Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/692853/ KG ZA 25-1002
Vonnis in kort geding van 14 november 2025
in de zaak van
BERF 14 GmbH & Co. KG te Berlijn (Duitsland),
eiseres,
advocaat mr. T. Delmée te Den Bosch,
tegen:
[gedaagde] te den Haag,
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Catella’ en ‘ [gedaagde] ’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 10;
- de akte overleggen producties van Catella met producties 11 tot en met 13;
- de op 12 november 2025 gehouden mondelinge behandeling.
Op de mondelinge behandeling is alleen Catella met haar advocaat verschenen. [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen en heeft ook geen schriftelijk verweer gevoerd.
De datum voor vonnis is nader bepaald op vandaag.
2. De beoordeling
[gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen en de voorzieningenrechter moet beoordelen of tegen [gedaagde] verstek kan worden verleend. In dat kader heeft de voorzieningenrechter geconstateerd dat de dagvaarding in een gesloten envelop is gelaten aan het adres [adres 1] . Dit is het adres dat volgt uit het uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP). De dagvaarding is niet betekend aan het adres van de door Catella aan [gedaagde] verhuurde woning, zijnde [adres 2] , waarvan Catella in dit kort geding ontruiming vordert. Ter zitting heeft Catella toegelicht dat de deurwaarder in de praktijk een dagvaarding betekent aan het BRP-adres en dat ook in dit geval gedaan heeft, ondanks het feit dat Catella weet dat [gedaagde] zeer waarschijnlijk feitelijk in de gehuurde woning woont. Dat de deurwaarder en (de advocaat van) Catella overleg hebben gehad over het adres waaraan de betekening moest plaatsvinden, blijkt overigens uit de e-mail van de deurwaarder van 16 oktober 2025 (productie 13), waarin deze aan (de advocaat van) Catella schrijft: “Gedaagde staat sinds juni 2021 ingeschreven op adres [adres 1] (op het gehuurde adres is hij nooit ingeschreven geweest) Gaat u akkoord met betekening aan het adres [adres 1] ?”
Ingevolge artikel 46 en 47 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient betekening van de dagvaarding – kort gezegd – indien mogelijk plaats te vinden in persoon aan de woonplaats van de beoogde ontvanger. Voor het begrip woonplaats wordt aansluiting gezocht bij artikel 1:10 Burgerlijk Wetboek (BW) dat bepaalt dat de woonplaats van een natuurlijk persoon zich bevindt daar waar diegene werkelijk woont of (bij gebreke van “woonstede”) verblijft.
Voor het antwoord op de vraag of iemand op een bepaalde plaats woonplaats of woonstede heeft, zijn de feitelijke omstandigheden van belang. Gelet op artikel 1:10 en 1:11 BW is het BRP-adres niet doorslaggevend voor de bepaling van de woonplaats van een persoon, maar kan dit wel een belangrijke aanwijzing vormen. De deurwaarder mag in beginsel afgaan op de gegevens uit de BRP, maar als de feitelijke situatie aanleiding geeft om te twijfelen of die gegevens in overeenstemming zijn met de werkelijke woonplaats van de gedaagde, dan moet de deurwaarder nader onderzoek doen. Als blijkt dat gedaagde niet daadwerkelijk woont op het BRP-adres, dan moet aan de gegevens uit de BRP voorbij worden gegaan en moet de dagvaarding aan het werkelijk verblijfadres of openbaar worden betekend. De gedachte hierachter is dat zoveel als mogelijk gewaarborgd moet worden dat de dagvaarding de gedaagde ook daadwerkelijk bereikt.
In dit geval acht de voorzieningenrechter het zeer aannemelijk dat [gedaagde] in de gehuurde woning woont. Dit blijkt uit de overgelegde stukken (waaronder het verzoek van [gedaagde] om langer in de huurwoning te mogen blijven wonen omdat hij geen alternatieve woonruimte kan vinden). Dit blijkt ook uit het feit dat Catella ontruiming van die woning door [gedaagde] vordert. Zij zou immers geen ontruiming van de woning vorderen, als zij er zelf van uit zou gaan dat [gedaagde] feitelijk niet (meer) in de gehuurde woning zou wonen. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de dagvaarding óók aan het adres van de gehuurde woning betekend had moeten worden.
De conclusie is dat Catella onterecht de dagvaarding uitsluitend aan het BRP-adres heeft laten betekenen. Daarmee is sprake van een gebrek dat met nietigheid is bedreigd. Op grond van artikel 121 lid 1 Rv kan daarom tegen [gedaagde] geen verstek worden verleend. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet aannemelijk is dat het exploot van de dagvaarding [gedaagde] als gevolg van het gebrek niet alsnog heeft bereikt, omdat [gedaagde] , hoewel hij daar kennelijk niet feitelijk woont, wel op het BRP-adres staat ingeschreven en omdat Catella ter zitting heeft toegelicht dat de dagvaarding ook per e-mail aan [gedaagde] is verstrekt en uit de overgelegde correspondentie blijkt dat Catella [gedaagde] op de hoogte heeft gebracht van het door haar aangevraagde kort geding en het dagbepalingsbericht heeft meegestuurd. De voorzieningenrechter zal dus niet de nietigheid van de dagvaarding uitspreken, maar op grond van artikel 121 lid 2 Rv een nieuwe roldatum bepalen met het bevel aan Catella deze roldatum bij exploot, aan zowel het BRP-adres als aan het adres van de gehuurde woning, aan [gedaagde] aan te zeggen met herstel van het gebrek op kosten van Catella.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter:
bepaalt als nieuwe roldatum waartegen Catella [gedaagde] moet oproepen om te verschijnen 26 november 2025 om 10.00 uur, met dien verstande dat indien Catella op die datum wegens dringende redenen verhinderd is Catella in de gelegenheid zal worden gesteld [gedaagde] op te roepen om tegen een in overleg tussen de griffie en Catella te bepalen (latere) roldatum;
beveelt Catella om op eigen kosten bij exploot deze roldatum tijdig aan [gedaagde] aan te zeggen met herstel van het genoemde gebrek;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2025.
lp