RECHTBANK DEN HAAG
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.15027
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
en haar minderjarige kind, [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021, V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar), en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Bij het besluit van 26 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van het beroep NL25.15026, op 2 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster, T. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft vervolgens het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aangehouden in afwachting van de uitkomst van een procedure op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot een niet-gepubliceerde schriftelijke toelichting op het ambtsbericht van Eritrea van december 2023. De minister heeft hierom bij het briefverweer van 28 mei 2025 verzocht. Op 2 juli 2025 heeft de minister dit verzoek echter ingetrokken, omdat de betreffende toelichting inmiddels openbaar was geworden. Partijen hebben vervolgens te kennen gegeven in te stemmen met het achterwege laten van een nadere zitting.
Overwegingen
Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.15026, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van €907,00 en een wegingsfactor 1). Gezien de gelijktijdige behandeling ter zitting, worden de kosten voor het verschijnen ter zitting al vergoed in de beroepsprocedure.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 november 2025