RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.51938 en NL25.52593
[V-Nummer]
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
NL25.51938
1. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
2. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
NL25.52593
3. De rechtbank stelt vast dat eiser beroep heeft ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel op 23 oktober 2025. Nadien heeft verweerder een kennisgeving uitgebracht op 28 oktober 2025. Nu eiser zelf beroep heeft ingesteld, heeft verweerder onverplicht de kennisgeving doen uitgaan. In artikel 94, eerste lid, van de Vw is verder bepaald dat zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit ook dat het niet binnen de mogelijkheid van verweerder ligt om een door middel van een kennisgeving ingesteld beroep in te trekken. Nu eiser zelf beroep heeft ingesteld, is het beroep in de zaak NL25.52593, rondom de kennisgeving, niet-ontvankelijk.
4. Eiser voert ter zitting aan dat zijn detentie te lang heeft voortgeduurd. Verweerder heeft vijf dagen nadat de datum voor het asielberoep bekend was, een verzoek ingediend om het beroep te vervroegen. Volgens eiser had dit eerder gemoeten, namelijk op
24 oktober 2025. Subsidiair verwijst eiser naar een uitspraak van 28 oktober 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats, waarin is bepaald dat het niet onredelijk is om verweerder twee dagen te gunnen om zich over de gevolgen te beraden, als bekend wordt dat de detentie onnodig lang zou voortduren.
5. In de uitspraak van 1 juli 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) artikel 9, eerst lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. In dit geval heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend op 1 oktober 2025, op welke dag ook de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd. Op 16 oktober 2025 heeft verweerder een besluit op de asielaanvraag genomen. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het asielbesluit en verzocht om een voorlopige voorziening. Op 24 oktober 2025 is de uitnodiging verstuurd van het asielberoep en de voorlopige voorziening, waarbij de zaak op 23 februari 2026 op zitting is gepland bij deze rechtbank en zittingsplaats. Verweerder heeft vervolgens op
29 oktober 2025 een verzoek ingediend om de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening te vervroegen naar uiterlijk 30 december 2025. Diezelfde dag is dit verzoek afgewezen, waarna verweerder de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 29 oktober 2025 heeft opgeheven.
6. In de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025 is verder bepaald dat de onrechtmatigheid van de grensdetentie niet intreedt op het tijdstip dat verweerder bekend wordt met de datum van de asielzitting. Verweerder kan namelijk verzoeken om de zaak eerder op een zitting te behandelen. Het is vervolgens aan de rechtbank om de eventuele onrechtmatigheid van de grensdetentie en de ingangsdatum van de onrechtmatigheid vast te stellen. De rechtbank maakt hieruit op dat verweerder enige tijd moet worden gegund om na te gaan wat een ingepland asielberoep betekent voor de bewaring als ook dat verweerder binnen die periode het recht heeft om de rechtbank te vragen de asielzaak op een eerdere zitting te behandelen.
7. Detentie dient zo kort als mogelijk te duren. Indien er sterke aanwijzingen zijn dat de detentie niet langer kan voldoen aan het vereiste van artikel 9 van de Opvangrichtlijn, dan zal verweerder dus ook snel dienen te handelen. Tegelijkertijd dient deze termijn voor verweerder voldoende werkbaar te zijn.
8. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in deze zaak een periode van vijf dagen nodig was. Verweerder heeft desgevraagd de context uitgelegd waarin een uitnodiging voor een zitting bij verweerder binnenkomt. Deze uitnodiging wordt na binnenkomst op naam gezet van de procesvertegenwoordiger dan wel van de voorbereider van de zaak. Dit kan zowel de procesvertegenwoordiger of de voorbereider van de bewaringszaak, als van de asielzaak zijn. Op het moment dat de procesvertegenwoordiger of voorbereider naar de zaak kijkt, vraagt diegene om de zitting van het asielberoep te vervroegen. Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen aangeven wanneer de procesvertegenwoordiger of voorbereider naar de zaak kijkt, of geacht wordt naar de zaak te kijken. De rechtbank leidt hieruit af dat het vooral van toeval afhangt wanneer verweerder opmerkt dat de grensdetentie langer zal duren dan feitelijk is toegestaan op grond van artikel 9 van de Opvangrichtlijn. Dat een gemachtigde van de vreemdeling zelf ook aan de bel kan trekken bij verweerder maakt dit niet anders nu het verweerder is die heeft besloten om de vreemdeling vast te zetten en het dan ook zijn verantwoordelijkheid is om de termijnen in de gaten te houden.
9. De rechtbank ziet aanleiding om de termijn als bedoeld onder r.o. 7 te stellen op maximaal twee werkdagen. In twee werkdagen moet het verweerder kunnen lukken om na te gaan welke gevolgen zij verbindt aan de geplande zittingsdatum, of zij bij de rechtbank een eerdere zittingsdatum zal verzoeken en, als ja, dit verzoek vervolgens ook daadwerkelijk in te dienen. Indien verweerder dit niet binnen twee werkdagen heeft gedaan dan is de verdere voortduring van de grensdetentie onrechtmatig te achten, gelet op het feit dat de detentie alsdan voorzienbaar niet langer voldoet aan het vereiste van artikel 9, eerste lid van de Opvangrichtlijn.
10. Anders dan eiser heeft betoogd ziet de rechtbank dus geen aanleiding om de termijn te beperken tot twee dagen, inclusief de dagen in het weekend. Eisers verwijzing naar ‘vaste jurisprudentie’ kan hem hierbij niet baten. In de onderhavige situatie ligt de eventuele onrechtmatigheid immers in de toekomst. Overigens werkt de rechtbank niet in het weekend. Een op zaterdag of zondag ingediend verzoek tot vervroeging van de zittingsdatum kan door de rechtbank eerst op maandag worden beantwoord.
11. In het geval van eiser betekent het voorgaande dat verweerder uiterlijk op
27 oktober 2025 een verzoek om vervroeging moest hebben verstuurd. Nu verweerder dit pas op 29 oktober 2025 heeft gedaan, heeft de detentie twee dagen te lang geduurd en is het beroep gegrond. De maatregel was met ingang van 28 oktober 2025 onrechtmatig.
12. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 2 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) bewaring van 2 x € 100,- (verblijf detentiecentrum) = € 200,-.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 200,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.