en dus niet opnieuw getoetst. Verweerder concludeert dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
De beroepsgronden
6. Eiseres voert – samengevat – aan dat verweerder ten onrechte het tweede en derde element van haar asielrelaas, namelijk de problemen vanwege de lange afwezigheid en de problemen vanwege de desertie van haar kinderen, ongeloofwaardig heeft geacht en niet heeft doorgetoetst. Eiseres heeft daarbij ook voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea. Verweerder heeft ten onrechte geoordeeld dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en had meer rekening moeten houden met het referentiekader van eiseres.
Heeft verweerder de nieuwe feiten en omstandigheden ten onrechte niet doorgetoetst?
7. De rechtbank overweegt dat voor een opvolgende aanvraag verweerder moet beoordelen of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. In het bestreden besluit heeft verweerder gemotiveerd dat ten aanzien het derde aangevoerde element (de desertie van haar kinderen), eiseres geen nieuwe elementen of feiten heeft aangevoerd dan die bekend waren bij haar eerste asielaanvraag. Eiseres voert volgens verweerder dezelfde omstandigheden die voor haar vertrek uit Eritrea speelden, opnieuw aan in haar opvolgende aanvraag.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten aanzien van het derde element er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, maar deze een herhaling zijn van haar eerste asielrelaas. Hierover heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, in haar onherroepelijke uitspraak van 2 november 2020 al geoordeeld. Deze uitspraak staat dan ook in rechte vast.
De rechtbank stelt verder vast dat verweerder ten aanzien van het tweede element, de lange afwezigheid van eiseres in Eritrea, een inhoudelijke beoordeling heeft gemaakt in het bestreden besluit. Verweerder heeft dit element inhoudelijk beoordeeld en gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij problemen heeft ondervonden door haar lange afwezigheid. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet dat verweerder dit element niet zou hebben doorgetoetst. Verweerder heeft daarbij ook uitgelegd op welke wijze rekening is gehouden met het referentiekader. Eiseres heeft niet onderbouwd wat er niet klopt aan die motivering. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Komt eiseres een geslaagd beroep toe op het gelijkheidsbeginsel?
8. Ter zitting heeft eiseres een beroep gedaan op een gestelde vergelijkbare
zaak en aangevoerd dat de asielaanvraag van eiseres vanwege de gelijkenissen ook
ingewilligd had moeten worden.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het hier niet om vergelijkbare zaken gaat, omdat er meerdere rechtens relevante verschillen tussen de twee zaken zijn.
De rechtbank volgt verweerder hierin. Beide zaken betreffen weliswaar wat oudere Eritrese vrouwen die al enkele jaren uit Eritrea weg zijn, maar de geloofwaardig geachte problemen in Eritrea zijn van een andere aard en ernst. Met name de duur van de doorgebrachte detentie in de andere zaak en de gevolgen daarvan voor de vreemdeling, alsook de problemen die de ouders van die vreemdeling hebben ondervonden door haar vertrek, acht de rechtbank belangrijke elementen die verschillen. Alleen hierom al slaagt deze beroepsgrond niet.
Loopt eiseres een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea?
9. Eiseres voert aan dat zij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Eritrea. Er zijn volgens haar diverse factoren die maken dat zij niet kan terugkeren. Eiseres is familielid van deserteurs en kinderen die illegaal zijn uitgereisd. Zij is daarnaast meer dan zeven jaar ongeoorloofd in het buitenland geweest, heeft geen diasporabelasting betaald en ook geen ‘regret form’ ondertekend, waartoe zij ook niet bereid is. Daarbij is eiseres een oudere, alleenstaande vrouw en beschikt zij niet meer over een geldig identiteitsbewijs, waardoor zij ook risico loopt bij terugkeer. Ten onrechte heeft verweerder niet al die factoren meegewogen in het bestreden besluit en ook niet in samenhang beoordeeld. Eiseres heeft in dit verband onder andere verwezen naar diverse ambtsberichten die over Eritrea zijn uitgebracht en enkele recente uitspraken van deze rechtbank.
Verweerder heeft ter zitting erkend dat er een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit nu niet alle bovengenoemde factoren zijn benoemd in het bestreden besluit. Verweerder stelt echter dat hier in het verweerschrift wel voldoende op is ingegaan en dat het gebrek om die reden kan worden gepasseerd.
De rechtbank overweegt het volgende. Uit het meest recente Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2023 blijkt dat het over het algemeen moeilijk is te achterhalen wat de risico’s waren voor personen die terugkeerden, omdat de geïnterviewde bronnen niet op de hoogte waren van veel gevallen van personen die waren teruggekeerd. Toch bevestigden bronnen dat Eritrea geen instituties of mechanismes kende die bescherming konden bieden aan personen die terugkeerden. Hierdoor waren terugkeerders, zelfs aanhangers van het regime, onderworpen aan willekeur en inconsistente behandelingen, net als alle andere Eritrese burgers. Uit het ambtsbericht blijkt dat gewoonlijk alle terugkerende Eritreeërs bij aankomst op de internationale luchthaven worden gecontroleerd over welke Eritrese en buitenlandse identiteitsdocumenten ze beschikten, of ze de diasporabelasting hadden betaald en – indien van toepassing – of ze het ‘regret form’ hadden ondertekend. De procedures op de luchthaven waren echter inconsistent. Als de autoriteiten iemand wantrouwden, konden ze diegene ondervragen. Redenen daarvoor konden zijn: onvolledige documenten of het niet betaald hebben van de diasporabelasting. Wie gedwongen terugkeerde naar Eritrea riskeerde mensenrechtenschendingen, zoals arbitraire detentie, mishandeling, inhumane behandeling en plaatsing in de nationale dienstplicht. Ook vrijwillige terugkeer kon niet altijd als vrijwillig worden beschouwd. Als men geen diasporastatus had, werd men bij terugkeer hetzelfde behandeld als mensen die gedwongen terugkeerden en konden zij ook worden blootgesteld aan mensenrechtenschendingen. Ook blijkt uit de landeninformatie dat illegale uitreis door Eritrea wordt beschouwd als een misdaad en die personen worden beschouwd als niet-loyaal. Ook zij riskeren detentie en mishandelingen.
De rechtbank stelt vast dat niet alle verschillende risicofactoren en de landeninformatie die eiseres heeft aangevoerd, kenbaar zijn betrokken bij het bestreden besluit. Door verweerder is niet betrokken dat eiseres een alleenstaande oudere vrouw is, die al voor een zeer lange periode (al dan niet legaal) in het buitenland verblijft. Eiseres heeft van meet af aan verklaard dat zij geen diasporabelasting heeft betaald en niet bereid is een ‘regret form’ te ondertekenen. In het bestreden besluit is niet aan eiseres tegengeworpen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen diasporabelasting heeft betaald en dit punt is ook verder niet betrokken in de beoordeling. Ook is in het bestreden besluit niet kenbaar betrokken dat eiseres niet meer beschikt over een paspoort. Drie van haar kinderen – die illegaal zijn uitgereisd – verblijven inmiddels in Nederland en zijn ook genaturaliseerd. Uit het bestreden besluit volgt niet dat alle genoemde factoren in onderlinge samenhang zijn betrokken bij de beoordeling of eiseres een reëel risico loopt bij terugkeer. Dit is een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek.
De stelling van verweerder dat de gebreken in de besluitvorming met het verweerschrift zijn hersteld, volgt de rechtbank niet. Ook in het verweerschrift zijn niet alle factoren kenbaar betrokken, laat staan dat deze in onderlinge samenhang zijn bezien. Waar in het verweerschrift een aanvulling is gegeven, dat het niet meer beschikken over een paspoort volgens de rechtspraak van de Afdeling geen probleem zou zijn bij terugkeer, merkt de rechtbank op dat die uitspraak uitging van (inmiddels) verouderde landeninformatie en dat hierbij niet is betrokken dat eiseres geen diasporabelasting heeft betaald en geen ‘regret form’ heeft ondertekend. Uit de recentere landeninformatie blijkt namelijk dat er enkel een nieuw paspoort kan worden aangevraagd indien er een ‘regret form’ wordt getekend en er een bewijs van betaling van de diasporabelasting moet worden aangeleverd. Ook blijkt dat een reden voor ondervraging het ontbreken van identiteitsdocumenten kan zijn. Daar komt nog eens bij dat weliswaar uit de toelichting op het ambtsbericht blijkt dat er geen termijn was verbonden aan het uitreisvisum waarbinnen de houder moest terugkeren naar Eritrea, maar daarmee is niet gezegd dat terugkeer van eiseres naar Eritrea, na een járenlang verblijf in het buitenland, niet als een bijzondere omstandigheid moet worden gezien op basis waarvan zij – al dan niet in samenhang met de andere door eiseres genoemde risicofactoren – wantrouwen wekt bij de autoriteiten aldaar. Verweerder kan dus niet zonder meer van die uitspraak van de Afdeling uitgaan en de aanvullingen in het verweerschrift en ter zitting volstaan niet.
Eiseres heeft gemotiveerd aangevoerd dat zij bij terugkeer naar Eritrea problemen verwacht. Zij heeft door het aanvoeren van alle informatie een begin van bewijs geleverd dat zij een reëel risico loopt dat zij bij terugkeer wordt blootgesteld aan ernstige schade. Het is dan ook aan verweerder om gelet op de samenwerkingsplicht alle twijfels hierover weg te nemen. Verweerder is hier in het bestreden besluit, het verweerschrift en ter zitting onvoldoende in geslaagd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich zonder nader onderzoek, niet op het standpunt kan stellen dat eiseres geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea.
De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep reeds hierom slaagt. Verweerder moet het risico van eiseres bij terugkeer naar Eritrea onderzoeken en daarbij de relevante en actuele situatie betrekken. Hiertoe moeten alle aangevoerde risicofactoren onderling en in samenhang worden bezien. Omdat het beroep reeds hierom slaagt, behoeven de overige gronden geen bespreking meer.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
10. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat eiseres geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangevoerd ten grondslag aan haar herhaalde aanvraag en om die reden de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft echter zijn standpunt dat eiseres bij terugkeer naar Eritrea geen reëel risico loopt op ernstige schade onvoldoende gemotiveerd en onderzocht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het gaat over die beoordeling.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
12. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen.
13. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.174,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de schriftelijke inlichting na de zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.22594:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 12 mei 2025 voor zover daarin is beslist over het reëel risico op ernstige schade bij terugkeer van eiseres naar Eritrea;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.22595:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in alle zaken:
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.174,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.