RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37066
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Putten),
en
(gemachtigde: mr. S. Hoesseinbaks).
Procesverloop
Met het besluit van 1 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 in Breda op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser heeft de Guinese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [datum 1] 2004. Op 12 juli 2023 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland. Eiser heeft aan de asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen met de islamitische familie van zijn vader heeft gekregen omdat zijn moeder christelijk was.
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn identiteit niet. Ook acht verweerder de door eiser gestelde problemen met zijn familie vanwege zijn christelijke moeder niet geloofwaardig.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Ten onrechte is zijn jonge leeftijd ten tijde van de gebeurtenissen in en het vertrek uit Guinee hier niet kenbaar bij betrokken. Ook stelt eiser dat hij consistent heeft verklaard geen documenten te hebben. Hij heeft ook verklaard via vrienden te hebben geprobeerd alsnog aan documenten te komen, maar dat is niet gelukt. Hier gaat verweerder ten onrechte aan voorbij. Uit de besluitvorming kan niet opgemaakt worden in hoeverre het referentiekader bij de beoordeling van de asielmotieven is betrokken. Tot slot stelt eiser dat verweerder ten onrechte de gegevens uit Eurodac niet heeft geverifieerd bij de Zwitserse autoriteiten. Verweerder heeft niet onderzocht op basis van welke gegevens de leeftijd in Zwitserland is geregistreerd. Verweerder heeft bovendien niet inzichtelijk gemaakt welke waarde aan de registratie in Zwitserland wordt gehecht en waarom.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder heeft de identiteit van eiser niet ten onrechte niet geloofwaardig geacht. Daarbij is van belang dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen. Ook heeft hij wisselende verklaringen afgelegd over het bezit van een schoolpasje en de mogelijkheden om zijn geboorteakte te achterhalen. De rechtbank volgt dan ook niet het standpunt van eiser dat hij consistent heeft verklaard over (het bezit en de verkrijgbaarheid) van (identiteits-)documenten. Verder volgt uit Eurodac dat eiser in Zwitserland geregistreerd staat met geboortedatum [datum 2] 2002, terwijl hij in Nederland [datum 1] 2004 heeft opgegeven als geboortedatum. Ook over de registratie in Zwitserland heeft eiser wisselend verklaard. Ongeacht welke geboortedatum wordt aangehouden, vast staat dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag meerderjarig was. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gehouden nader onderzoek naar de Zwitserse registratie te doen.
5. Verder heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in de besluitvorming voldoende gemotiveerd uiteengezet op welke punten van zijn relaas over de gestelde problemen met zijn familie eiser wisselend heeft verklaard. Eiser heeft hiertegen geen specifieke beroepsgronden aangevoerd.
6. Eiser stelt dat verweerder in de beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft het referentiekader echter expliciet benoemd in het voornemen en het bestreden besluit. Ook als rekening wordt gehouden met de jonge leeftijd van eiser, mag verweerder echter van hem verwachten dat hij gedetailleerd en consistent kan verklaren over de elementen uit zijn asielrelaas.
Conclusie en gevolgen
7. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.