ECLI:NL:RBDHA:2025:22955

ECLI:NL:RBDHA:2025:22955, Rechtbank Den Haag, 11-11-2025, NL24.32749

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-11-2025
Datum publicatie 05-12-2025
Zaaknummer NL24.32749
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

visum kort verblijf; alleenstaande man, geen (onderbouwd) gezin in land van herkomst, geen objectieve bewijsstukken van werkzaamheden als agrariër; de minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt; geen relevante nieuwe stukken in bezwaar, de minister mocht ervan afzien eiser te horen; beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1981, met de Marokkaanse nationaliteit,

de minister van Buitenlandse Zaken,

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL24.32749

V-nummer: [v-nummer]

eiser (gemachtigde: mr. S. Petkovic),

en

(gemachtigde: mr. W.A.M. van Hoof).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een visum voor kort verblijf om zijn neef te bezoeken. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 april 2024 afgewezen.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 april 2024. Op 20 augustus 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen van de minister op zijn bezwaar.

Met het bestreden besluit van 23 augustus 2024 heeft de minister alsnog op het bezwaar van eiser beslist. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft het door eiser ingestelde beroep tegen het niet-tijdig beslissen mede betrekking op het bestreden besluit.

De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de neef van eiser (referent) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar

3. De rechtbank stelt vast dat de minister met het bestreden besluit alsnog heeft beslist op het bezwaar van eiser. Hierdoor heeft eiser geen belang meer bij het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaar. Omdat het procesbelang hiermee is komen te vervallen, wordt het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar is echter wel terecht ingesteld, omdat de minister inderdaad niet tijdig op eisers bezwaar heeft beslist. De minister moet daarom wel de proceskosten van eiser vergoeden, voor zover deze zien op het instellen van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen.

Het beroep tegen het bestreden besluit

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de aanvraag van eiser voor een visum voor kort verblijf afgewezen, omdat er twijfel bestaat over het voornemen van eiser om vóór het verstrijken van de geldigheid van het visum weer terug te keren naar Marokko. De sociale en economische binding van eiser met Marokko is namelijk onvoldoende aangetoond, dan wel gering gebleken. Omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren, wordt er in het verlengde daarvan ook getwijfeld aan de juistheid van het door eiser opgegeven doel en omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf. Omdat eiser in bezwaar geen informatie heeft aangedragen die tot een andere conclusie noopt, is het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De minister heeft eiser daarom ook niet gehoord.

Juridisch kader

Op grond van artikel 32, eerste lid, onder a (onderdeel ii), van de Visumcode, is de minister verplicht een visum te weigeren indien de aanvrager het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond.

In artikel 32, eerste lid, onderdeel b van de Visumcode, staat dat de minister ook verplicht is om een visum te weigeren als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland of een van de andere lidstaten wil vestigen: bij redelijke twijfel hierover moet de minister de visumaanvraag afwijzen. Bij het onderzoek of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten op tijd weer te verlaten, komt de minister een ruime beoordelingsruimte toe. De minister mag bij zijn beoordeling betrekken of de aanvrager van een visum voldoende economische en sociale binding heeft met het land van herkomst om een tijdige terugkeer te waarborgen.

Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt?

5. Eiser voert aan dat hij zijn sociale binding met Marokko wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiser woont samen met zijn moeder, die weduwe is. Daarnaast heeft hij een zeer hechte band met zijn ongehuwde zus. Zij vormen gezamenlijk een gezin. Hij ondersteunt hen beiden financieel. Ook is eiser opgegroeid in Marokko en heeft hij zijn sociale leven daar. Op de zitting heeft de neef van eiser nog aangevuld dat eiser zich recent heeft verloofd en dat hij volgende zomer in het huwelijk zal treden.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser zijn sociale binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser een alleenstaande volwassen man is zonder eigen gezin waar hij verantwoordelijkheid voor draagt en waarnaartoe hij moet terugkeren. Eisers stelling, dat hij een gezin vormt met zijn moeder en zus en dat hij financieel verantwoordelijk voor hen is, heeft hij niet onderbouwd. Dat eiser is opgegroeid in Marokko en een sociaal leven heeft daar, heeft de minister onvoldoende mogen achten om een tijdige terugkeer te waarborgen. Voor wat betreft het gestelde voorgenomen huwelijk van eiser geldt dat dit een recent feit is en dit niet kan bijdragen aan het standpunt van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Mocht de minister zich op het standpunt stellen dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt?

6. Eiser voert aan dat hij zijn economische binding met Marokko wel voldoende aannemelijk heeft gemaakt. In tegenstelling tot wat de minister stelt, beschikt eiser wel over een regelmatig en substantieel inkomen. Eiser is namelijk werkzaam als agrariër. Ter onderbouwing van zijn werkzaamheden heeft hij een attestation over zijn werkstatus en bankafschriften overgelegd. Uit deze twee bewijsstukken samen volgt dat eiser agrarische werkzaamheden verricht en dat hij hiervoor geld op zijn bankrekening ontvangt. Bovendien heeft hij ook foto’s overgelegd van zichzelf, waarop hij op zijn land aan het werk is. Eiser benadrukt in het kader van deze bewijsstukken dat het in Marokko gebruikelijk is dat betalingen contant gedaan worden en dat er geen facturen worden gestuurd. Eiser werkt als zzp’er en is ook niet belastingplichtig. Het is daarom lastig voor hem om met objectieve stukken te bewijzen dat hij inkomen geniet als landbouwer. Met de attestation, de bankafschriften en de foto's heeft eiser in ieder geval een begin van bewijs geleverd. Als deze stukken voor de minister onvoldoende waren, dan lag het op de weg van minister om eiser om aanvullende stukken of een nadere toelichting te vragen.

De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiser zijn economische binding met Marokko onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Bij de beoordeling van de attestation heeft de minister mogen betrekken dat deze is afgegeven op basis van eisers eigen opgave en dat dit dus geen objectief bewijsstuk is voor eisers werkzaamheden als agrariër. Ten aanzien van de bankafschriften heeft de minister mogen stellen dat hier weliswaar geldstortingen op zijn te zien, maar dat niet kan worden opgemaakt waar deze stortingen vandaan komen of dat deze het gevolg zijn van agrarische werkzaamheden. Noch afzonderlijk, noch in samenhang bezien volgt uit deze stukken dat eiser beschikt over een substantieel en regelmatig inkomen als agrariër. Ook de foto’s die eiser van zichzelf heeft overgelegd geven hier geen blijk van.

Ten aanzien van eisers stelling dat hij in bewijsnood verkeert, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft bankafschriften overgelegd waarop volgens hem te zien is dat hij inkomsten geniet als agrariër. De rechtbank volgt daarom niet dat de bewijsnood van eiser eruit zou bestaan dat de meeste betalingen in Marokko contant gedaan worden en dat er niet met facturen wordt gewerkt. Dat eiser niet belastingplichtig is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om bewijsnood ten aanzien van zijn economische activiteit aan te nemen die tot gevolg zou moeten hebben dat er een visum kort verblijf moet worden verstrekt.

De beroepsgrond slaagt niet.

Had de minister eiser moeten horen in bezwaar?

7. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord. Eiser heeft meerdere bewijsstukken ingebracht over zijn agrarische onderneming. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser te horen over welke aanvullende stukken en informatie nog van hem verwacht werden.

Op 6 juli 2022 heeft de Afdeling een (overzichts)uitspraak gedaan over de hoorplicht in asiel- en migratiezaken. Daarin wijst de Afdeling erop dat volgens de wetgever het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de gronden waarop van horen kan worden afgezien terughoudend moeten worden toegepast. De Afdeling overweegt ook dat de plicht om te horen in bezwaar is afhankelijk is van wat een betrokkene in bezwaar heeft aangevoerd. Van horen kan worden afgezien als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Dit is bijvoorbeeld het geval als het bezwaar niet is onderbouwd of alleen een herhaling van zetten bevat.

De rechtbank is van oordeel dat de minister ervan heeft mogen afzien eiser te horen in bezwaar. De stukken die eiser in bezwaar heeft overgelegd had hij ook al bij zijn aanvraag overgelegd. De rechtbank heeft hierboven geoordeeld dat de minister deze stukken onvoldoende heeft mogen vinden om eisers sociale en economische binding aannemelijk te maken. In bezwaar heeft eiser foto’s van zichzelf overgelegd. Zoals de rechtbank hierboven heeft geoordeeld, heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen eiser ook met deze foto’s zijn economische en sociale binding niet aannemelijk heeft gemaakt. De foto’s vormden daarmee geen nadere onderbouwing van eiser standpunt in bezwaar. De minister hoefde daarom in wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd geen aanleiding te zien om hem te horen.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, is niet-ontvankelijk, omdat het procesbelang is komen te vervallen. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf in stand blijft.

9. Eiser krijgt een vergoeding van de proceskosten die hij heeft gemaakt voor het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar door de minister, omdat hij dit beroep terecht heeft ingediend. De rechtbank stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A. Hollander, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N. Boonstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?