[naam] , verzoeker,
geboren op [geboortedatum] ,
van Afghaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. Bij besluit van 28 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt overgedragen voordat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
3. De asielaanvraag van verzoeker is niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat een andere lidstaat daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening. Verzoeker heeft in de aanvullende gronden meegedeeld dat hij op 9 december 2025 feitelijk zal worden overgedragen aan Duitsland, terwijl de behandeling van het beroep staat gepland op 12 december 2025. Hij heeft aan de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening met voorrang te behandelen. De minister heeft deze geplande overdracht desgevraagd telefonisch bevestigd.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verzoeker om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten groter is dan het belang van de minister om verzoeker op korte termijn te kunnen overdragen aan Duitsland. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Duitsland voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. De voorzieningenrechter weegt hierbij mee dat het beroep op korte termijn op zitting zal worden behandeld. De behandeling van het beroep staat namelijk gepland op 12 december 2025.
5. De voorzieningenrechter ziet in de toewijzing van het verzoek aanleiding om de minister te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op
€ 907,- bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.