ECLI:NL:RBDHA:2025:23058

ECLI:NL:RBDHA:2025:23058, Rechtbank Den Haag, 04-11-2025, c09692157 en c09681448

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-11-2025
Datum publicatie 08-12-2025
Zaaknummer c09692157 en c09681448
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002656 BWBR0002685

Samenvatting

Verlenging ondertoezichtstelling (art. 1:260 BW); verlenging machtiging tot uithuisplaatsing (art. 1:265c lid 2 BW); (her)benoeming bijzondere curator

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht

Zaaknummers:

I. C/09/692157 / JE RK 25-1667

II. C/09/681448 / JE RK 25-411

Datum uitspraak: 4 november 2025

Beschikking van de kinderrechter over

I. verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

II. (her)benoeming bijzondere curator

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

- [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

- [minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2013 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] ,

hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat: mr. L. da Silva uit Den Haag,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. A.R. Bissessur uit Den Haag.

mr. G.E. van der Pols,

hierna te noemen: de bijzondere curator, uit Rotterdam.

1. Het verdere verloop van de procedure

Bij de beschikking van 7 november 2024 (C/09/674772 / JE RK 24-1941) heeft de kinderrechter in deze rechtbank mr. G.E. van der Pols benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de belangen van de kinderen te behartigen in de strafzaak van de ouders. Bij de beschikking van 2 mei 2025 (C/09/681448 / JE RK 25-411) heeft de kinderrechter in deze rechtbank mr. G.E. van der Pols tevens benoemt tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om de belangen van de kinderen in het kader van de machtiging uithuisplaatsing te kunnen behartigen.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 7 november 2024;

de beschikking van 2 mei 2025;

het verzoekschrift van 26 september 2025, ten aanzien van verzoek I;

het verslag met bevindingen van de bijzondere curator van 30 oktober 2025;

het verweerschrift van de moeder van 3 november 2025.

Ter zitting is door de bijzonder curator het verslag met bevindingen van de bijzondere curator met bijlagen van 14 juli 2025 overgelegd.

Op 4 november 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

[naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;

de advocaat van de vader;

- de moeder met haar advocaat via videoverbinding;

- de bijzondere curator.

De vader is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2. De feiten

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn erkend door de vader.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] verblijven in een pleeggezin.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 november 2024 [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld tot 7 november 2025.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 13 augustus 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 2] en [minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 7 november 2025.

3. Het verzoek

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [dag] 2026. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling maakt zich nog steeds zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen verblijven inmiddels een jaar in het pleeggezin en ontwikkelen zich daar goed. Het pleeggezin biedt de kinderen de structuur en emotionele beschikbaarheid die zij nodig hebben, waardoor zij toekomen aan hun ontwikkeltaken. [minderjarige 1] heeft moeite om te praten over het verleden en zijn familie. Omdat [minderjarige 1] geen hulpvragen had is het traject met de jongerencoach vroegtijdig beëindigd. [minderjarige 2] is gestart met een traject bij [instelling] en krijgt een coach. Bij [minderjarige 2] wordt gezien dat ze het moeilijk vindt haar emoties te benoemen. De gecertificeerde instelling acht het noodzakelijk dat de kinderen leren omgaan met de gebeurtenissen uit het verleden en vaardigheden ontwikkelen om deze te verwerken en accepteren. Hiervoor dient hulpverlening te worden ingezet. De afgelopen maanden heeft de moeder hulpverlening gevolgd bij de Waag en positieve stappen gezet. De gecertificeerde instelling maakt zich echter zorgen omdat de moeder het geweld dat heeft plaatsgevonden naar de kinderen blijft ontkennen. De gecertificeerde instelling zal samen met de Waag onderzoeken welke stappen hierin mogelijk zijn. De kinderen hebben op dit moment eens per twee weken gedurende één uur een begeleid omgangsmoment. De begeleiding wordt langzaam afgebouwd en de duur opgebouwd. De kinderen geven aan terug te willen naar de moeder, maar zijn hierin ambivalent aangezien zij ook aangeven weinig behoefte te hebben aan uitbereiding van het contact met de moeder. Op dit moment vindt de gecertificeerde instelling thuisplaatsing nog niet verantwoord, omdat erkenning en inzicht in de mishandeling en de gevolgen daarvan bij de moeder ontbreekt. Daarnaast voldoet de moeder nog niet aan alle voorwaarden die de gecertificeerde instelling aan haar heeft gesteld om te kunnen bepalen welke rol zij kan hebben in het leven van de kinderen. De gecertificeerde instelling stelt dat de moeder de komende periode dient te werken aan het accepteren van het tempo van de kinderen en aan dient te sluiten bij hun behoeften (voorwaarde 1b). De moeder spreekt met de kinderen over thuisplaatsing, terwijl dit tegen de afspraken in is. Ook zal de moeder moeten beschikken over adequate opvoedvaardigheden en dient zij emotioneel beschikbaar te zijn (voorwaarde 3). De gecertificeerde instelling wil door de inzet van opvoedondersteuning observeren of de moeder hetgeen zij geleerd heeft bij De Waag ook kan toepassen in de praktijk. Mogelijk dient aanvullende hulpverlening voor de moeder te worden ingezet. De kinderen hebben aangegeven open te staan voor contact met de vader. De gecertificeerde instelling zal onderzoeken op welke manier dit kan worden vormgegeven.

4. De standpunten

Door en namens de moeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De moeder verzoekt de ondertoezichtstelling te verlengen voor ten hoogste zes maanden en het verzoek tot het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing af te wijzen. Daarnaast verzoekt de moeder het voorgestelde opbouwschema en de veiligheidsafspraken vast te leggen in de beschikking. Subsidiair verzoekt de moeder de machtiging tot uithuisplaatsing uit te spreken voor de duur van drie maanden met bindende tussendoelen, zodat bij het behalen van de doelen de uithuisplaatsing eindigt en wordt overgegaan tot thuisplaatsing. De moeder stelt dat het doel waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing is ingezet – het herstellen en opbouwen van het contact en het creëren van meer zicht op de opvoedsituatie – is bereikt. De omgang verloopt positief en vindt plaats bij de moeder thuis waarbij de begeleiding wordt afgebouwd. De moeder heeft aantoonbaar gewerkt aan de veiligheid en haar opvoedvaardigheden, zoals ook blijkt uit de stukken die zij ter zitting aan de kinderrechter heeft overhandigd. De moeder heeft onder meer haar traject bij de Waag succesvol afgerond, een excuusbrief aan de kinderen geschreven, opvoedcursussen gevolgd en een stabiele woon- en werksituatie. Daarnaast geven [minderjarige 2] en [minderjarige 1] aan naar huis te willen. [minderjarige 2] is niet ambivalent en [minderjarige 1] ’ aarzelingen zijn enkel praktisch van aard en oplosbaar. De moeder stelt dat de noodzakelijkheid voor de verlenging van de uithuisplaatsing ontbreekt en dat de kinderen met een strak veiligheidsplan en gefaseerde thuisplaatsing weer bij de moeder kunnen wonen. De moeder stelt als opbouwschema voor de gefaseerde thuisplaatsing het volgende voor:

- Per direct: onbegeleide omgang wekelijks (minimaal 2–3 uur), ook bij moeder thuis; voortzetting goede samenwerking met pleegmoeder (app-groep);

- Binnen 4–6 weken: uitbreiding naar dagdelen/na-schoolse tijd en 1× per twee weken weekend/logeren;

- Binnen 8–12 weken: proefthuisplaatsing met intensieve ambulante gezinsbegeleiding; tweewekelijkse evaluatie met JBW en – indien nodig – de bijzondere curator;

- Specifiek voor [minderjarige 1] : afspraken om school en bijbaan te continueren; reistijd (ca. 30 minuten met tram) wordt praktisch ondervangen via rooster/OV-afspraken.

- Afspraken m.b.t. vader conform de wens van de kinderen: geen contact tenzij en zolang zij dat wensen; bij wijziging via hulpverlening evalueren.

De moeder benoemt dat er meer zicht kan komen op de onderlinge interactie indien er meer en vrijer contact is en door een proefthuisplaatsing te laten plaatsvinden. Door de uithuisplaatsing te verlengen vertraagt dit proces. Ook stelt de moeder dat het tempo van het opbouwschema van de gecertificeerde instelling onnodig traag is.

Namens de vader is ingestemd met het verzochte. De vader ontvangt hulpverlening in detentie. Hij heeft huisvesting geregeld waar hij na zijn detentieperiode naar toe kan en kan blijven werken bij zijn werkgever. De vader heeft zich daarnaast gehouden aan het contactverbod en zal dit blijven doen. Er is een verzoek voor vervroegde vrijlating ingediend, maar hier is nog niet op beslist. De vader zal zich moeten houden aan een meldplicht, ambulante behandelingen en ondersteuning van de reclassering krijgen en daarnaast starten met een hulpverleningstraject bij de Waag. De vader ziet dat de moeder de afgelopen periode hard aan zichzelf heeft gewerkt en pleit er voor dat de kinderen op termijn weer bij de moeder wonen. De kinderen uiten daarnaast geen vrees naar de vader en de moeder.

De bijzondere curator geeft aan dat de kinderen nog steeds ambivalent staan tegenover thuisplaatsing. [minderjarige 1] wil met name terug vanwege zijn vrienden en school die meer in de buurt van zijn ouderlijk huis zijn. [minderjarige 1] kan niet zozeer benoemen dat hij meer of intensiever contact wil met de moeder. [minderjarige 2] wil wel terug naar de moeder, maar de termijn die zij daarbij in gedachten heeft is ook niet duidelijk. Wel geeft ze aan meer contact te willen met de moeder. De bijzondere curator benoemt dat meer zicht dient te komen op de interactie van de moeder met de kinderen alvorens besloten kan worden of de kinderen kunnen worden thuisgeplaatst. Het is nodig dat de gecertificeerde instelling een perspectiefbesluit zal nemen. De bijzondere curator adviseert om de kinderbeschermingsmaatregelen te verlengen. Wat betreft de ondertoezichtstelling ten aanzien van [minderjarige 1] tot zijn meerderjarigheid en ten aanzien van [minderjarige 2] voor de duur van een jaar. Voor de machtiging tot uithuisplaatsing is het wenselijk dat deze voor beide kinderen loopt tot [dag] 2026, zodat er meer duidelijkheid kan ontstaan over het perspectief. De bijzondere curator adviseert daarnaast om te worden herbenoemd zodat hij de belangen van de kinderen kan blijven behartigen en met hen in contact kan blijven over hun visie ten aanzien van het contact met beide ouders en de mogelijke thuisplaatsing.

5. De beoordeling

Verzoek I - verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.

De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Er is nog altijd sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen hebben een belast verleden dat wordt gekenmerkt door veelvuldig huiselijk geweld. Sinds augustus 2024 verblijven de kinderen in een pleeggezin. In het pleeggezin wordt aangesloten bij de behoeften van de kinderen en wordt hen structuur en emotionele beschikbaarheid geboden. Het is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] echter nog lastig om te spreken over de beladen gebeurtenissen en hun emoties. Het is daarom noodzakelijk dat zij de komende periode leren omgaan met deze gebeurtenissen en dit kunnen verwerken. [minderjarige 2] is aangemeld voor een behandeltraject bij [instelling] en krijgt een coach. Het coachingstraject van [minderjarige 1] is vroegtijdig beëindigd, het is echter van belang dat hij de komende periode ondersteuning en hulpverlening krijgt.

Momenteel hebben de kinderen en de moeder eens per twee weken gedurende twee uren een begeleid omgangsmoment. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat de begeleiding langzaam wordt afgebouwd en de duur wordt opgebouwd. Daarnaast zal er opvoedondersteuning worden ingezet om inzicht te krijgen in de opvoedvaardigheden van de moeder. De afgelopen maanden heeft de moeder hard aan zichzelf gewerkt en verschillende hulpverleningstrajecten gevolgd. Ter zitting heeft de moeder twee stukken overgelegd – welke ter zitting door de kinderrechter zijn voorgelezen – waarin de positieve ontwikkelingen van de moeder worden bevestigd. Het is van belang dat wordt onderzocht of de moeder deze handvatten ook in de praktijk kan toepassen in de opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hiervoor is de inzet van opvoedondersteuning noodzakelijk.

Het door en namens de moeder voorgestelde opbouwschema acht de kinderrechter niet in het belang van de kinderen. Het is noodzakelijk dat zowel de kinderen als de moeder voldoende tijd krijgen om de gebeurtenissen te verwerken en te kunnen profiteren van de nog in te zetten hulpverlening bij de moeder thuis. Daarbij is het van belang dat er op gepaste wijze en snelheid wordt gewerkt aan het opbouwen van contact en het toewerken naar thuisplaatsing. Daarom is het de komende periode wenselijk dat de kinderen nog langer in het pleeggezin zullen verblijven.

De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [dag] 2026. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] voor de duur van een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing tot [dag] 2026. Het verzoek wordt voor het overige aangehouden.

De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nog nader te bepalen zittingsdatum aan de rechtbank en de overige belanghebbenden een schriftelijke update te sturen.

De beslissing tot het verlengen van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Verzoek II – (her)benoeming bijzondere curator

De kinderrechter ziet aanleiding om de bijzondere curator te herbenoemen. Naar het oordeel van de kinderrechter is het noodzakelijk dat de bijzondere curator de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook de komende periode blijft behartigen. De kinderen staan ambivalent tegenover het contact met de moeder en de thuisplaatsing. De kinderen benoemen bij de moeder dat ze graag weer bij haar willen wonen, terwijl ze bij de gecertificeerde instelling en de bijzondere curator een andere visie geven. De kinderrechter acht het daarom van belang dat de bijzondere curator langer betrokken blijft om met de kinderen in gesprek te blijven ten aanzien van hun visie op het contact met de moeder en de mogelijke thuisplaatsing.

De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator om schriftelijk verslag te doen aan de kinderrechter, aan de gecertificeerde instelling en de belanghebbenden. De termijn daarvoor verbindt de kinderrechter aan de looptijd van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen, zijnde tot [dag] 2026.

De kinderrechter verzoekt de bijzondere curator om de ‘leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 BW’ in acht te nemen en wijst zij de betrokkenen erop dat zij gevolg dienen te geven aan de door de bijzondere curator te geven instructies.

6. De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot aan zijn meerderjarigheid, te weten tot [dag] 2026;

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 7 november 2026;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg tot [dag] 2026;

(her)benoemt tot bijzondere curator mr. G.E. van der Pols te Rotterdam;

bepaalt dat de bijzondere curator uiterlijk twee weken vóór [dag] 2026 (zijnde de einddatum van de machtiging uithuisplaatsing) schriftelijk verslag dient te doen aan de rechtbank, de gecertificeerde instelling en de belanghebbenden;

bepaalt dat de gecertificeerde instelling en belanghebbenden zo spoedig mogelijk na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator, desgewenst, hierop schriftelijk kunnen reageren; deze reactie dient aan de kinderrechter, aan de bijzondere curator en aan de overige belanghebbenden te worden toegezonden;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting, gelegen vóór [dag] 2026;

gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:

- de gecertificeerde instelling;

- de moeder en haar advocaat;

- de vader en zijn advocaat;

- de bijzonder curator;

- [minderjarige 2] , voor een kindgesprek.

verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update zoals hierboven genoemd aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen;

gelast de griffier een afschrift van deze beschikking te sturen aan de bijzondere curator.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 17 november 2025.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.M. Kroon als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?