RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Samnvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.32477
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het buiten behandeling stellen van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 8 juli 2025 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1977. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure buiten behandeling gesteld, omdat het M35-O-formulier, waarmee de opvolgende aanvraag is ingediend, niet volledig en duidelijk is ingevuld.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Bespreking van de beroepsgrond
3. Eiser heeft aangevoerd dat het voornemen niet aan de gemachtigde van eiser bekend is gemaakt. De melding dat het voornemen klaarstond in het Advocatenportaal dateert van 17 juli 2025, terwijl de melding dat het besluit klaarstond van 16 juli 2025 dateert. Gezien het voorgaande is de bestreden beschikking onzorgvuldig tot stand gekomen en ontbeert deze een deugdelijke motivering.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond slaagt. Uit de door de gemachtigde overgelegde screenshots van het Advocatenportaal volgt dat het bericht dat het voornemen klaarstond, van een dag later dateert dan van de melding over het besluit. Nu het besluit eerder bekend is gemaakt dan het voornemen had de gemachtigde van eiser geen mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. De motivering in het besluit dat er geen zienswijze is ingediend, is daarom ondeugdelijk. Het besluit is hierom onzorgvuldig voorbereid.
Conclusie en gevolgen
4. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte buiten behandeling gesteld. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus).
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 16 juli 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.