RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693509 / JE RK 25-1810
Datum uitspraak: 4 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
- [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] .
- [de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. B.S. van Haeften uit Den Haag.
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 24 oktober 2025 de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming (spoed) toestemming verleent tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] naar een gezinsgerichte voorziening en een machtiging verleent [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 24 oktober 2025 tot 7 november 2025.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 oktober 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] en [naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder met haar advocaat;
- de pleegmoeder.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] .
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] verblijven in een gezinshuis.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 mei 2025 de ondertoezichtstelling en de machtiging verlengd [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 12 juni 2026.
3. Het verzoek
De gecertificeerde instelling verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] van de pleegmoeder naar een gezinsgerichte voorziening. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft eind oktober 2025 van de kinderen zorgelijke signalen vernomen over het verblijf bij de pleegmoeder. De kinderen hebben aangeven geslagen te zijn met een pollepel, voor straf buiten in de regen te moeten zitten en dat zij om zeven uur ’s ochtends de hond moeten uitlaten. De kinderen dragen daarnaast verantwoordelijkheden die niet passend zijn bij hun leeftijd. Ze moeten zelfstandig hun ontbijt klaarmaken en zonder begeleiding naar school lopen. Ook heeft de pleegmoeder meerdere keren omgangsmomenten tussen de kinderen en de moeder afgezegd. De pleegmoeder heeft de afgelopen tijd verschillende persoonlijke en praktische problemen gekend die hebben geleid tot instabiliteit in het gezin. De kinderen hebben hierdoor onrust en onzekerheid ervaren. De gecertificeerde instelling vindt plaatsing bij de pleegmoeder vanwege de instabiliteit, onveiligheid, overtreding van de omgangsafspraken en ongeschikte opvoedpraktijken niet langer verantwoord. De kinderen verblijven momenteel in een gezinshuis. De kinderen vinden het prettig in het gezinshuis en lijken zich te ontspannen. De gecertificeerde instelling vindt het van belang dat de kinderen de komende periode bij het gezinshuis kunnen verblijven zodat er kan worden gezocht naar een perspectief biedend pleeggezin in de regio Den Haag.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is ingestemd met het verzochte. De moeder had het liever anders gezien, maar begrijpt dat het gezinshuis op dit moment de beste plek is voor de kinderen. De kinderen vinden het leuk in het gezinshuis en laten geen probleemgedrag zien. Gelet op de gebeurtenissen van de afgelopen weken vindt de moeder het wenselijk dat de kinderen tot het eind van de ondertoezichtstelling kunnen verblijven bij het gezinshuis. De moeder ziet [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] om de week gedurende twee uur onbegeleid. De moeder ziet graag dat de omgang wordt uitbereid. Ook vindt ze het van belang dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] contact hebben met de pleegmoeder. De moeder benoemt daarnaast dat het noodzakelijk is dat er gezinstherapie wordt ingezet voor haar en de kinderen voordat gewerkt wordt aan thuisplaatsing. Ook wil ze graag opvoedondersteuning als de kinderen weer bij haar komen wonen. Daarnaast stelt de moeder dat de huidige jeugdbeschermer haar werk niet naar behoren uitoefent. De communicatie verloopt slecht, ook ten aanzien van de plaatsing van de kinderen in het gezinshuis, en er wordt geen hulpverlening ingezet door de jeugdbeschermer. De moeder heeft ter zitting aangegeven geen vertrouwen te hebben in deze jeugdbeschermer.
Door de pleegmoeder is verweer gevoerd tegen het verzochte. De pleegmoeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat de jeugdbeschermer niet met haar heeft gesproken in het kader van hoor en wederhoor. Ook heeft de jeugdbeschermer dit nagelaten nadat Levvel, de pleegzorginstantie, heeft aangedrongen te spreken met de pleegmoeder. De pleegmoeder geeft toe dat zij de kinderen een zachte tik heeft gegeven met een pollepel, maar benadrukt met klem dat de andere beweringen van de gecertificeerde instelling zijn gebaseerd op onwaarheden. De pleegmoeder benoemt daarnaast dat de jeugdbeschermer nauwelijks bereikbaar was. In eerst instantie werd de pleegmoeder verteld dat de kinderen één nacht elders zouden verblijven en dat de volgende dag afspraken zouden worden gemaakt. Dit is niet gebeurd en de kinderen zijn toen in een gezinshuis geplaatst. De pleegmoeder vindt het ook kwalijk dat ze de kinderen niet heeft kunnen spreken om hen gerust te kunnen stellen. Ze heeft hen slecht één keer (begeleid) gezien sinds zij in het gezinshuis verblijven. Daarbij viel het haar op dat de kinderen het moeilijk vinden een houding aan te nemen. Daarnaast stelt de pleegmoeder dat zij al ruim een jaar bij de gecertificeerde instelling aangeeft dat zij hulp nodig heeft bij de opvoeding van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] . Ook op school wordt gezien dat [de minderjarige 1] gedrag laat zien dat niet door de beugel kan. Het hulpverleningstraject HECHT is gestart, maar zij konden vanwege de situatie nog geen diagnose stellen bij de kinderen. Net als de moeder, heeft de pleegmoeder geen vertrouwen in de huidige jeugdbeschermer.
5. De beoordeling
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] gedurende ten minste één jaar door de pleegmoeder worden opgevoed en verzorgd, dat zij daarom als belanghebbende in deze procedure dient te worden aangemerkt en dat op grond van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek toestemming van de kinderrechter vereist is om deze verblijfplaats te wijzigen.
Hoewel dit niet met zoveel woorden door de gecertificeerde instelling is verzocht, blijkt uit de toelichting op het verzoek en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht dat het de bedoeling is dat [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] de komende periode in het gezinshuis zullen verblijven. Gelet op deze omstandigheden zal de kinderrechter het verzoek zo opvatten, dat tegelijkertijd een machtiging uithuisplaatsing in een gezinsgerichte voorziening wordt verzocht.
De kinderrechter is van oordeel dat de wijziging van het verblijf van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] toegewezen kan worden. Kortgeleden hebben de kinderen aan de jeugdbeschermer verteld over de gebeurtenissen in het pleeggezin. De kinderen zouden verantwoordelijkheden dragen die niet passend zijn bij hun leeftijd, als straf buiten in de regen moeten zitten en worden geslagen met een pollepel. Als reactie daarop heeft de gecertificeerde instelling [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] met spoed uit het pleeggezin gehaald en in een gezinshuis geplaatst. Ter zitting is door de pleegmoeder naar voren gebracht – en door de gecertificeerde instelling niet weersproken – dat de jeugdbeschermer geen contact met haar heeft opgenomen om de zorgen te bespreken. De pleegmoeder betwist de beweringen van de gecertificeerde instelling en stelt daarbij dat geen sprake is geweest van hoor en wederhoor. Ook is ter zitting gebleken dat de moeder niet voldoende is geïnformeerd door de jeugdbeschermer ten tijde van de overplaatsing.
Het is op dit moment niet duidelijk welke beweringen juist zijn en welke niet. Feit is dat de kinderen een verhaal hebben verteld waardoor er bij de gecertificeerde instelling dermate ernstige zorgen zijn ontstaan over de veiligheid van de kinderen bij de pleegmoeder dat zij met spoed in een gezinshuis zijn geplaatst. De kinderrechter acht het niet wenselijk om de kinderen op dit moment terug te plaatsten bij de pleegmoeder. De kinderen hebben de afgelopen weken veel onverwachte veranderingen meegemaakt en [de minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij het fijn vindt in het gezinshuis en niet terug wil naar de pleegmoeder.
De pleegmoeder is hoe dan ook een belangrijk hechtingsfiguur voor de kinderen. Het is dan ook van belang dat er aandacht is voor contactherstel tussen de pleegmoeder en de kinderen. Ook om de kinderen te verontschuldigen. Daarnaast dient onderzocht te worden of de kinderen in de toekomst weer terug kunnen naar de pleegmoeder. Indien blijkt dat er wat schort aan de opvoedsituatie van de pleegmoeder zal hiervoor hulpverlening moeten worden ingezet.
De kinderrechter benadrukt daarnaast (nogmaals) dat de contactmomenten tussen de moeder en [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] dienen te worden uitbereid. Sinds de zitting van 27 mei 2025 zijn de contactmomenten weliswaar niet langer begeleid, maar nog altijd niet uitbereid in duur of frequentie. De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling met klem dit de komende periode te bewerkstelligen. Ook dient – zoals door de moeder ter zitting is verzocht – gewerkt te worden aan hulpverlening voor het systeem.
Ter zitting is zowel door de moeder als door de pleegmoeder naar voren gebracht dat de samenwerking en communicatie met de huidige jeugdbeschermer niet goed verloopt. Zij hebben beide aangegeven geen vertrouwen meer in haar te hebben en wensen een andere jeugdbeschermer om de ondertoezichtstelling uit te voeren. Ook is door hen de vrees uitgesproken dat de huidige jeugdbeschermer onvoldoende of te langzaam handelt om de situatie te verbeteren. De kinderrechter vindt het van belang dat de gecertificeerde instelling serieus acteert op deze uitspraken.
De kinderrechter verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van vier maanden, te weten tot 7 maart 2025. De kinderrechter houdt het verzoek voor het overige aan.
De kinderrechter verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voor de nog nader te bepalen zittingsdatum aan de rechtbank en de overige belanghebbenden een schriftelijke update te sturen.
De kinderrechter verklaart de beslissing, ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing, uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toestemming tot wijziging van het verblijf van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] naar een gezinsgerichte voorziening;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] in een gezinsgerichte voorziening, met ingang van 7 november 2025 tot 7 maart 2026;
verklaart de beslissing onder 6.2. voor zover uitvoerbaar bij voorraad.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting van mr. M. de Kleine, gelegen vóór 7 maart 2026;
gelast de griffier tegen voormelde zitting op te roepen:
- de gecertificeerde instelling;
- de moeder en haar advocaat;
- de pleegmoeder;
- [de minderjarige 1] , voor een kindgesprek;
verzoekt de gecertificeerde instelling uiterlijk twee weken voorafgaand aan voornoemde zitting een schriftelijke update aan de rechtbank en de belanghebbenden te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 12 november 2025.