RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/2424
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
(gemachtigde: mr. W. van Hoof).
Procesverloop
Bij besluit van 6 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod uitgevaardigd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit en inreisverbod niet overeenkomstig artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn uitgereikt. Deze beroepsgrond slaagt niet, nu het door eiser genoemde artikel uitsluitend ziet op de uitreiking van een maatregel van bewaring. Er is geen wettelijke grondslag waarin staat dat verweerder een terugkeerbesluit en inreisverbod schriftelijk moet uitreiken in een taal die de vreemdeling verstaat. Voor zover eiser stelt dat hij de inhoud van het bestreden besluit niet heeft begrepen, stelt de rechtbank vast dat in het bestreden besluit is aangekruist dat aan eiser een folder inreisverbod in de Arabische taal is uitgereikt en dat de betekenis en gevolgen van het terugkeerbesluit en inreisverbod mondeling in de Algerijns-Arabische taal met behulp van een tolk is toegelicht aan eiser. Dit wordt bevestigd in het proces-verbaal van gehoor, voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod. Eiser wordt eveneens niet gevolgd in zijn beroepsgrond dat het onduidelijk is binnen welke termijn het beroep moet worden ingediend. In het bestreden besluit - en in de wet - staat namelijk een termijn van vier weken. Bovendien geldt voor al het bovenstaande dat eiser met behulp van zijn professionele gemachtigde kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het bestreden besluit en tijdig beroep heeft kunnen instellen.
2. Het is niet in geschil dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Verweerder was dan ook op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gehouden een terugkeerbesluit tegen eiser uit te vaardigen.
3. Verder heeft verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw een vertrektermijn kunnen onthouden, omdat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Bij uitspraak van 10 februari 2025 is door deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn. Hieruit volgt een risico op onttrekking aan het toezicht. Wat eiser in dit beroep aanvoert over zware grond 3c kan niet leiden tot een ander oordeel over het onttrekkingsrisico. De door eiser aangevoerde medische omstandigheden geven eveneens geen aanleiding tot een ander oordeel over het onthouden van een vertrektermijn.
4. Aangezien verweerder een vertrektermijn heeft kunnen onthouden, heeft hij op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw terecht een inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd. In de door eiser aangevoerde omstandigheden heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw, van het uitvaardigen van het inreisverbod af te zien of de duur te verkorten. In zijn verweerschrift merkt verweerder terecht op dat eiser voorafgaand aan het opleggen van het inreisverbod heeft verklaard dat er geen medische omstandigheden zijn die bij het nemen van het besluit moeten worden meegewogen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.