RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van
[naam], opposant,
de minister van Asiel en Migratie, geopposeerde.
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38409 V
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
tegen de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2025 in het beroep van opposant tegen
Procesverloop
1. Opposant heeft op 15 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 23 oktober 2023.
Bij uitspraak van 30 oktober 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant heeft tegen deze uitspraak op 5 november 2025 verzet ingesteld.
Overwegingen
2. Omdat het verzet gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 30 oktober 2025 het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van opposant kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank was van oordeel dat het beroep te vroeg was ingediend, omdat de termijn van twee weken na de ingebrekestelling nog niet was verstreken. Dit betekende, dat sprake was van een prematuur ingediend beroep. Het beroep voldeed daarom niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen.
4. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de buiten-zittingsuitspraak terecht is geoordeeld, dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk was. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
5. Opposant is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep niet-ontvankelijk is. Volgens opposant is de ingebrekestelling op 31 juli 2025 door geopposeerde ontvangen. Dit betekent volgens opposant dat het beroep van 15 augustus 2025 niet prematuur is ingediend.
Geopposeerde heeft in de ontvangstbevestiging van 3 augustus 2025 aangegeven dat de ingebrekestelling op 2 augustus 2025 is ontvangen.
6. De rechtbank overweegt dat het beroep ten onrechte buiten zitting is afgedaan omdat niet buiten redelijke twijfel zou zijn dat het beroep niet-ontvankelijk is. Op een zitting had kunnen worden besproken hoe het verschil moet worden geduid tussen de door opposante en geopposeerde genoemde data van ontvangst. Bovendien blijkt uit het dossier dat opposante bij het indienen van het beroep een processtuk heeft bijgesloten waaruit niet alleen de datum van de ingebrekestelling blijkt maar ook de datum waarop deze via elektronische weg werd ingezonden (en aldus door geopposeerde werd ontvangen), te weten 31 juli 2025. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend.
7. De rechtbank is daarmee van oordeel dat het beroep niet tijdig beslissen niet ingevolge artikel 8:54 van de Awb kennelijk kon worden afgedaan.
8. Het verzet is kennelijk gegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand, waarin dat zich bevond voordat die buiten-zittinguitspraak werd gedaan. De rechtbank doet daarom op grond van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
9. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.Opposant heeft geopposeerde, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft geopposeerde niet gedaan en opposant heeft vervolgens beroep ingesteld.
10. Het beroep is daarom gegrond.
11. Geopposeerde moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.
12. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat geopposeerde binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
13. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.
14. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat geopposeerde een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden. Hierbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat opposant gelijk krijgt en geopposeerde acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet geopposeerde dat niet, dan is hij aan opposant een dwangsom verschuldigd.
16. Geopposeerde moet de door opposant gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 907,-.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Sijens, rechter, in aanwezigheid van K.D.M. Nijholt, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.