RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , eiser en verzoeker, hierna: eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.40168 (beroep)
NL24.40169 (voorlopige voorziening)
[V-Nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
(gemachtigde: mr. A.E. Martinez Linnemann),
en
(gemachtigde: mr. W.A.M. van Hoof).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor uitstel van vertrek op medische gronden. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
Eiser heeft daarnaast de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt dat hij de afhandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op medische gronden. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 juli 2022 afgewezen.
Eiser heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt. Met het besluit van 4 oktober 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Achtergrond
3. De rechtbank gaat uit van de volgende omstandigheden.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In 2019 heeft hij in Nederland asiel aangevraagd. Deze asielaanvraag is afgewezen. Het beroep van eiser tegen die afwijzing is ongegrond verklaard door deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht. Het hoger beroep tegen die uitspraak is ook ongegrond verklaard.
In 2021 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek op medische gronden. Eiser kampt onder andere met een posttraumatische stressstoornis, suïcidaliteit en imperatieve hallucinaties in de vorm van stemmen in zijn hoofd die hem opdrachten geven. Ook heeft hij een matig verstandelijke beperking.
Eiser is meerdere keren gedwongen opgenomen voor zijn medische klachten. De minister heeft eiser voor een van deze opnames in 2023 tijdelijk uitstel van vertrek verleend, voor de duur van die opname.
Sinds 11 november 2023 is voor eiser een mentor aangesteld, omdat eiser als gevolg van zijn lichamelijke en geestelijke toestand niet in staat is ten volle zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen.
Heeft de minister zich bij de besluitvorming mogen baseren op het advies van het BMA ?
4. Eiser voert aan dat de minister zich bij de besluitvorming niet heeft mogen baseren op het advies van het BMA van 6 mei 2024 (hierna: het BMA-advies). Er zijn namelijk concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. In het BMA-advies is namelijk onvoldoende ingegaan op de omstandigheid dat de behandelaars van eiser het risico op suïcide als hoog inschatten, dat eiser meermaals gedwongen is opgenomen en dat hij zich enkel staande houden kan in een gestructureerde omgeving met veel begeleiding.
De gemachtigde van de minister heeft op de zitting betwist dat er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat de minister zich ervan moet vergewissen dat een advies van het BMA naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is, voordat hij zo’n advies aan zijn besluitvorming ten grondslag kan leggen.
De rechtbank overweegt verder dat het BMA bij het geven van een medisch advies moet ingaan op mantelzorg, als hier sprake van is. In het BMA-protocol staat hierover het volgende:
“Naast de medische behandeling is er soms ook sprake van mantelzorg. De behandelaars kunnen dit aangeven in hun informatie aan BMA en worden daar ook naar gevraagd in de brieven (zie bijlage). Mantelzorg is per definitie zorg door niet professionals zoals bijvoorbeeld zorg door familieleden of vrienden. Mantelzorg kan variëren van enige hulp in de huishouding en emotionele ondersteuning tot toezicht op medicatie-inname bij patiënten zonder ziekte-inzicht. Mantelzorg is geen professionele zorg, maar kan – als het aan de orde is – wel een onderdeel van de medische behandeling zijn.”
De rechtbank overweegt dat mentorschap er is voor mensen die niet meer in staat zijn hun medische zaken zelf te regelen vanwege hun geestelijke of lichamelijke toestand. Een mentor krijgt zeggenschap over de verzorging, verpleging, behandeling of begeleiding van de betrokkene die onder mentorschap staat. Het is een vorm van bescherming voor de betrokkene, die door het mentorschap zelf handelingsonbevoegd raakt voor het nemen van beslissingen over deze zaken, juist omdat hij of zij niet meer in staat wordt geacht de gevolgen van dergelijke beslissingen te overzien. Mentorschap gaat in die zin verder dan mantelzorg. De rechtbank is daarom van oordeel dat mentorschap een essentieel onderdeel kan zijn van een medische behandeling op dezelfde wijze als mantelzorg dat kan zijn, omdat het de verbinding legt tussen de aangewezen zorg en het daadwerkelijk krijgen van deze zorg. Nu eiser een mentor heeft, moet het BMA zich daarom bij het geven van een advies daar rekenschap van geven. Dat betekent dat onderzocht moet worden of het mentorschap een essentieel onderdeel is van de medische behandeling en of deze noodzakelijk is om de behandeling te doen slagen.
In het BMA-advies staat over het mentorschap van eiser het volgende opgenomen:
“Uit het dossier blijkt niet, dat mantelzorg voor betrokkene essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling. Wel wordt aangegeven dat betrokkene een mentor toegewezen heeft gekregen om hem in zijn besluitvormingen en beslissingen teondersteunen. Zonder die ondersteuning kan hij zich in het AZCniet handhaven.”
De rechtbank stelt vast dat in het BMA-advies wordt benoemd dat eiser onder mentorschap staat, maar de enkele vaststelling dat deze mentor is toegewezen om eiser te ondersteunen in zijn besluitvormingen en beslissingen doet geen recht aan de aanwijzing van de mentor waarbij de zeggenschap overgaat naar de mentor en eiser zelf handelingsonbevoegd raakt voor zover het zijn zorg betreft. Uit het BMA-advies blijkt niet dat onderzocht is in hoeverre het mentorschap een essentieel onderdeel is van eisers medische behandeling. Ook blijkt niet dat is onderzocht in hoeverre het mentorschap noodzakelijk is voor het slagen van de behandeling. De rechtbank is daarom van oordeel dat het BMA-rapport op dat punt naar wijze van totstandkoming niet zorgvuldig en naar inhoud niet inzichtelijk. De minister mocht het BMA-advies daarom niet ten grondslag leggen aan het bestreden besluit. Nu de minister dit wel heeft gedaan, is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en de minister opdragen een nieuw besluit te nemen op eisers bezwaar.
Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 van de Awb. Het bestreden besluit is daarmee gebrekkig. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister zal voor dit besluit opnieuw advies moeten inwinnen bij het BMA over eisers medische toestand. Het BMA zal de omstandigheid dat eiser onder mentorschap staat expliciet moeten betrekken bij haar nieuw te geven advies.
7. De rechtbank geeft de minister een termijn van acht weken voor het nemen van een nieuw besluit.
8. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze vergoeding aan de hand van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).
9. Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor de gevraagde voorlopige voorziening. De rechtbank zal het verzoek hiertoe daarom afwijzen.
Beslissing
De rechtbank,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.40168,
De voorzieningenrechter,
in de zaak geregistreerd onder nummer: NL24.40169
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
De rechtbank/voorzieningenrechter,
in beide zaken:
- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiser moet vergoeden tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.