ECLI:NL:RBDHA:2025:23034

ECLI:NL:RBDHA:2025:23034, Rechtbank Den Haag, 04-12-2025, NL25.16744

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-12-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer NL25.16744
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289

Samenvatting

Zelfstandig schadeverzoekschrift toegewezen. Gemaakte kosten vanwege ten onrechte afwijzen verblijfsvergunning. Vreemdelingenrechter niet bevoegd om verbeurde rechterlijke dwangsommen vast te stellen.

Uitspraak

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. T. Sleeman),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Inleiding

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding ter hoogte van 250 euro, en om verweerder op te dragen verbeurde rechterlijke dwangsommen ter hoogte van 6.700 euro uit te betalen.

Verweerder is niet ingegaan op het verzoek van de rechtbank d.d. 9 mei 2025 om een verweerschrift in te dienen.

De rechtbank heeft het verzoekschrift op 27 november 2025 op een zitting behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

1. Verzoekster is geboren op [datum] 2005, heeft de Chinese nationaliteit, en verblijft sinds 10 november 2015 rechtmatig in Nederland.

2. Op 11 december 2023 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd op grond van de Richtlijn 2003/109/EG (Langdurig ingezetenenrichtlijn). In het besluit van 12 februari 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen vanwege het inburgeringsvereiste. In het besluit van 26 juni 2024 heeft verweerder het daartegen door verzoekster gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

3. Verzoekster heeft beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het besluit van 26 juni 2024. Ondertussen heeft zij met goed gevolg inburgeringsexamens afgelegd en een nieuwe aanvraag ingediend, die op 19 november 2024 is ingewilligd. Drie dagen voorafgaand aan de zitting in het beroep, dat werd behandeld op 19 december 2024, heeft verweerder het besluit van 26 juni 2024 ingetrokken. In het besluit van 8 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond verklaard.

4. Op 28 november 2024 heeft verzoekster verweerder verzocht om vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het besluit van 12 februari 2024. Daarin is aan haar het inburgeringsvereiste tegengeworpen en dit bleek achteraf onjuist te zijn. Daardoor heeft verzoekster kosten moeten maken voor het behalen van inburgeringsexamens ter hoogte van 250 euro. In het besluit van 26 maart 2025 heeft verweerder dit verzoek om schadevergoeding afgewezen. Vervolgens heeft verzoekster op 9 april 2025 de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot een schadevergoeding.

5. Na het intrekken op 16 december 2024 door verweerder van het besluit van 26 juni 2024 heeft verzoekster het destijds lopende beroep voortgezet als een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. In de uitspraak van 20 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21968, heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, dat beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen vier weken na de dag van verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar van verzoekster te nemen met inachtneming van die uitspraak, op straffe van een dwangsom van 100 euro per dag met een maximum van 15.000 euro. Verzoekster voert aan dat deze opdracht ook betrekking had op het inmiddels gedane verzoek om schadevergoeding, zodat verweerder door pas op 8 januari 2025 daarover te beslissen 6.700 euro aan dwangsommen heeft verbeurd. Naast het verzoek om schadevergoeding verzoekt verzoekster de rechtbank dit vast te stellen en verweerder op te dragen dit bedrag uit te betalen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), de hoogste Nederlandse rechter in onder andere vreemdelingenzaken, is de bestuursrechter en daarmee ook de vreemdelingenrechter niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot vaststelling van verbeurde rechterlijke dwangsommen. De reden hiervoor is dat de civiele rechter daartoe bevoegd is. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152, en 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5388. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder negatief heeft gereageerd op een door haar verzonden aanmaning. Dit opent echter niet alsnog een ingang bij de vreemdelingenrechter. De rechtbank zal zich dan ook voor dit onderdeel van het verzoek onbevoegd verklaren. Over het verzoek tot schadevergoeding wordt daarnaast als volgt geoordeeld.

7. Op grond van artikel 72a van de Vreemdelingenwet 2000 is artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van overeenkomstige toepassing op een verzoek tot vergoeding van schade die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan ten aanzien van die vreemdeling als zodanig. Het afwijzen van de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning in het besluit van 12 februari 2024 is een handeling jegens haar in haar hoedanigheid van vreemdeling. Daarom is de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, als vreemdelingenrechter bevoegd om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.

8. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de rechtbank bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die deze belanghebbende lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit. Dit artikel maakt onderdeel uit van Titel 8.4 van de Awb. Het verzoek van verzoekster van 9 april 2025 is aan te merken als een zelfstandig verzoekschrift in de zin van deze titel en voldoet aan de vereisten die deze titel daaraan stelt. Daarnaast is het niet in geschil dat verweerder met het besluit van 12 februari 2024 onrechtmatig heeft gehandeld door ten onrechte het inburgeringsvereiste aan verzoekster tegen te werpen. Dit blijkt overigens ook genoegzaam uit het intrekken door verweerder van het besluit op bezwaar van 26 juni 2024 en uit het alsnog gegrond verklaren van het bezwaar in het besluit van 8 januari 2025.

9. Volgens de vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2957, moet bij de beoordeling van een zelfstandig schadeverzoekschrift aansluiting worden gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht. Dit brengt mee dat achtereenvolgens moet worden beoordeeld of er schade bestaat, of die schade in een causaal verband staat met het onrechtmatige besluit van verweerder, of het relativiteitsvereiste aan vergoeding van schade in de weg staat, hoe hoog de te vergoeden schade is, en of er aanleiding bestaat om de schadevergoeding te verminderen vanwege eigen schuld. Dit volgt uit de artikelen 6:162, 6:163, 6:96 en 6:101 van het Burgerlijk Wetboek.

10. Verweerder heeft niet betwist dat de door verzoekster geleden schade bestaat uit de kosten van 250 euro voor het afleggen van inburgeringsexamens. Bovendien volgt uit het Besluit inburgering 2021 dat het inburgeringsexamen vijf onderdelen heeft, en volgt uit de Regeling inburgering 2021 dat het examengeld voor elk van de onderdelen 50 euro bedraagt. Dit komt dus inderdaad neer op een totaal van 250 euro. Gelet hierop, en op de door verzoekster overgelegde inburgeringsdiploma’s, kan ervan worden uitgegaan dat deze schade bestaat.

11. In het besluit van 26 maart 2025 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de schade niet in een causaal verband staat tot het onrechtmatige besluit van 12 februari 2024. Tijdens de zitting van 27 november 2025 heeft verweerder dit standpunt herhaald. Volgens verweerder is er geen sprake van een causaal verband omdat verzoekster de inburgeringsexamens uit eigen beweging heeft afgelegd in plaats van te wachten op de uitkomst van de door haar ingestelde bezwaar- en beroepsprocedures. De omstandigheid dat verweerder niet aan verzoekster heeft opgedragen om de inburgeringsexamens af te leggen, betekent echter niet dat er geen causaal verband bestaat tussen de geleden schade en het onrechtmatige besluit. De door verzoekster geleden schade bestaande uit kosten voor inburgeringsexamens houdt namelijk rechtstreeks verband met het door verweerder ten onrechte aan verzoekster tegenwerpen van het inburgeringsvereiste. Als dat besluit niet was genomen, waren de kosten ook niet gemaakt. Het vereiste causale verband is dan ook wel degelijk aanwezig.

12. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de met het onrechtmatige besluit geschonden normen moeten strekken tot bescherming tegen de door verzoekster geleden schade. De door verzoekster geleden schade betreft gemaakte kosten en is daarmee vermogensrechtelijk van aard. De met het bestreden besluit geschonden normen zijn de normen van de Langdurig ingezetenenrichtlijn. Aan verzoekster is immers aanvankelijk ten onrechte een verblijfsvergunning op grond van deze richtlijn onthouden. Deze richtlijn beoogt onder meer de economische integratie van derdelanders die gedurende een bepaalde periode rechtmatig in de Europese Unie verblijven te verbeteren. Hierbij wordt verwezen naar preambules 4 en 12 van deze richtlijn. De geschonden normen strekken aldus mede tot bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van verzoekster. Het relativiteitsvereiste staat daarmee niet aan vergoeding van de geleden schade in de weg.

13. Dit leidt ertoe dat de door verzoekster gemaakte kosten ter hoogte van 250 euro zijn aan te merken als vermogensschade die voor vergoeding door verweerder in aanmerking komt. Het verzoek kan in zoverre worden toegewezen. Er is geen aanleiding om dit bedrag te verminderen vanwege eigen schuld aan de zijde van verzoekster. Verzoekster heeft door uit eigen beweging de inburgeringsexamens te behalen veeleer invulling gegeven aan haar plicht tot schadebeperking. Zoals zij onbetwist heeft gesteld, zou er anders namelijk sprake zijn geweest van veel hogere gemaakte kosten aangezien verzoekster zonder een vergunning voor onbepaalde tijd niet in aanmerking was gekomen voor een studiebeurs en een studentenreisproduct voor het openbaar vervoer. Het had verweerder zonder meer gesierd als hij in deze zaak ook schadebeperkend had gehandeld. Hij heeft echter het tegendeel gedaan, onder meer door een onjuist standpunt in te nemen over het causaal verband, door tijdens de zitting in de beroepszaak op 19 december 2024 niet te willen ingaan op het verzoek om schadevergoeding, en door in deze zaak niet in te gaan op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen. De kosten die bij het behandelen van deze zaak gemoeid zijn overstijgen door deze proceshouding veruit de hoogte van de terecht gevraagde schadevergoeding. Dit acht de rechtbank niet passend bij wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht.

14. In het toewijzen van het verzoek om schadevergoeding ziet de rechtbank aanleiding om verweerder ook te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten, en om te bepalen dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van 194 euro moet vergoeden. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op 1.814 euro, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 907 euro en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om verweerder op te dragen rechterlijke dwangsommen te betalen;

 wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt verweerder tot betaling aan verzoekster van een schadevergoeding ter hoogte van € 250 (tweehonderdvijftig euro);

 veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ter hoogte van € 1.814 (achttienhonderdveertien euro);

 bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 (honderdvierennegentig euro) aan verzoekster moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 4 december 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. de Jager

Griffier

  • mr. A.S. Hamans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?