ECLI:NL:RBDHA:2025:22983

ECLI:NL:RBDHA:2025:22983, Rechtbank Den Haag, 03-09-2025, C/09/668042 / HA ZA 24-511

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-09-2025
Datum publicatie 05-12-2025
Zaaknummer C/09/668042 / HA ZA 24-511
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Vonnis over het gebruik van een strook grond van het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard door een particulier in Rotterdam. Het hoogheemraadschap is eigenaar van een perceel grond dat onder meer een sloot omvat. Aan één kant van de sloot bevinden zich woningen met tuinen. In 2021 heeft het hoogheemraadschap onderzoek gedaan en nametingen verricht en daaruit is gebleken dat verschillende bewoners van de betreffende woningen gebruik maken van een stukje grond van het hoogheemraadschap aan de slootkant. In deze procedure is tussen het hoogheemraadschap en bewoner in geschil of de bewoner door verjaring eigenaar is geworden van het strookje grond aan de slootkant dat hij gebruikt. De rechtbank acht het ontbreken van een (hoog) hekwerk aan de slootkant niet doorslaggeven voor de vraag of de bewoner (of zijn rechtsvoorganger) de strook grond in bezit genomen heeft en sprake is van bezitsverlies aan de kant van het hoogheemraadschap. Uit het inrichten van de strook grond als tuin en het aanbrengen van (niet duidelijk zichtbare) walbeschoeiing kan echter geen ondubbelzinnig bezit worden afgeleid. Het beroep op verjaring slaagt daarom niet.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/668042 / HA ZA 24-511

Vonnis van 3 september 2025

in de zaak van

HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND EN KRIMPENERWAARD te Rotterdam,

eiser in conventie, verweerder in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: HHSK,

advocaat: mr. G.J.M. de Jager,

tegen

[gedaagde] te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

advocaat: mr. M.J. Goedhart.

1. De procedure na het tussenvonnis

Bij tussenvonnis van 26 maart 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank HHSK toegelaten tot het bewijs van de stelling dat [gedaagde] grond van HHSK in gebruik heeft door middel van het verrichten van een inmeting en grensconstructie door het Kadaster. Iedere verdere beslissing is in afwachting van de bewijslevering aangehouden.

Vervolgens heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:

de akte overleggen bewijs tevens houdende akte wijziging eis van HHSK, met producties 17 en 18;

de antwoordakte, tevens akte houdende wijziging van eis in reconventie, van [gedaagde] ; en

de antwoordakte wijziging eis in reconventie van HHSK.

2. De nadere feiten

Naar aanleiding van het tussenvonnis heeft HHSK het Kadaster opdracht gegeven om een grensreconstructie te verrichten. De grensreconstructie heeft op 15 mei 2025 plaatsgevonden.

Aan de hand van grensreconstructie en de daarbij gedeelde coördinaten van de erfgrens heeft HHSK de strook grond die deel uitmaakt van haar perceel en die [gedaagde] in gebruik heeft (hierna: het perceelsgedeelte) opnieuw laten berekenen door zijn landmeetkundige. De landmeetkundige heeft de oppervlakte van het perceelsgedeelte berekend op afgerond 13 m2 , in plaats van 22 m2 zoals uit een eerdere meting van een landmeetkundige van HHSK volgde. De landmeetkundige van HHSK heeft naar aanleiding van de grensreconstructie van het Kadaster het volgende kaartje opgesteld waarop het perceelsgedeelte is ingetekend:

3. Het geschil na eiswijzigingen

HHSK vordert na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. [gedaagde] te veroordelen om het perceelsgedeelte (zoals hierboven weergegeven onder 2.2.), binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en het met al de zijnen en het zijne te verlaten en verlaten te houden;

subsidiair en meer subsidiair:

II. te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door het perceelsgedeelte in gebruik te nemen en te houden; en

i. [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van de door HHSK geleden schade in natura in de vorm van levering van het perceelsgedeelte aan HHSK binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis, met bepaling dat

a. het vonnis in de plaats zal treden van de notariële akte indien de levering niet plaatsvindt binnen de termijn van 30 dagen;

b. de kosten van levering voor rekening van [gedaagde] zijn;

ii. [gedaagde] te veroordelen om het perceelsgedeelte per het moment van teruglevering te ontruimen en ontruimd te houden en het met al de zijnen en het zijne te verlaten en verlaten te houden;

althans

iii. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 2.210;

in alle gevallen:

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding aan HHSK ten bedrage van € 107,90, te vermeerderen met het pro rata gedeelte over een bedrag van € 21,58 dat verschijnt vanaf de datum van dagvaarding tot aan de datum van dit vonnis, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling; en

IV. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de (gewijzigde) vorderingen van HHSK. Tevens vordert [gedaagde] na wijziging van eis op zijn beurt in voorwaardelijke reconventie, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

te verklaren voor recht dat [gedaagde] door verjaring eigenaar is geworden van het perceelsgedeelte (zoals hierboven weergegeven onder 2.2.);

HHSK te veroordelen om binnen vier weken na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan inschrijving van de hiervoor gevorderde verklaring voor recht in de openbare registers, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag dat HHSK niet aan deze veroordeling voldoet; en

HHSK te veroordelen in de proceskosten in conventie en reconventie te vermeerderen met de wettelijke rente.

HHSK voert verweer en concludeert tot afwijzing van de (gewijzigde) vorderingen in reconventie met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten in reconventie.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Wat is de kern van deze zaak?

Uit de grensreconstructie volgt dat [gedaagde] een substantieel kleiner stuk grond van HHSK in gebruik heeft dan HHSK eerder veronderstelde. Omdat het perceelsgedeelte een oppervlakte heeft van meer dan 10 m2 handhaaft HHSK, conform zijn eigen beleid, zijn vordering tot ontruiming van het perceelsgedeelte.

Tussen partijen is niet meer in geschil dat het perceelsgedeelte onderdeel is van het perceel waarvan HHSK eigenaar is. Het geschil tussen partijen draait nu om de vraag of [gedaagde] door verjaring eigenaar van het perceelsgedeelte is geworden, doordat hij de grond meer dan tien dan wel twintig jaar onafgebroken in bezit heeft gehad. De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat [gedaagde] niet door verjaring eigenaar is geworden van het perceelsgedeelte. Zij licht dit als volgt toe.

Beoordelingskader

Een bezitter te goeder trouw verkrijgt een onroerend goed als sprake is van een onafgebroken bezit van meer dan tien jaar (artikel 3:99 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Bezit te goeder trouw is niet vereist bij bevrijdende verjaring. Iemand die een onroerend goed meer dan twintig jaar onafgebroken in bezit heeft, verkrijgt dat goed door bevrijdende verjaring (artikel 3:105 lid 1 BW jo artikel 3:306 BW). De verjaringstermijn begint te lopen op de dag na de dag waarop de inbezitneming heeft plaatsgevonden (artikel 3:101 BW resp. 3:314 lid 2 BW).

De vraag of sprake is van bezit moet worden beoordeeld naar de verkeersopvatting, met inachtneming van artikel 3:109 e.v. BW en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Dit is een objectieve maatstaf en alle relevante omstandigheden van het geval moeten daarbij in aanmerking worden genomen. Het bezit moet openbaar en ondubbelzinnig zijn. Dit betekent dat de bezitter zich op een manier moet gedragen dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn (vgl. Hoge Raad 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309). Bezit wordt onder andere verkregen door feitelijke machtsverschaffing (artikelen 3:112 en 3:113 lid 1 BW). Wanneer het goed in bezit is van een ander, zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen daarvoor onvoldoende (artikel 3:113 lid 2 BW). Er moet sprake zijn van een zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter teniet wordt gedaan (vgl. Hoge Raad 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2743). De drempel voor het aannemen van inbezitneming van een onroerend goed is hoog (vgl. conclusie AG Rank-Berenschot van 30 september 2022, ECLI:NL:PHR:2022:876, ro. 4.25).

Ondubbelzinnig bezit van [gedaagde] ?

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rusten op [gedaagde] , die zich op het rechtsgevolg verjaring beroept, de stelplicht en zo nodig de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat hij bezitter van het perceelsgedeelte is geworden en dit gedurende de verjaringstermijn zo is gebleven. [gedaagde] heeft in dat verband gesteld dat hij op 1 augustus 1989 eigenaar is geworden van de woning aan de [adres] . Ten tijde van de eigendomsoverdracht grensde de achtertuin behorende bij deze woning aan de achtergelegen sloot. Er was geen sprake van een markering, afscheiding of andere aanwijzing in het veld waaruit [gedaagde] moest afleiden dat zijn eigendom niet tot aan de waterkant liep. De tuin eindigde in visueel opzicht bij de waterkant en deze situatie is volgens [gedaagde] tot op heden ongewijzigd. Bij de eigendomsoverdracht zijn aan [gedaagde] geen kadastrale kaarten of veldwerktekeningen ter hand gesteld. Deze zijn evenmin aan de eigendomsakte gehecht. [gedaagde] heeft van zijn rechtsvoorganger wel enkele oude bouwtekeningen ontvangen gedateerd 16 juni 1957 waarop de woning en de garage zijn ingetekend. Op de tekening is zichtbaar dat het perceel grenst aan de zogenoemde ringsloot.

HHSK betwist dat er sprake is van ondubbelzinnig bezit. Hoewel de tuin inclusief het perceelsgedeelte niet vanaf de zijkanten kan worden betreden, heeft HHSK altijd toegang tot het perceelsgedeelte gehad vanaf het water omdat het perceelsgedeelte aan de waterzijde niet volledig is afgeschermd.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

Een belangrijk geschilpunt tussen partijen betreft de omstandigheid dat het perceelsgedeelte aan de slootzijde niet is afgesloten en nooit afgesloten geweest is met een (hoog) hekwerk. Het hek van schapengaas dat enige tijd direct langs de waterkant heeft gestaan / staat kan niet als een erfafscheiding worden aangemerkt en van dit schapenhek kan naar de verkeersopvatting geen inbezitneming worden afgeleid. Het hek is niet op duurzame wijze met de grond verenigd, is eenvoudig te verwijderen en is bovendien niet aangelegd om het eigendom van [gedaagde] af te bakenen, maar om te voorkomen dat aanwezige (klein)kinderen in het water terechtkomen. HHSK heeft dan ook steeds een mogelijkheid gehad om toegang te krijgen tot het perceelsgedeelte vanaf de sloot. Wel acht de rechtbank het in dit verband relevant dat de sloot, die niet is aangesloten op ander (openbaar) (vaar)water, een natuurlijke afscheiding van het perceelsgedeelte vormt. De sloot belemmert derden de toegang tot het perceelsgedeelte. Ook HHSK kan zich uitsluitend toegang verschaffen tot het perceelsgedeelte via een schip of ponton dat aan de overzijde van de sloot te water gelaten wordt. Toegang tot het perceelsgedeelte vanaf perceel 1589 ter hoogte van de percelen die naast het perceel gelegen zijn, is niet mogelijk. De rechtbank acht het ontbreken van een (hoog) hek onder deze omstandigheden niet doorslaggevend voor de vraag of [gedaagde] het perceelsgedeelte in bezit genomen heeft en sprake is van bezitsverlies aan de zijde van HHSK. Bezitsverlies vereist namelijk niet dat de oorspronkelijk eigenaar/bezitter feitelijk geen enkele macht meer kan uitoefenen of dat een stuk grond geheel is afgesloten. Het is voldoende dat de machtsuitoefening van de nieuwe bezitter zodanig is dat deze het bezit van de oorspronkelijke bezitter naar verkeersopvatting teniet doet. Die machtsuitoefening kan ook uit andere bezitsdaden blijken. Of daarvan sprake is, zal de rechtbank hierna beoordelen.

[gedaagde] heeft zich beroepen op een aantal bezitsdaden: (i) [gedaagde] heeft in 1990 zelf en op eigen kosten over de volle breedte van het perceelsgedeelte aan de slootkant een walbeschoeiing aanbracht; (ii) [gedaagde] heeft het perceelsgedeelte samen met de rest van de tuin opgehoogd vanwege voortdurende verzakkingen; en (iii) er is beplanting op het perceelsgedeelte aangebracht, waaronder meerdere wilgen.

De rechtbank zal deze bezitsdaden hierna beoordelen.

Uit hetgeen [gedaagde] naar voren heeft gebracht, volgt dat het perceelsgedeelte is ingericht als tuin en dat er onder meer een laag hekwerk en beplanting is aangebracht. Visueel gezien maakt het perceelsgedeelte deel uit van de tuin van het perceel. Maar, zoals HHSK terecht heeft aangevoerd, kan aan het inrichten van het perceelsgedeelte als tuin, waaronder het aanbrengen van de beplanting, geen ondubbelzinnig bezit worden afgeleid. Dit feitelijk gebruik kan hooguit ondersteunend zijn aan andere bezitsdaden.

Ten aanzien van de walbeschoeiing en het ophogen van het perceelsgedeelte overweegt de rechtbank het volgende. Onweersproken is dat [gedaagde] rond 1990 op eigen kosten een walbeschoeiing heeft aangelegd omdat de grond langs de oever telkens verzakte en afkalfde. Hij stelt dat hij HHSK had benaderd om voor een goede walbeschoeiing te zorgen als hij had geweten dat het perceelsgedeelte niet tot zijn eigendom behoorde. De walbeschoeiing bestaat uit schotten en vier metalen buizen waarachter de ontstane ruimte is volgestort met klei. Naar de verkeersopvatting beoordeeld hoeft het plaatsen van een walbeschoeiing niet aangemerkt te worden als een ondubbelzinnige bezitsdaad. De walbeschoeiing is immers, zoals [gedaagde] zelf heeft gesteld, aangebracht om afkalving, en daarmee aantasting van zijn eigen eigendomsrecht, tegen te gaan. Daar komt bij dat de door [gedaagde] aangebrachte walbeschoeiing niet meer dan enkele centimeters boven het wateroppervlak uitsteekt en daardoor, evenals door de aanwezige begroeiing, nauwelijks zichtbaar is vanaf het water en/of de oever aan de overzijde. Hierdoor is deze bezitsdaad niet duidelijk kenbaar voor HHSK, zodat deze ook geen openbaar karakter heeft.

[gedaagde] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van inbezitneming van het perceelsgedeelte ook nog een beroep gedaan op de aanwezigheid van het hek van schapengaas. In randnummer 4.8 is reeds beoordeeld dat uit de aanwezigheid van het hek van schapengaas geen inbezitneming kan worden afgeleid.

De rechtbank komt gezien het voorgaande tot het oordeel dat de door [gedaagde] aangevoerde combinatie van bezitsdaden onvoldoende is om te kunnen spreken van openbaar en ondubbelzinnig bezit van het perceelsgedeelte door [gedaagde] . Gelet hierop slaagt het beroep van [gedaagde] op verjaring niet.

Conclusie

Nu het beroep van [gedaagde] op verjaring niet slaagt, is de primaire vordering van HHSK tot ontruiming van het perceelsgedeelte voor toewijzing vatbaar en komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de voorwaardelijke reconventionele vorderingen van [gedaagde] .

HHSK heeft de ontruiming van het perceelsgedeelte gevorderd binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis, maar heeft aan [gedaagde] eerder ook het aanbod gedaan om het perceelsgedeelte te huren. Tijdens de zitting is van de zijde van HHSK aangegeven dat dit aanbod ook nog na vonnis geldig is. Indien [gedaagde] thans van dit aanbod gebruik wil maken, dienen partijen hiertoe een overeenkomst te sluiten. De rechtbank veronderstelt dat de gevorderde ontruimingstermijn volstaat om tot overeenstemming te komen. Ten overvloede wordt overwogen dat in het geval partijen een huur- of gebruiksovereenkomst sluiten voor het perceelsgedeelte, [gedaagde] een titel heeft om het perceelsgedeelte te gebruiken en is hij niet gehouden om het perceelsgedeelte te ontruimen.

Indien [gedaagde] het perceelsgedeelte niet meer wenst te gebruiken, zal hij het perceelsgedeelte binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis moeten ontruimen. Daarbij moet [gedaagde] in ieder geval zijn persoonlijke eigendommen van het perceelsgedeelte verwijderen en verwijderd houden. De rechtbank geeft partijen in overweging om voor afloop van de hiervoor genoemde termijn met elkaar in overleg te treden over de vraag wat de ontruiming verder moet behelzen en of de ontruiming bijvoorbeeld ook zal inhouden dat [gedaagde] het hek van schapengaas of bepaalde beplanting verwijdert van het perceelsgedeelte.

Gebruiksvergoeding

HHSK heeft verder gevorderd om [gedaagde] te veroordelen om een vergoeding te betalen voor het gebruik van het perceelsgedeelte. HHSK wenst de gebruiksvergoeding te bepalen op een bedrag van € 21,58 per jaar. HHSK heeft zijn vordering beperkt tot een periode van vijf jaar voorafgaand aan de dagvaarding.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] kosten heeft gemaakt om het perceelsgedeelte in stand te houden en afkalving van het perceelsgedeelte te voorkomen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het niet redelijk om hem te veroordelen tot betaling van een gebruiksvergoeding. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.

Proceskosten

[gedaagde] is overwegend in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van HHSK worden begroot op:

- dagvaarding € 136,72

- griffierecht € 714,00

- salaris advocaat € 1.228,00 (2 punten tarief II (€ 614))

- nakosten € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal € 2.256,72

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt [gedaagde] om het perceelsgedeelte, weergegeven op de hierboven in 2.2 opgenomen afbeelding, gelegen achter de woning aan de [adres] en onderdeel uitmakend van het perceel, kadastraal bekend gemeente [gemeente] , [kadastraal nummer] , binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van HHSK, tot op heden begroot op

€ 2.256,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;

veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2025.

1366

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?