uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedag] 2005, van Oegandese nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: mr. A.E.M. de Vries),
en
de minister van Asiel en Migratie , de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een mvv voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid bij [persoon] (referent)’ op grond van artikel 8 van het EVRM.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 december 2020 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 december 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, referent en B. Hitchcock als tolk in de Engelse taal. De minister heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Overwegingen
Het griffierecht
4. Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De feiten en omstandigheden
5. Eiseres heeft de Oegandese nationaliteit en verblijft momenteel in Oeganda. Op 18 mei 2018 heeft zij een aanvraag ingediend voor het verlenen van een mvv met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’, omdat zij bij haar broer (referent) in Nederland wil verblijven.
Het bestreden besluit
6. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat dat de identiteit van de gestelde biologische ouders van eiseres, alsmede de familierechtelijke relatie tussen eiseres en haar gestelde biologische ouders en tussen eiseres en referent, niet aannemelijk is gemaakt. De minister werpt in dit verband tegen dat er geen identiteitsdocumenten van de biologische vader zijn overgelegd. Ook werpt de minister tegen dat referent heeft verklaard dat eiseres zijn halfzus is en dat zij een andere vader heeft, terwijl uit de overlegde geboorteakte van eiseres volgt dat zij dezelfde vader hebben. Ook volgt uit de overgelegde overlijdensakte van de vader van eiseres, dat hij is overleden in 2011 terwijl referent in zijn eigen asielrelaas heeft verklaard dat zijn vader is overleden in 1994. Eiseres is geboren in 2005 waardoor het niet duidelijk is wie de biologische vader van eiseres is, en hoe hij op de geboorteakte is geregistreerd. Er bestaan daarom sterkte twijfels over de betrouwbaarheid van de inhoud van de geboorteakte. De geboorteakte kan hierdoor niet de familierechtelijke relatie aantonen. Hierdoor heeft eiseres ook niet aannemelijk kunnen maken dat zij en referent dezelfde moeder hebben.
De minister heeft aan eiseres, in het kader van de integrale beoordeling, niet het voordeel van de twijfel gegeven omdat er sprake is van een contra-indicatie. Referent heeft namelijk gedurende de procedure dusdanig tegenstrijdig verklaard over de biologische vader van eiseres en of hij wel of niet de vader van referent is, dat er geen waarde meer kan worden gehecht aan de verklaringen van referent en aan de overgelegde documenten. Daarnaast heeft referent niet gesteld, en is ook niet gebleken, dat hij de voogdij over eiseres heeft. Tot slot stelt de minister dat broer-zus relaties niet worden onderzocht door middel van
DNA-onderzoek. Er kan enkel DNA-onderzoek worden opgestart om ouder-kind relaties vast te stellen.
Het standpunt van eiseres
7. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag en voert aan dat er geen sprake is van tegenstrijdige verklaringen over de (authentiek verklaarde) documenten zelf. Referent heeft geen tegenstrijdige verklaringen over de gezinsband afgelegd, in zoverre dat hij in zijn asielprocedure enkel heeft weergegeven wat hij als kind van zijn moeder heeft gehoord over zijn vader. De verklaring van de moeder van referent over zijn vader is klaarblijkelijk onjuist geweest maar nu zowel zijn vader als zijn moeder overleden zijn, kunnen haar redenen voor die verklaring niet meer aan het licht komen. Nu wel vaststaat dat referent geen tegenstrijdige verklaringen over de documenten heeft afgelegd en evenmin de minister heeft willen misleiden, ontbreekt de rechtvaardiging voor de stelling van de minister dat er sprake is van een contra-indicatie. Niet de verklaringen maar de feiten zijn namelijk tegenstrijdig.
Verder stelt eiseres dat de minister de afwijzing van haar verzoek om
DNA-onderzoek toe te passen, onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiseres wijst in dit kader op de samenwerkingsplicht tussen de gezinshereniger en de lidstaat die onder meer blijkt uit artikel 11 lid 2 van de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Juridisch kader
8. Uit de uitspraken van de Afdeling van 26 januari 2022 en 31 maart 2022 en de uitwerking van deze uitspraken in Werkinstructie 2022/7 volgt dat per individueel geval moet worden onderzocht of de identiteit en de familierechtelijke relatie tussen de referent en/of het gezinslid in grote lijnen als aannemelijk kan worden beschouwd. Bij deze integrale beoordeling betrekt de minister ook expliciet of de vreemdeling het voordeel van de twijfel krijgt. De minister betrekt onder andere:
- de hoeveelheid en bewijswaarde van de overgelegde documenten en de
inspanning die de referent en/of het gezinslid heeft geleverd om de aanvraag
te onderbouwen;
- de aannemelijkheid en de samenhang van de verklaringen van de referent
en/of het gezinslid voor het ontbreken van relevante documenten;
- de leeftijd en het geslacht van de referent en de betrokkenen;
- de omstandigheden waarin de referent en het gezinslid verkeren;
- de omstandigheden en de administratieve praktijk in het land van herkomst;
- eventuele contra-indicaties.
De minister hoeft geen voordeel van de twijfel te geven (en dus nader onderzoek aan te bieden), als sprake is van contra-indicaties. Van een contra-indicatie kan onder meer sprake zijn als de referent of zijn gezinslid:
tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over (het ontbreken van) documenten;
valse of vervalste documenten heeft overgelegd; of
er anderszins onjuiste of misleidende informatie is verstrekt.
Het oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank overweegt als volgt. Op de geboorteakte van eiseres staat dezelfde naam bij haar vader als de naam van de vader van referent. Dit suggereert dat zij dezelfde vader hebben. Referent heeft in zijn eigen asielrelaas echter verklaard dat zijn vader is overleden in 1994. Gelet daarop is het onmogelijk dat eiseres in 2005 uit dezelfde vader is geboren. Daar komt bij dat op de overlijdensakte die referent heeft overgelegd, staat dat de vader van eiseres in 2011 is overleden. De rechtbank is het met de minister eens dat referent hier geen logische verklaring voor heeft gegeven. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat referent hierover tegenstrijdig heeft verklaard. De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat referent geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, maar enkel heeft herhaald wat hij van zijn moeder in het verleden heeft begrepen. Dat deze feiten tegenstrijdig zijn betekent dan ook nog niet dat referent zelf tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De minister heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat er sprake is van een contra-indicatie omdat referent tegenstrijdig heeft verklaard. Bovendien heeft de minister geen verweerschrift ingediend waar op deze grond is ingegaan en is de minister niet op de zitting verschenen. Wat eiseres heeft aangevoerd is daarom niet door de minister betwist. De beroepsgrond slaagt.
Verder overweegt de rechtbank dat de minister het verzoek van eiseres om
DNA-onderzoek toe te passen, onvoldoende heeft gemotiveerd. Zoals in rechtsoverweging 9 is overwogen heeft referent geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd. De stelling van de minister dat hij niet verplicht is om DNA-onderzoek aan te bieden als er sprake is een
contra-indicatie zoals tegenstrijdige verklaringen gaat dan ook niet op. Daar komt bij dat de minister weliswaar in zijn beleid heeft opgenomen dat er enkel DNA-onderzoek wordt opgestart bij ouder-kind relaties, maar dat in sommige gevallen de minister wel degelijk een DNA-onderzoek afneemt bij broer-zus relaties. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van 13 maart 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, waar de minister uit eigen beweging een DNA-onderzoek was gestart met betrekking tot twee broers. Ten aanzien van deze beroepsgrond overweegt de rechtbank ook dat de minister geen verweerschrift heeft ingediend, niet op de zitting is verschenen, geen inhoudelijke reactie op de beroepsgrond heeft gegeven en de beroepsgrond dus ook niet heeft betwist. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit is genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
11. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken na de dag van het verzenden van deze uitspraak.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Mertens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van verzending van de uitspraak ziet u hierboven.