[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, het college
(gemachtigde: mr. A.L. van der Gugten).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder], vergunninghouder
(gemachtigde: mr. H. Kremers).
Inleiding
1. Bij besluit van 26 oktober 2020 heeft het college vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor het omzetten van de bedrijfswoning op het perceel [adres] in [plaats] naar een plattelandswoning. De omgevingsvergunning is verleend in afwijking van het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]”.
In het besluit van 30 april 2021 heeft het college het bezwaar van [bedrijfsnaam] B.V. tegen de omgevingsvergunning van 26 oktober 2020 gegrond verklaard, deze omgevingsvergunning herroepen en de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Daartegen heeft vergunninghouder beroep ingesteld. Bij de uitspraak van 24 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5149, heeft de rechtbank het beroep van vergunninghouder gegrond verklaard, het besluit van 30 april 2021 vernietigd vanwege een motiveringsgebrek en het college opgedragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen.
Het college heeft opnieuw op het bezwaar van [bedrijfsnaam] B.V. beslist met het besluit van 29 juni 2023 (bestreden besluit). Daarin heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning van 26 oktober 2020 in stand gelaten.
Eiser, eigenaar van [bedrijfsnaam] B.V., is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 29 juni 2023.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Vergunninghouder heeft een schriftelijk stuk met zijn standpunt ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van het college en vergunninghouder, bijgestaan door zijn gemachtigde. Eiser is niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet-ontvankelijk is in zijn beroep. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontvankelijkheid eiser
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser ontvankelijk is in zijn beroep.
Op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient degene aan wie het recht is toegekend om beroep bij een bestuursrechter in te stellen, daaraan voorafgaand bezwaar te maken. Het bezwaar tegen de omgevingsvergunning van 26 oktober 2020 is gemaakt door [bedrijfsnaam] B.V. Eiser heeft – zoals blijkt uit de ondertekening van het beroepschrift – zijn beroep tegen het nieuwe bestreden besluit, dat gericht is aan [bedrijfsnaam] B.V., op persoonlijke titel ingesteld en niet namens de B.V., zoals het college en vergunninghouder ook naar voren hebben gebracht. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser beroep heeft ingesteld zonder dat hij bezwaar heeft gemaakt.
Ingevolge artikel 6:13 van de Awb kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt. Uit de gedingstukken blijken geen omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat het eiser redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
Gelet op het voorgaande en op artikel 7:1, eerste lid, van de Awb en artikel 6:13 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, is het beroep van eiser tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag beoordelen.
4. De rechtbank overweegt ten overvloede dat het haar voorkomt dat het college het standpunt dat bij het omzetten van de bedrijfswoning in een plattelandswoning een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd inmiddels voldoende heeft onderbouwd, en een deugdelijke afweging heeft gemaakt van het belang van [bedrijfsnaam] B.V. en van het belang van vergunninghouder. Op die punten is in het bestreden besluit uitgebreid ingegaan. Verder ligt, anders dan eiser naar voren heeft gebracht, de woning waar het om gaat binnen de bebouwde kom, gezien de bebouwing in de omgeving en het gebruik daarvan. Ook bij inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit had eiser dan ook geen gelijk gekregen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr.Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.