ECLI:NL:RBDHA:2025:23036

ECLI:NL:RBDHA:2025:23036, Rechtbank Den Haag, 28-08-2025, 23/7766

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 28-08-2025
Datum publicatie 05-12-2025
Zaaknummer 23/7766
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0024779

Samenvatting

beroep tegen een afwijzing om een aanvraag omgevingsvergunning oor het legaliseren van een aanbouw / strijd met het bestemmingsplan / beroep gegrond / in het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd waarom de aanbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2025 in de zaak tussen

Ultimatum App B.V., uit Den Haag, eiseres

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 23/7766

(gemachtigde: K. Post),

en

(gemachtigde: A.C. Visser).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag voor een omgevingsvergunning van eiseres. Eiseres wil een omgevingsvergunning voor het legaliseren van een aanbouw die al aan de achterzijde van haar pand is geplaatst. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat het gebruik van de aanbouw als kantoor in strijd is met het bestemmingsplan. Het college wil niet meewerken aan afwijken van het bestemmingsplan. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de weigering van de aanvraag niet goed heeft gemotiveerd. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor een aanbouw aan de achterzijde van haar kantoor. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 21 november 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 oktober 2023 is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 15 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] als vertegenwoordiger van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de vergunning vóór die datum is aangevraagd, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.

Mocht het college de vergunning weigeren?

4. Eiseres is een onderneming die is gevestigd op de begane grond van een pand aan de [adres] in Den Haag. Dit pand staat in een rijtje met andere panden. Aan de achterzijde van het pand ligt een binnenterrein. Daarop heeft eiseres een aanbouw geplaatst om haar kantoor uit te breiden. Voor het pand en het binnenterrein geldt het bestemmingsplan “Schilderswijk”. Voor het pand van eiseres geldt de bestemming “Gemengd”. Voor het binnenterrein waarop de aanbouw staat, geldt de bestemming “Wonen”, zonder nadere functieaanduiding.

Eiseres vindt dat het college de aanvraag voor een omgevingsvergunning niet had mogen afwijzen. Volgens eiseres had het college moeten meewerken aan afwijken van het bestemmingsplan, omdat het plan ruimtelijk aanvaardbaar is. Volgens eiseres is het advies van de Adviescommissie gebaseerd op onjuiste feiten, omdat daarin wordt gesproken van ‘een ondiep binnenterrein waarin de achtertuinen van woningen gelegen zijn’, terwijl het binnenterrein feitelijk grenst aan twee ommuurde tuinen. Ook is geen sprake van verslechtering van het woon- en leefklimaat door verdichting, omdat het perceel al versteend is. Eiseres wil een groen dak op de aanbouw aanbrengen, wat juist een positief effect op het microklimaat heeft. Bovendien zou de aanbouw wel zijn toegestaan als deze werd gebruikt voor wonen, zodat de verdichting volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Eiseres heeft een bezonningsstudie laten doen om aan te tonen dat het effect van de aanbouw op de bezonning van omliggende woningen beperkt is. Ook vindt eiseres dat het besluit om niet mee te werken aan afwijken van het bestemmingsplan niet goed is gemotiveerd en dat het college geen goede belangenafweging heeft gemaakt.

Het college vindt dat het de aanvraag van eiseres mocht afwijzen omdat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Het college wil niet van het bestemmingsplan afwijken omdat op de locatie van het bouwplan bewust is gekozen voor een woonbestemming en omdat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. De aanbouw zal het woon- en leefklimaat verslechteren vanwege verdichting van het binnenterrein. Daardoor vermindert de openheid, wat leidt tot een vermindering van licht en lucht. Ook zal de aanbouw een negatief effect hebben op het microklimaat. Dat de uitbouw een groen dak heeft of krijgt, doet daar niet aan af, omdat eiseres beter een tuin had kunnen aanleggen. Ook is niet relevant of bebouwing op dit perceel was toegestaan, omdat het strijdige gebruik voldoende is om de aanvraag te weigeren. Het college vindt dat het belang om verslechtering van het woon- en leefklimaat te voorkomen zwaarder weegt dan het belang van eiseres bij het krijgen van een omgevingsvergunning. Ook kan afwijken van het bestemmingsplan een precedent scheppen, waardoor de waarde van het bestemmingsplan wordt ondermijnd.

5. De rechtbank is van oordeel dat het college de weigering van de aanvraag onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Op grond van het bestemmingsplan is het gebruik van de aanbouw als kantoor niet toegestaan. Het college heeft de bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Bij de beslissing om wel of geen gebruik te maken van die bevoegdheid heeft het college beleidsruimte. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. Het is alleen mogelijk om een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen als dat niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Het college stelt zich op het standpunt dat het bestemmingsplan een conserverend bestemmingsplan is. Dat is volgens het college voldoende reden om niet mee te werken aan afwijken van het bestemmingsplan. In de toelichting op de planregels staat inderdaad dat het bestemmingsplan “Schilderswijk” tot doel heeft om de bestaande situatie zoveel mogelijk in stand te houden en dat het plan in hoofdzaak een conserverend bestemmingsplan is. Het college mocht het conserverende karakter van het bestemmingsplan betrekken bij zijn beslissing om niet af te wijken van het bestemmingsplan. Toch mocht het college de aanvraag niet afwijzen alleen omdat het plan conserverend van aard is. Als een plan een conserverend karakter heeft, bestaat immers nog steeds de mogelijkheid om een afwijking toe te staan. Dat is waarom eiseres de aanvraag heeft ingediend. Het college moet daarom nog steeds een belangenafweging maken en motiveren waarom afwijken van het bestemmingsplan in dit geval niet wenselijk is.

Het college heeft het standpunt ingenomen dat de aanbouw in strijd is met een goede ruimtelijke ordening omdat hierdoor het woon- en leefklimaat verslechtert omdat de aanbouw zorgt voor onwenselijke verdichting van het binnenterrein. Ter motivering daarvan stelt het college zich enkel op het standpunt dat ‘groen’, ‘licht’ en ‘lucht’ beter zijn dan ‘steen’. De rechtbank acht die motivering niet toereikend. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat eiseres onbestreden naar voren heeft gebracht dat een aanbouw van deze omvang op deze locatie op grond van het bestemmingsplan op zichzelf toelaatbaar is, mits deze ten dienste staat aan de woonbestemming die op het perceel rust. Uit de motivering van het bestreden besluit blijkt niet waarom het gebruik van de aanbouw als kantoor in plaats van als woning onwenselijk is. Ook blijkt daaruit niet wat het effect van (het gebruik van) de aanbouw is op het woon- en leefklimaat van omwonenden. Het had op de weg van het college gelegen dit nader te motiveren. Het college heeft daarom onvoldoende gemotiveerd dat het bouwplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening.

Het college stelt zich ook op het standpunt dat afwijken van het bestemmingsplan een precedent kan scheppen en dat het college daarom niet wil meewerken aan afwijken. Nu het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanbouw in strijd met een goede ruimtelijke ordening wordt geacht, kan het college reeds daarom niet worden gevolgd in zijn standpunt dat de aanbouw een onwenselijk precedent schept. Ook dit punt is het bestreden besluit dus onvoldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank concludeert dat het college de weigering van de aangevraagde omgevingsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien omdat het aan het college is om alle relevante feiten en omstandigheden af te wegen. De rechtbank kan het geschil daarom niet finaal beslechten. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en bepalen dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.

Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding voor haar proceskosten. Deze vergoeding is berekend overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht en bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Groes, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. Al-Qaq, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. K.M. de Groes

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?