ECLI:NL:RBDHA:2025:23022

ECLI:NL:RBDHA:2025:23022, Rechtbank Den Haag, 28-11-2025, NL24.30496 (beroep) en NL22.4753 (voorlopige voorziening) en NL24.30986 (beroep) en NL22.4747 (voorlopige voorziening)

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-11-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer NL24.30496 (beroep) en NL22.4753 (voorlopige voorziening) en NL24.30986 (beroep) en NL22.4747 (voorlopige voorziening)
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzingen van de aanvragen van eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzingen van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzingen van de aanvragen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet in aanmerking komt voor een van de vrijstellingsgronden. Eiser heeft niet aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor verblijf als zelfstandig ondernemer. Op grond hiervan heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor verblijf bij eiser (haar echtgenoot) ook mogen afwijzen. Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser,

[eiseres] , eiseres/verzoekster, hierna: eiseres,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.30496 (beroep) en NL22.4753 (voorlopige voorziening) NL24.30986 (beroep) en NL22.4747 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

V-nummer: [v-nummer 1]

V-nummer: [v-nummer 2]

samen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. B. Aydin),

en

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzingen van de aanvragen van eisers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzingen van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzingen van de aanvragen.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet in aanmerking komt voor een van de vrijstellingsgronden. Eiser heeft niet aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor verblijf als zelfstandig ondernemer. Op grond hiervan heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor verblijf bij eiser (haar echtgenoot) ook mogen afwijzen. Eisers krijgen geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 december 2017 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met het doel ‘verrichten van arbeid als zelfstandige bij [naam 1] V.O.F.’ Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, heeft het beroep tegen de afwijzing van de vergunning met de uitspraak van 11 december 2020 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven.

Eiser heeft op 4 mei 2021 opnieuw een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met het doel ‘verrichten van arbeid als zelfstandige bij [naam 1] V.O.F.’. Bij besluit van 18 februari 2022 is deze aanvraag afgewezen. Het door eiser hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard met het bestreden besluit van 4 juli 2024. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Eiseres heeft op 9 juni 2021 een aanvraag ingediend voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] ’. Bij besluit van 18 februari 2022 is deze aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag voor de vergunning van eiser afgewezen is. Het door eiseres hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard met het bestreden besluit van 9 juli 2024. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft – in de zaak van eiser – op 29 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.

De beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening zijn op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, M. Erbek als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Aanvraag en besluitvorming

3. Eiser is geboren op [datum] 1972 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser verricht voornamelijk werkzaamheden op het gebied van het storten en afwerken van betonvloeren. Hij werkt als zelfstandige voor [naam 1] V.O.F. en is vennoot in dat bedrijf. Eiser heeft bij zijn aanvraag de volgende stukken overgelegd:

Verweerder heeft in het primaire besluit van 18 februari 2022 de aanvraag van eiser afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldige mvv voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Eiser wordt niet vrijgesteld van het mvv-vereiste, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden van de gevraagde vergunning. Verweerder werpt tegen dat het door eiser overgelegde ondernemingsplan summier is en in algemene bewoordingen is opgesteld. Ook is het ondernemingsplan onvoldoende met stukken onderbouwd en ontbreken er bewijsstukken. Verweerder heeft een opsomming gemaakt van de ontbrekende stukken en verwezen naar de lijst met vereiste stukken in bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Nu eiser een niet volledig onderbouwd ondernemingsplan heeft overgelegd kan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) niet beoordelen of eiser met zijn activiteiten een wezenlijk Nederlands belang dient. Verweerder wijst de aanvraag daarom af zonder de RvO om advies te vragen.

Eiser heeft in bezwaar nog aanslagen inkomstenbelasting van de jaren 2019 en 2020 en een diploma Basisveiligheid VCA overgelegd.

Verweerder heeft in het bestreden besluit van 4 juli 2024 eisers bezwaar ongegrond verklaard en zich op het standpunt gesteld dat eiser in de bezwaarprocedure niet alle gebreken heeft hersteld. Er zijn nog steeds onvoldoende stukken overgelegd om de RvO om advies te vragen. Eiser kan verder geen geslaagd beroep doen op het driejarenbeleid. Er is geen aanleiding om eiser te horen. Eiser heeft namelijk nagelaten om informatie over te leggen, terwijl duidelijk was dat die voor de beoordeling voor de aanvraag essentieel was.

Eiser heeft in beroep nog een aantal stukken overgelegd, waaronder een contra-expertise, afschriften van zijn zakelijke rekening, aangiften omzetbelasting van de jaren 2021 tot en met 2024, jaarrekeningen van de jaren 2019 tot en met 2023, aangiften inkomstenbelasting van de jaren 2019 tot en met 2023 en verkoopfacturen.

Beroepsgronden

4. Eiser voert aan dat het ondernemingsplan aan de gestelde voorwaarden voldoet en specifiek genoeg is om aan de RvO voor te leggen. Verweerder heeft zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het ondernemingsplan niet volledig is en in algemene bewoordingen is opgesteld en onvoldoende zou zijn onderbouwd. Verweerder beoordeelt het ondernemingsplan inhoudelijk, terwijl hij niet de bevoegdheid heeft om inhoudelijk te beoordelen. Die bevoegdheid is aan de RvO voorbehouden. Verder heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de op de onderneming toegespitste markt- en concurrentieanalyse niet aan de gestelde eisen voldoet. Ook is eiser van mening dat verweerder zich ten aanzien van de marktanalyse ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze niet is onderbouwd met alle benodigde documenten. Verweerder heeft hierbij miskend dat eiser formeel geen arbeid mag verrichten. Daarom is het logisch dat eiser bepaalde stukken, zoals intentieverklaringen van opdrachtgevers en overeenkomsten van opdrachten, niet kan overleggen. Verweerder heeft zich ten aanzien van de concurrentieanalyse ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze summier is. Het is niet mogelijk om een nog meer gedetailleerde concurrentieanalyse te maken. Uit de stukken die eiser wel heeft overgelegd blijkt echter duidelijk dat het bedrijf voldoende omzet en winst heeft geboekt in de afgelopen jaren. Verweerder heeft zich verder ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser geen gegevens ter onderbouwing van zijn competenties heeft overgelegd. Verweerder heeft daarnaast geen stukken over eisers prijsbeleid en inkoopfacturen mogen verlangen. Eiser voert verder aan dat uit de website van Nuffic en SBB blijkt dat werkgeversverklaringen niet worden gewaardeerd en dat hij geen openingsbalans heeft hoeven over te leggen. Eiser stelt verder dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan het driejarenbeleid. Ook stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord.

In de aanvullende beroepsgronden heeft eiser reacties van ‘Neve consultancy’, Crossing Limits, Emaan en SDK overgelegd. Eiser voert aan dat het ondernemingsplan en de financiële stukken van een onderneming moeten worden gezien als communicerende vaten. Naarmate er meer financiële stukken zijn, moeten minder hoge eisen worden gesteld aan het ondernemingsplan. Hij wijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2024. Eiser voert aan dat uit deze uitspraak volgt dat het documentatievereiste onvoldoende duidelijk is en dat niet aan alle vereisten strikt hoeft te worden vastgehouden.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte al op haar bezwaar heeft beslist voordat er op het beroep van eiser is beslist. Ook heeft zij aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord.

Beoordeling van de beroepen

Het beroep van eiser

Juridisch kader bij beoordeling aanvragen van Turkse zelfstandige

5. Aanvragen van Turkse zelfstandigen voor de verlening van een verblijfsvergunning als zelfstandige worden in verschillende fasen beoordeeld. Eerst beoordeelt verweerder of de Turkse zelfstandige de in bijlage 8aa, behorend bij artikel 3.20a, vierde lid, van het VV (bijlage 8aa) en paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) genoemde documentatie heeft verstrekt (het documentatievereiste). Als de aanvraag niet voldoet aan het documentatievereiste, dan wijst verweerder de aanvraag af. Als de aanvraag volgens verweerder wel voldoet aan het documentatievereiste, dan wordt de aanvraag voorgelegd aan de RvO voor een advies. Verweerder fungeert in dit soort zaken aldus als poortwachter. De RvO – een rijksdienst die onderdeel uitmaakt van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat – beoordeelt vervolgens of de Turkse zelfstandige met de overgelegde informatie aannemelijk heeft gemaakt dat hij met zijn werkzaamheden een wezenlijk Nederlands – economisch – belang dient. Verweerder beslist ten slotte op basis van dit advies of de gevraagde verblijfsvergunning aan de Turkse zelfstandige wordt verleend.

Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat verweerder mag verlangen dat een Turkse zelfstandige bij zijn aanvraag de stukken uit bijlage 8aa en paragraaf B6/4.5 van de Vc overlegt, voordat hij de aanvraag van een Turkse zelfstandige aan de RvO voor advies voorlegt, mits de aanvrager daarover redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. In een uitspraak van 6 juli 2023 heeft de Afdeling verduidelijkt dat de rechtbank bij de beoordeling of verweerder de aanvraag terecht niet ter advisering aan de RvO heeft voorgelegd geen eigen invulling mag geven aan de wijze waarop de RvO tot zijn advies komt, welke stukken de RvO bij zijn advies betrekt en over welke te onderscheiden onderdelen van het advies deze stukken gaan. Als gevraagde informatie ontbreekt, dan kan de rechtbank verweerder niet dwingen om advies te vragen aan de RvO op de grond dat de RvO ook zonder de gevraagde informatie advies kan uitbrengen.

Mag verweerder verlangen dat eiser voldoet aan het documentatievereiste?

6. De rechtbank overweegt dat verweerder de in bijlage 8aa en paragraaf B6/4.5 van de Vc genoemde stukken van eiser mag verlangen. Zij verwijst hiervoor naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling, zoals besproken onder 5.1. Dat in de door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juli 2024 een standpunt is ingenomen over de (on)duidelijkheid van het documentatievereiste, doet hier niet aan af. Immers wordt in die uitspraak al benoemd dat dit standpunt ten overvloede wordt ingenomen en overweegt de rechtbank daar verder ook niet dat het documentatievereiste in het geheel niet gesteld mag worden. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder een eigen beoordeling van de stukken gemaakt?

7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder buiten zijn bevoegdheid treedt omdat hij het ondernemingsplan inhoudelijk heeft beoordeeld terwijl deze bevoegdheid is voorbehouden aan de RvO. Verweerder moet namelijk beoordelen of de aanvraag van eiser voldoet aan het documentatievereiste. Daarvoor moet verweerder – onder andere – beoordelen of het ondernemingsplan compleet is en met voldoende stukken is onderbouwd. Deze beoordeling houdt geen inhoudelijke toetsing aan het criterium ‘wezenlijk Nederlands belang’ in en er is voor deze beoordeling geen specifieke deskundigheid vereist. Dat verweerder zich op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan het vereiste van een wezenlijk Nederlands belang voldoet, is een automatisch gevolg van de omstandigheid dat eiser niet voldaan heeft aan het documentatievereiste en niet een gevolg van de omstandigheid dat verweerder het ondernemingsplan inhoudelijk beoordeeld heeft. Eiser heeft overigens niet concreet kunnen maken op welke punten verweerder de aanvraag inhoudelijk zou hebben behandeld. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet heeft voldaan aan het documentatievereiste?

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet heeft voldaan aan het documentatievereiste en overweegt daartoe als volgt.

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het ondernemingsplan geen gedegen markt- en concurrentieanalyse bevat. De marktanalyse richt zich namelijk op de branche van de algemene woning- en utiliteitsbouw, maar niet op de specifieke branche waarin eiser werkzaamheden wil verrichten, de storting en afwerking van betonvloeren. Daarnaast heeft eiser zijn doelgroep onvoldoende beschreven, nu hij alleen een bouwaannemer als vaste klant heeft genoemd en geen nadere informatie over de relatie met deze bouwaannemer heeft verstrekt. Daarnaast heeft eiser niet toegelicht op basis waarvan hij zijn concurrenten heeft geselecteerd en hoe hij zich zou kunnen onderscheiden van deze concurrenten. Eiser stelt bijvoorbeeld wel dat hij zich zou kunnen onderscheiden van zijn concurrenten door een website te kunnen bouwen, maar hij heeft niet aangetoond dat hij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan. Ook heeft eiser niet aangetoond dat de door hem genoemde concurrenten daadwerkelijk zijn concurrenten zijn, nu eiser niet heeft aangetoond dat zij dezelfde producten, klanten en hetzelfde afzetgebied hebben.

Verweerder heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eisers ondernemingsplan onvoldoende met stukken is onderbouwd en dat er stukken ontbreken. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat hij volgens bijlage 8aa en paragraaf B6/4.5. van de Vc geen inkoopfacturen en geen openingsbalans hoeft over te leggen. Dat doet echter niet af aan het standpunt van verweerder. De stelling van eiser dat hij sommige stukken – zoals intentieverklaringen en overeenkomsten van opdracht – ter onderbouwing van de marktanalyse niet kan overleggen omdat hij formeel geen arbeid mag verrichten, volgt de rechtbank niet. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 7 mei 2024 overwogen dat van een vreemdeling die stelt dat hij al geruime tijd werkt, mag worden verwacht dat hij daarvan stukken kan overleggen. De stelling van eiser dat uit de stukken die hij wel heeft overgelegd echter duidelijk blijkt dat het bedrijf voldoende omzet en winst heeft geboekt in de afgelopen jaren, treft geen doel, nu duidelijk in bijlage 8aa is opgenomen welke stukken eiser in dit kader moet overleggen. Dat eiser zijn prijsbeleid niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt omdat hij zijn uurtarief niet heeft toegelicht en onderbouwd en dat eiser geen referenties en arbeidsovereenkomst(en) van voormalige dienstbetrekking(en) ter onderbouwing van zijn werkcompetenties heeft overgelegd, heeft verweerder, gelet op de onder 5.1. besproken Afdelingsjurisprudentie, mogen tegenwerpen. De rechtbank ziet niet waar eiser op doelt met zijn stelling dat het Nuffic geen werkgeversverklaringen kan waarderen. Verweerder heeft namelijk niet gevraagd om een Nuffic waardering van werkgeversverklaringen.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat eiser op 21 oktober 2025 nog een aantal stukken heeft overgelegd. Eiser heeft echter niet uitgelegd hoe hij met deze stukken alsnog aan het documentatievereiste voldoet.

De beroepsgrond slaagt niet.

Voldoet eiser aan het driejarenbeleid?

9. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat eiser niet op grond van het driejarenbeleid in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Er is geen sprake van relevant tijdsverloop. De aanvraag van eiser van 4 mei 2021 is binnen drie jaar, namelijk met het primaire besluit van 18 februari 2022, afgewezen. Sindsdien is eiser niet meer in onzekerheid over de uitkomst van de procedure. Uit het primaire besluit volgt dat eiser het besluit op zijn bezwaarschrift niet in Nederland mag afwachten. Eiser heeft daarom sinds het primaire besluit geen rechtmatig verblijf meer in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, van de Vreemdelingenwet 2000. Dat eiser op 18 maart 2022 tegen dit besluit bezwaar heeft gemaakt en daarbij een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend, maakt niet dat hij sinds toen wel rechtmatig verblijf had. Het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening is namelijk niet toegewezen. De periode vanaf het indienen van een verzoek tot een voorlopige voorziening geldt daarom tot op heden niet als relevant tijdsverloop voor de driejarentermijn. Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij op grond van verblijfsstickers de gehele procedure rechtmatig verblijf heeft gehad. Eiser heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd of uitgelegd. De beroepsgrond slaagt niet.

Heeft verweerder de hoorplicht geschonden?

10. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op wat hiervoor is overwogen, er geen sprake is van een schending van de hoorplicht. De rechtbank verwijst hierbij naar de Afdelingsuitspraak van 6 juli 2023 waaruit volgt dat als een vreemdeling de vereiste stukken niet heeft overgelegd en geen verklaring heeft gegeven waarom hij daarover niet de beschikking kan krijgen, het minder in de rede ligt dat de vreemdeling wordt uitgenodigd voor een hoorzitting. Verweerder heeft in het primaire besluit aangegeven op welke punten de aanvraag onvoldoende is onderbouwd en welke stukken eiser nog moest overleggen. Nu eiser in bezwaar de gevraagde stukken niet, dan wel onvolledig, heeft overgelegd stond op voorhand vast dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden. Eiser heeft in bezwaar ook niet deugdelijk gemotiveerd over welke gevraagde stukken hij redelijkerwijs (nog) niet de beschikking kan krijgen en waarom hij geen gedegen markt- en concurrentieanalyse kon overleggen. Onder deze omstandigheden hoefde verweerder niet over te gaan tot horen om eiser nogmaals aan te sporen de benodigde stukken over te leggen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat hij op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van horen in bezwaar kon afzien.

Tussenconclusie

11. Verweerder heeft de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met het doel ‘verrichten van arbeid als zelfstandige bij [naam 1] V.O.F.’ mogen afwijzen.

Beoordeling aanvraag eiseres

12. De aanvraag van eiseres was volledig afhankelijk van de aanvraag van eiser. Nu verweerder de aanvraag van eiser heeft mogen afwijzen, heeft verweerder ook de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 2] ’ mogen afwijzen. Dat verweerder hiervoor moest wachten totdat op het beroep van eiser was beslist heeft eiseres niet onderbouwd. Voor het beroep van eiseres op de hoorplicht verwijst de rechtbank, vanwege de verwevenheid van beide procedures, naar wat zij heeft overwogen onder 10.

Conclusie en gevolgen

13. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvragen van eisers heeft kunnen afwijzen en de bezwaren ongegrond heeft kunnen verklaren. Omdat de beroepen ongegrond zijn, krijgen eisers ook het griffierecht niet terug.

14. Nu de rechtbank beslist op de beroepen en deze ongegrond verklaart, is er geen reden meer voor het treffen van de voorlopige voorzieningen. De voorzieningenrechter wijst

daarom de verzoeken daartoe af.

15. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in alle zaken geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Poortier, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het ziet op de hoofdzaak, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. M.M. Poortier

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?