RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/692090 / JE RK 25-1656
Datum uitspraak: 4 november 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
- [de minderjarige 1] geboren op [geboortedatum 1] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,
- [de minderjarige 2] geboren op [geboortedatum 2] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,
- [de minderjarige 3] geboren op [geboortedatum 3] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. T. Ertekin uit Den Haag,
[de vader] Tea,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. K. Spaargaren uit Maarsbergen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 september 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk.
De kinderrechter heeft [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] hebben hierover een brief gestuurd.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] .
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] wonen bij hun moeder.
Het gerechtshof Den Haag heeft bij beschikking van 15 januari 2025 de Raad verzocht onderzoek te verrichten naar de omgang tussen de vader en de kinderen en advies hierover uit te brengen.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad maakt zich ernstig zorgen over de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen zijn getuige geweest van de echtscheidingsproblematiek en huiselijk geweld tussen de vader en de moeder. Ondanks dat de vader en de moeder langere tijd uit elkaar zijn, hebben de kinderen last van de strijd tussen hen. De kinderen hebben al vijf jaar geen contact met de vader. De Raad vindt dit zorgelijk voor de identiteitsontwikkeling van de kinderen. Ook is het van belang dat de kinderen een eigen beeld over de vader kunnen vormen en een band met hem kunnen opbouwen. Alle drie de kinderen hebben bij de Raad aangegeven geen contact te willen met de vader. Bij [de minderjarige 1] wordt gezien dat haar schoolresultaten zijn afgenomen, meer gespannen is en moeite heeft om zich te concentreren sinds het gesprek met de raadsonderzoeker over mogelijk contactherstel met de vader. Er zijn geen zorgen over het gedrag van [de minderjarige 2] . [de minderjarige 3] krijgt begeleiding van GGZ Rivierduinen vanwege zijn gedrag op school. Hij kan gedragsproblemen laten zien, druk worden, snel overprikkeld raken, heeft weinig concentratie, vertoont clownesk gedrag en heeft een onrustig stresssysteem. De Raad maakt zich daarnaast zorgen om het feit dat er geen communicatie is tussen de vader en de moeder. Zij verwijten elkaar over en weer van alles en er is sprake van onderling wantrouwen dat ook een culturele oorsprong hebben. De communicatie die er is loopt via de advocaten van beide ouders, maar ook dit verloopt niet vlekkeloos. De Raad ziet dat er kansen blijven liggen om het contact tussen de kinderen en de vader op te bouwen, uit te breiden en hen een neutraal beeld over de vader te laten vormen. Tijdens de vorige ondertoezichtstelling is er geen verbetering gekomen in de omgang, de onderlinge relaties. Er is ook geen hulpverlening ingezet voor de moeder om ervaringen uit het verleden te verwerken en voor de vader om meer inzicht te krijgen in de belevingswereld van de kinderen en op zijn eigen handelen te leren reflecteren. De Raad merkt daarnaast op dat de coronamaatregelen in de periode van 2020 tot 2023 de uitvoering van de ondertoezichtstelling hebben bemoeilijkt. De Raad vindt het noodzakelijk dat de vader en de moeder de komende periode werken aan hun onderlinge communicatie. De Raad merkt wel op dat contactherstel tussen de vader en de kinderen op dit moment te veel spanningen met zich meebrengt voor de kinderen waardoor hier op een later moment pas aan gewerkt kan worden.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is verweer gevoerd het verzochte. Het gezin ontvangt hulpverlening voor de kinderen in het vrijwillig kader. De situatie van de moeder is de afgelopen periode veranderd. Zij heeft werk en volgt een opleiding waardoor het voor haar prettig zou zijn als er een jeugdbeschermer komt die de regie voert en haar ondersteund. Ter zitting is door de advocaat naar voren gebracht dat de kinderen last hebben van de spanningen die bij hen zijn ontstaan naar aanleiding van het raadsonderzoek. Daarnaast zorgen zaken, zoals het blijven weigeren van de vader voor het verlenen van toestemming voor de aanvraag van een paspoort, voor onrust bij de kinderen. De advocaat stelt tevens dat het werken aan of verbeteren van de onderlinge communicatie geen grond is voor een ondertoezichtstelling. De moeder staat open voor een mediation traject waardoor dit kan worden vormgegeven binnen het vrijwillig kader. De moeder verzoekt de kinderrechter het verzoek van de Raad af te wijzen.
Door en namens de vader is ingestemd met het verzochte. Het is tijdens de vorige ondertoezichtstelling onvoldoende gelukt om deze naar behoren uit te voeren. Dit heeft onder andere te maken gehad met de toen geldende coronamaatregelen. De vader benoemt dat hij open staat voor een mediation traject met de moeder om de communicatie te verbeteren. Hij stelt dat er echter meer nodig is om de situatie in positieve zin te verbeteren. Ook vraagt hij zich af of de moeder daadwerkelijk zal meewerken aan het mediation traject. De advocaat van de vader benadrukt daarnaast dat het in het dossier ontbreekt aan kennis over de Soedanese cultuur. De vader volgt de westerse cultuur, terwijl de moeder de Soedanese cultuur toepast in de opvoeding van de kinderen. Zo vreest de vader dat de moeder – indien hij toestemming verleent voor het aanvragen van paspoorten voor de kinderen – met de kinderen vertrekt naar Soedan. De vader wil graag contact met de kinderen en stelt dat een ondertoezichtstelling nodig is om dit te begeleiden. De vader maakt zich daarnaast zorgen over de negatieve beïnvloeding van de moeder en haar familie op het beeld dat de kinderen van de vader hebben.
De gecertificeerde instelling onderschrijft de zorgen en het verzoek van de Raad niet. De gecertificeerde instelling heeft de vorige ondertoezichtstelling van het gezin ook uitgevoerd. Tijdens die ondertoezichtstelling is het niet gelukt om het beoogde resultaat te behalen. De kinderen hebben duidelijk aangegeven geen contact te willen hebben met de vader. Ze ervaren veel onrust en spanningen omtrent dit onderwerp. De kinderen zijn daarnaast op een leeftijd dat ze ook gemotiveerd moeten zijn voor contactherstel. Het is niet mogelijk en niet wenselijk hen te dwingen in contactherstel. De gecertificeerde instelling benoemt daarnaast dat [de minderjarige 3] problematiek laat zien, maar hiervoor hulpverlening in het vrijwillig kader ontvangt. Er is volgens de gecertificeerde instelling geen reden voor een ondertoezichtstelling.
5. De beoordeling
De kinderrechter overweegt het volgende. De kinderrechter is van oordeel dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling. De kinderrechter is van oordeel dat daarvan geen sprake is en overweegt daartoe als volgt.
De grondslag van het verzoek is dat de kinderen jarenlang geen enkele vorm van contact hebben (gehad) met de vader. Uit het verzoekschrift en de verklaringen tijdens de zitting volgt dat de kinderen zich leeftijdsadequaat ontwikkelen en dat er geen andere zorgen over de kinderen leven. [de minderjarige 3] toont gedragsproblemen, maar ontvangt hiervoor hulpverlening van GGZ Rivierduinen. Verder is niet gesteld dat de kinderen door het ontbreken van het contact met de vader ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Daarom is de vraag die voorligt of het niet hebben van contact met de vader de ondertoezichtstelling van de kinderen rechtvaardigt.
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 21 april 2017 overweegt de kinderrechter dat het ontbreken van contact tussen de vader en de kinderen op zichzelf ontoereikend is om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen. De Hoge Raad heeft bepaald dat, om een ondertoezichtstelling te rechtvaardigen, het ontbreken van contact (of omgang) zodanige belastende conflicten of problemen moet opleveren voor de kinderen dat deze, op zichzelf of in combinatie met ander omstandigheden, een ernstige bedreiging opleveren voor de zedelijke of geestelijke belangen van de kinderen en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.
Vooropgesteld is de kinderrechter van oordeel dat het ontbreken van (enige vorm van) contact tussen de vader en de kinderen zorgelijk is. Bezien vanuit het belang van het kind onderschrijft de kinderrechter het uitgangspunt dat een kind onbelast contact met beide ouders moet kunnen hebben, in het bijzonder na een scheiding, tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet. Alle drie de kinderen hebben al jaren geen contact meer met de vader en zij geven al langere tijd aan dat zij geen contact wensen met de vader. De kinderrechter begrijpt de zorgen over eventuele onderliggende redenen van de afwijzing door de kinderen en de mogelijke gevolgen voor hun verdere ontwikkeling. Echter is naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende gemotiveerd dat de kinderen als gevolg van het ontbreken van contact met de vader op dit moment ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd.
Ter zitting is zowel door de vader als door de moeder aangeven dat zij openstaan voor een mediation traject. De gecertificeerde instelling heeft aangegeven dat dit traject ook in het vrijwillig kader kan worden opgestart. De kinderrechter geeft de ouders mee dat het voor de kinderen van groot belang is dat de vader en de moeder dit traject starten en zich hier daadwerkelijk voor inzetten.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek afwijzen.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2025 door mr. M. de Kleine, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 17 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.