RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38351
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 van het EVRM voor verblijf bij zijn dochter (referente). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk onvoldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en referente als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. Eiser heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Hij is de biologische vader van referente, zijn minderjarige dochter. Eiser wil met haar in Nederland verblijven. Daarom heeft hij deze aanvraag ingediend. Eiser heeft een verblijfsrecht in Griekenland, maar verblijft momenteel al in Nederland. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser kan worden vrijgesteld van het vereiste dat hij over een machtiging tot voorlopig verblijf moet beschikken, omdat uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het EVRM. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat hier geen sprake van is. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat er geen hechte persoonlijke banden zijn tussen eiser en referente, terwijl dat wel is vereist, nu referente niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren. De minister stelt zich daarnaast op het standpunt dat, zelfs als hij uit zou gaan van het bestaan van familie- of gezinsleven tussen eiser en referente, de belangafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Hierbij is de minister ingegaan op de onderlinge band tussen eiser en referente, of eiser eerder een verblijfsrecht heeft gehad en, zo ja, hoe lang, of het mogelijk is om in het buitenland te wonen, het belang van het kind (referente), de banden met Nederland en de banden met Griekenland.
Heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en referente?
Wat betoogt eiser?
4. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen familie- of gezinsleven tussen hem en referente heeft aangenomen. Eiser wijst hierbij op het arrest L. tegen Nederland van het Hof van Justitie van 1 juni 2004. Uit dit arrest blijkt dat het al dan niet bestaan van familie- of gezinsleven vooral afhankelijk is van het bestaan van nauwe persoonlijke banden. Hierbij is de daadwerkelijke betrokkenheid van de ouder zowel voor als na de geboorte van belang. Eiser heeft vanuit Griekenland contact onderhouden met de moeder van referente. Daarnaast heeft eiser in Griekenland ontmoetingen gehad met referente. Ook in Nederland onderhoudt eiser contact met de moeder van referente en geeft hij invulling aan de relatie met referente. Zo haalt eiser haar op van school, brengt hij tijd met haar door en zorgt hij voor haar op het moment dat de moeder van referente andere verplichtingen heeft. Er is (inmiddels) ook sprake van gezamenlijk gezag. Hierbij wijst eiser op de door hem in beroep overgelegde akte van erkenning. Eiser wil daarnaast graag een volwaardige omgangsregeling, maar kan hij hier nog geen invulling aan geven, omdat hij geen verblijfsrecht heeft in Nederland. Eiser beschikt daardoor niet over eigen woonruimte om referente te ontvangen en het is hem niet toegestaan om te werken. Hij kan daarom op dit moment maar beperkt financieel bijdragen aan de zorg en opvoeding van referente.
Het standpunt van de minister
De minister stelt zich op het standpunt dat hij in het bestreden besluit terecht geen familie- of gezinsleven tussen eiser en referente heeft aangenomen, omdat er geen hechte persoonlijke banden tussen hen zijn. Zo is niet gebleken dat eiser een belangrijke rol heeft in de opvoeding en verzorging van referente. Daarnaast woont eiser niet samen met referente, heeft hij haar niet erkend en heeft hij niet het (gezamenlijk) gezag over haar. Weliswaar maakt de door eiser overgelegde akte van erkenning dat familie- of gezinsleven nu wél kan worden aangenomen tussen eiser en referente, maar dat doet niet af aan de juistheid van het bestreden besluit. Die akte van erkenning is namelijk pas in beroep overgelegd.
Juridisch kader
Uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt dat de minister aanneemt dat sprake is van familie- of gezinsleven tussen een minderjarig kind en zijn biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren) als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. Werkinstructie 2020/16 gaat verder in op de beoordeling van het al of niet bestaan van hechte persoonlijke banden:
“De beoordeling van het familie- of gezinsleven tussen biologische vaders of erkenners en hun kind vraagt om een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. Heeft de biologische vader of erkenner het kind nooit gezien en ook anderszins geen contact met het kind onderhouden, bestaat aanleiding om geen familie- of gezinsleven aan te nemen. Onderhoudt de vader (nog steeds) contact met zijn kind, dan heb je aanleiding om aan te nemen dat wel sprake is van familie- of gezinsleven. De praktijk zal ergens liggen tussen deze twee extremen. Je kunt bij je weging de volgende elementen betrekken:
• de manier waarop de vader op dit moment contact onderhoudt en in het verleden heeft onderhouden met het kind (van bellen en geld overmaken, tot het kind daadwerkelijk zien, betrokken zijn bij de opvoeding, etc.)
• de intensiteit van het contact (heeft sinds de geboorte invulling gegeven aan het familie- of gezinsleven?; hoe regelmatig?; zijn er periodes geweest zonder contact en was dat een eigen keuze of ingegeven door de omstandigheden?)
(…)
Biologische vader of erkenner: opbouwen band met kind
Tussen de biologische vader en zijn kind dat niet is geboren uit een huwelijk of relatie kan sprake zijn van beschermenswaardig familie- of gezinsleven als de vader beperkt invulling heeft (kunnen) gegeven aan het familieleven met zijn kind en zijn relatie wil ontwikkelen met het kind. De vader moet dan aannemelijk kunnen maken dat hij de band met zijn kind wil opbouwen of versterken.”
Het oordeel van de rechtbank
De beroepsgrond slaagt. De minister stelt zich in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd op het standpunt dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven tussen eiser en referente, omdat er geen hechte persoonlijke banden zijn tussen hen. De minister heeft onvoldoende kenbaar aandacht gehad voor eisers verklaringen dat hij referente regelmatig in persoon ziet. Tijdens de hoorzitting van 6 september 2024 (de hoorzitting) heeft eiser verklaard dat hij referente drie dagen in de week van de opvang ophaalt en dan een aantal uren met haar doorbrengt, en dat hij op haar past als haar moeder bijles krijgt. In Werkinstructie 2020/16 staat dat er aanleiding is om familie- of gezinsleven aan te nemen tussen een biologische vader en een kind, als hij contact onderhoudt met zijn kind, waarbij het regelmatig daadwerkelijk zien van het kind een element is dat in het voordeel van de vader wordt meegewogen. Eisers rol bij de opvoeding en verzorging van referente is weliswaar beperkt, maar de minister heeft dit naar het oordeel van de rechtbank bij de beoordeling of sprake is van hechte persoonlijke banden niet zo zwaar in het nadeel van eiser mogen meewegen. Uit de werkinstructie blijkt namelijk niet dat een belangrijke rol in de verzorging en opvoeding nodig is om aan te nemen dat er hechte persoonlijke banden bestaan tussen een biologische vader en zijn kind, hoewel het wel aan die conclusie kan bijdragen. Het is ook niet noodzakelijk dat de biologische vader zijn kind heeft erkend, het gezag heeft of met het kind samenwoont. Overigens heeft eiser wél de wens geuit om referente te erkennen en het gezag over haar te hebben. De gemachtigde van eiser heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat zij bezig waren om dat te regelen.
Overige beroepsgronden
5. De conclusie van het voorgaande is dat de minister zich in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referente. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen waarin hij rekening houdt met dat wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen. De rechtbank komt daarom in deze uitspraak niet toe aan de beoordeling van de gronden die zijn gericht tegen de belangenafweging. Pas als de minister tot de conclusie komt dat sprake is van hechte persoonlijke banden (en daarmee familie- of gezinsleven) moet hij een belangenafweging maken en daarbij het bestaan van de hechte persoonlijke banden betrekken. Bij die belangenafweging moet hij dan ook betrekken dat eiser referente inmiddels heeft erkend en het (gezamenlijk) gezag heeft.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister opnieuw, met inachtneming van deze uitspraak, zal moeten beoordelen of eiser een verblijfsrecht ontleent aan artikel 8 van het EVRM en een belangenafweging in dat kader zal moeten maken. Dat is een beoordeling die is voorbehouden aan de minister. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige afdoening van het geding is. Dat betekent dat de rechtbank de minister zal opdragen om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen. De rechtbank zal de minister dan ook opdragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
7. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Daarom wordt aan eiser een bedrag toegekend van € 1.814,-. Omdat eiser definitief is vrijgesteld van het betalen van griffierecht, hoeft de minister dat niet aan hem te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 6 augustus 2024;
- draagt de minister op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.