ECLI:NL:RBDHA:2025:2300

ECLI:NL:RBDHA:2025:2300, Rechtbank Den Haag, 18-02-2025, NL25.6973

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-02-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer NL25.6973
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0011823

Samenvatting

Vervolgberoep bewaring, bewaring inmiddels opgeheven, voortvarend handelen, zicht op uitzetting, belangenafweging, beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.6973

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H. Drenth),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 12 oktober 2023 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Verweerder heeft op 28 januari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 17 februari 2025 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1998.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft

getoetst. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 oktober 2023. Vervolgens zijn al eerder vervolgberoepen beoordeeld. Hierbij wordt

verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 december 2023,

26 januari 2024, 18 maart 2024, 4 juni 2024, 16 augustus 2024, 2 oktober 2024, 12 november 2024, 29 november 2024 en 8 januari 2025. Daarnaast heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 23 april 2024 het verlengingsbesluit beoordeeld en geoordeeld dat de duur van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig is verlengd. Daarom staat nu ter beoordeling of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in het laatste vervolgberoep, 3 januari 2025, rechtmatig is.

De rechtbank oordeelt als volgt

Voortvarend handelen

4. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door na de uitspraak van 8 januari 2025 niet op te schalen en niet vaker te informeren naar de stand van zaken bij de afdeling DIA.

5. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 16 januari 2025 nogmaals schriftelijk is gerappelleerd. Verder is op 9 januari 2025 nog een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Daarnaast heeft verweerder de maatregel op de eerstvolgende werkdag opgeheven nadat het bericht is binnengekomen dat er niet binnen korte tijd een antwoord valt te verwachten van de consul. Hoewel niet is gebleken of tijdig is opgeschaald, heeft verweerder wel voldoende voortvarend gehandeld door de maatregel van bewaring direct op te heffen, nadat bekend werd dat er geen duidelijkheid is over wanneer de consul een reactie zal geven.

Zicht op uitzetting

6. Eiser stelt dat er geen zicht meer was op uitzetting binnen redelijke termijn, omdat de autoriteiten ondanks alle inspanningen geen lp hebben afgegeven. Verder is ook in zijn algemeenheid geen zicht op uitzetting naar Gambia.

7. De rechtbank stelt allereerst dat zicht op uitzetting naar Gambia in algemene zin niet ontbreekt. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van 8 januari 2025. Ook was er in het geval van eiser tot aan het moment van opheffen zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. Immers, de Gambiaanse autoriteiten zijn akkoord gegaan met een schriftelijke presentatie en ze hebben niet medegedeeld dat zij voornemens zijn de afgifte van een lp te weigeren.

8. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat eiser in de gehele periode van zijn bewaring heeft geweigerd mee te werken, zoals blijkt uit het voortgangsrapport en de eerdere uitspraken. Eiser heeft niet aan zijn verplichting tot medewerking voldaan en daarmee zijn uitzetting gefrustreerd. Er zijn door eiser geen concrete aanknopingspunten aangedragen die erop wijzen dat aan hem ook geen lp zal worden verleend als hij wel voldoet aan zijn verplichting tot medewerking, waaronder het verschijnen op een presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten valt. De weigerachtige houding van eiser wordt hem zwaar aangerekend. Onder deze omstandigheden is verweerder namelijk volledig afhankelijk van het onderzoek dat door de Gambiaanse autoriteiten wordt uitgevoerd.

Belangenafweging

9. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring niet langer proportioneel is en dat het belang van eiser zwaarder weegt. De bewaring is echter opgeheven naar aanleiding van de belangenafweging. Verweerder heeft hierbij terecht het belang van eiser zwaarder laten wegen, gelet op het gegeven dat niet duidelijk is wanneer antwoord valt te verwachten van de Gambiaanse autoriteiten en de lange periode waarin eiser in bewaring heeft gezeten. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

10. Tot slot leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 18 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.L. Weerkamp

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?