Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/75
zaak- /rekestnummer: C/09/695485 / KG RK 25-1648
Beslissing van 5 december 2025
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekster,
strekkende tot de wraking van
mr. M.L. Sandberg-Crommelin,
rechter-plaatsvervanger in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een schriftelijk wrakingsverzoek, op 26 november 2025 per e-mail binnengekomen bij de griffie van Team Jeugd- en Zorgrecht;
- een e-mail van verzoekster van 3 december 2025;
- het proces-verbaal van 4 december 2025 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;
- een e-mail van verzoekster van 4 december 2025 (om 12:14 uur) met als bijlage de ‘Aanvulling op Formeel Wrakingsverzoek tegen Rechter Zandvliet in de Wvggz-zaak tot verlenging’;
- een e-mail van verzoekster van 4 december 2025 (om 19:59 uur).
2. Het wrakingsverzoek
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/09/694690 / FA RK 25-8657 (hierna: de hoofdzaak). De hoofdzaak betreft een door de officier van justitie ingediend verzoekschrift inzake een aansluitende zorgmachtiging voor verzoekster voor de duur van twaalf maanden.
Verzoekster heeft blijkens het op 26 november 2025 ontvangen wrakingsverzoek, voor zover van belang, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd:
“De vooringenomenheid van de zittende rechter wordt geëxpliciteerd door het moedwillig dissociëren van de volgende onweerlegbare, structurele en juridische nulliteiten:
De Rechtbank heeft ten eerste verzuimd de nulliteit inzake de Schending van de Rechtszekerheid door Ongeldige Beschikking te honoreren. De eerdere basisbeschikking bezit geen formele authenticiteit vanwege het ontbreken van de vereiste zegelstempels en/of datumstempels van de griffie.
Dit constitueert een fundamenteel gebrek in de rechtsgeldigheid. Bovendien heeft de Wvggz-rechter de zeswekentermijn voor een reactie op deze ongeldige beschikking overschreden, terwijl zij al vanaf ongeveer 14 tot 16 oktober op de hoogte was van de gebreken. Dit is een additionele schending van het procesrecht.
Bovendien verwierp de rechter de nulliteit Schending van Artikel 7:11 Wvggz. Dit betreft een fatale termijnoverschrijding, hoewel de aanvraag pas op 17 november bij de Rechtbank arriveerde, terwijl de wettelijke uiterlijke indieningsdatum 1 november was. Een dergelijke grove overschrijding van de dwingende termijn maakt de procedure per definitie niet-ontvankelijk.
Ten derde is er sprake van de nulliteit Schending van Artikel 7:9 lid 3 Wvggz. Dit punt werd genegeerd, hoewel de psychiater het veld voor de Blanco Diagnose liet, waardoor de wettelijke en medische grondslag voor de dwangzorg volledig is komen te vervallen.
Een vierde nulliteit betreft de Schending van Onafhankelijkheid en Onrechtmatig Handelen die culmineert in het Verrassingsbezoek. De rechter verwierp het bezwaar tegen de onafhankelijkheid van de psychiater, die collegiale banden heeft met GGZ Rivierduinen. Dit wordt geaggraveerd door het feit dat psychiater [naam 1] onrechtmatig een verrassingsbezoek aflegde zonder enige voorafgaande aankondiging en in gezelschap van een GGZ-medewerkster. Dit is een onaanvaardbare inbreuk op de rechtswaarborgen en impliceert evident partijdige motieven.
De vijfde nulliteit manifesteert zich in de Schending van het Recht op Leven en Gezondheid, nu de rechter weigert de imminente dreiging voor de gezondheid te erkennen. Dit ondanks de pathofysiologisch causale gevolgen van de gedwongen antipsychotica op mijn Homocysteïne-waarde van 40,5 Dit verzuim is al is ingezet vanaf mei/juni 2025, toen GGZ Rivierduinen, vertegenwoordigd door ggz rivierduinen waarbij alle ggz instellingen zich schuldig aan maken en ook psychiater [naam 2] , de toenmalige alarmerende Homocysteïne-waarden reeds negeerden vanaf mei/juni 2025 tot heden. De rechter, de GGZ, de Officier van Justitie én de Geneeskundig Directeur hebben dit dwingende advies van de hematoloog over dit acute gevaar moedwillig naast zich neergelegd.
Ten zesde is er sprake van de nulliteit Structurele Institutionele Nalatigheid van de Rechtbank (Artikel 23 Wet RO). De rechter weigerde de structurele administratieve gebreken (zoals de fouten met de stempels en de te late indiening) te erkennen. Dit wordt verzwaard door het feit dat de rechter en de griffier geen reactie gaven op het aangetekende stuk van 20 oktober. De griffier heeft de papieren binnengekregen, maar weigerde deze door te sturen naar de Wvggz-rechter en de President van de Rechtbank. Door deze dissociatie tracht de rechter de hiërarchische aansprakelijkheid van de Rechtbankpresident voor de nalatigheid van de eigen organisatie en de griffie te maskeren.
De zevende nulliteit betreft de Schending van het Procesrecht door het negeren van een Schorsingsverzoek. De rechter heeft moedwillig nagelaten een beslissing te nemen op het ingediende schorsingsverzoek en hierop geen enkele reactie gegeven. Dit verzoek, dat de rechter al rond 14 of 17 oktober bereikte, werd genegeerd. Het niet reageren op een schorsingsverzoek is een ernstige schending van het beginsel van hoor en wederhoor en de plicht tot een deugdelijke procesvoering, wat de schijn van vooringenomenheid verder versterkt.
De achtste nulliteit is de Schending van de Oorsprong van de Dwang (Onrechtmatige Voortzetting). De rechter negeert dat de Wvggz-procedure haar irregele oorsprong vindt in een vage sepotbepaling van een strafrechtelijke zaak, in plaats van een medisch geëxpliciteerde noodzaak.
Het cumulatieve effect van de vastgestelde inbreuken op de wet en de feiten door de rechter, de griffier en de institutionele nalatigheid genereert de onontkoonbare schijn van vooringenomenheid en constitueert een directe aanval op mijn grondwettelijke rechten. Ik verzoek de Wrakingskamer derhalve onverwijld de wraking van de zittende rechter toe te wijzen en een onpartijdige rechter aan te wijzen die de Wvggz met de vereiste rechtsstatelijke precisie zal geven.”
Bij e-mail van 3 december 2025 heeft verzoekster de wrakingskamer laten weten dat deze wraking alleen actief wordt op het moment dat de rechter haar eis tot niet-ontvankelijkheid negeert én dan vervolgens de zitting toch inhoudelijk gaat behandelen.
Op 4 december 2025 heeft de zitting in de hoofdzaak plaatsgevonden. Nadat de rechter het verzoek van de officier van justitie ontvankelijk had verklaard, heeft verzoekster de rechter gewraakt. Ter zitting heeft zij, blijkens het proces-verbaal van het mondelinge wrakingsverzoek, het volgende aan haar wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
“ - zie de inhoud van het wrakingspapier waarop betrokkene een beroep doet en dat zij naar aanleiding van het verzoek al eerder naar de rechtbank heeft gemaild en volgens betrokkene ook naar de wrakingskamer;
- het verzoek berust op een ongeldige basis. De beschikking van het afgelopen jaar heeft geen zegelstempel en geen datumstempel. Dit is nodig voor de authenticiteit en een datumstempel is nodig voor het hoger beroep. Er kan geen verlening plaatsvinden;
- de rechter is bevooroordeeld omdat er bij de beslissing over ontvankelijkheid één of twee uitspraken van de Hoge Raad bij worden gehaald. Het gaat hier echter niet over de HR maar over hoger beroep. Daarnaast haalt de rechter er een advocaat bij met wie een vertrouwensbreuk bestaat. De rechter heeft aangegeven dat een advocaat in Wvggz-zaken niet verplicht is. maar betrokkene zegt dat zij wettelijk gezien niet zonder advocaat mag zijn.”
In de na de zitting door verzoekster aan de wrakingskamer op 4 december 2025 (om 12:14 uur) gestuurde aanvulling staat, voor zover van belang, het volgende:
“De volgende feiten zijn ter zitting gebleken en dienen ter onderbouwing van de wraking:
Actieve Belemmering van de Waarheidsvinding
Rechter Zandvliet heeft actief voorkomen dat de GGZ/verantwoordelijke psychiater ter verantwoording werd geroepen voor de gevaarlijke en ongeldige zorg:
Opzet Gezondheidsschade te Verdoezelen & Inhoudelijk Onvoorbereid: De rechtbank en de rechter waren vóór de zitting op de hoogte van de geluidsopname (verstuurd op 20 november) met de uitspraken van psychiater [naam 2] .
De feiten met betrekking tot de levensgevaarlijke Homocysteïne-waarde (oplopend tot 41) zijn dermate ernstig dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) reeds een onderzoek naar handhaving heeft ingesteld. Het negeren van deze ernstige feiten door de rechter bewijst de opzettelijke vooringenomenheid ten gunste van de GGZ.
De rechter liet de zitting plaatsvinden in aanwezigheid van een case manager die mij onbekend was, en een case manager die geen kennis had van deze medische feiten.
Door het toestaan van de afwezigheid van de verantwoordelijke psychiater en het laten plaatsvinden van de zitting met ondeskundig personeel, is de feitelijke grondslag doelbewust aan een onafhankelijk oordeel onttrokken.
Juridische Nulliteit genegeerd: De rechter heeft mijn bezwaar dat de basisbeschikking van vorig jaar formeel null en nietig is vanwege het ontbrekende officiële zegelstempel, terzijde geschoven met de stelling dat dit geen fatale fout zou zijn. De rechter weigerde hiermee het onweerlegbare juridische principe te erkennen dat een ongeldige beschikking niet als basis kan dienen voor enige verlenging.
Bewuste Procedurele Manipulatie en Partijdige Verdraaiing
De rechter heeft de te late indiening en de verlopen maatregel willen redden, wat de intentie tot partijdigheid bewijst:
Opzettelijke Vertraging en Zittingskeuze (Informele GGZ-brief): Ik ben in het bezit van een informele brief van de GGZ waaruit blijkt dat een zitting reeds gepland stond op 28 november 2025. Dit bewijst dat de zitting tijdig gehouden kon worden, namelijk vóór de vervaldatum van 29 november. De beslissing om de zitting te verschuiven naar 4 december is hierdoor onverklaarbaar en vormt de basis voor het vermoeden van opzet.
Misbruik van Hoge Raad-Jurisprudentie: De rechter negeerde het harde, wettelijke feit dat de beschikking op papier op 29 november is vervallen en hield vast aan een rekbaar Hoge Raad-argument om de verlenging alsnog inhoudelijk te kunnen behandelen.
De Partijdige Bekentenis en Toegewerkt Wrakingsverzoek: Rechter Zandvliet zei letterlijk het “jammer te vinden” dat zij de zaak niet inhoudelijk kon behandelen. De bewuste keuze om mijn fatale argumenten te negeren, leidde tot mijn uitgesproken idee dat er bewust naar een wrakingssituatie werd toegewerkt om de wettelijk verplichte opheffing van de maatregel te vertragen.
Schending van het Recht op Effectieve Rechtsbijstand
De rechter heeft doelbewust nagelaten om mij van effectieve rechtsbijstand te voorzien, ondanks mijn dringende verzoek sinds 19 november 2025. Dit toont de schending van het fundamentele recht op verdediging:
Ongegronde Afwijzing: De rechter stelde dat de rechtbank “aan haar plicht had voldaan” door twee eerdere advocaten toe te wijzen. Dit standpunt negeerde de feitelijke situatie.
Problematische Advocaten: De eerste advocaat stopte wegens zwangerschap en een fatale fout in een brief. De rechtbank forceerde vervolgens de verschijning van [naam 3] , met wie ik anderhalf jaar geleden reeds een aantoonbare vertrouwensbreuk had.
Weigering alternatief: De rechter weigerde een andere piketadvocaat toe te wijzen, een mogelijkheid die de rechtbank wel degelijk had, waardoor ik ter zitting geen adequate of vertrouwde vertegenwoordiging had.
Conclusie van de Aanvulling:
De combinatie van het actief belemmeren van de waarheidsvinding (in een zaak die reeds door de IGJ wordt onderzocht), het schenden van het recht op effectieve rechtsbijstand, het ontkennen van de nulliteit van de basisbeschikking, de bewuste manipulatie van de zittingsdatum, en het expliciet uiten van de voorkeur voor een inhoudelijke behandeling, bewijst dat Rechter Zandvliet niet onpartijdig was. De rechter heeft mijn noodzaak tot wraking uitgelokt, teneinde de wettelijk verplichte opheffing van de maatregel te vertragen. Ik verzoek de Wrakingskamer deze aanvullende feiten mee te wegen en de wraking van Rechter Zandvliet toe te wijzen.”
In de e-mail van 4 december 2025 (om 19:59 uur) heeft verzoekster het volgende geschreven:
“Middels deze e-mail dien ik een cruciale en dringende aanvulling in op het reeds ingediende Wrakingsverzoek.
Onder het punt "Bewuste Procedurele Manipulatie en Partijdige Verdraaiing" dient het volgende bewijs van partijdigheid van Rechter Zandvliet te worden toegevoegd:
De rechter heeft partijdigheid getoond door te beweren dat zij nog een verzonnen termijn van ‘drie weken’ had om de zitting te houden, zelfs na de onherroepelijke vervaldatum van de zorgmachtiging op 29 november. Dit is een bewuste, onjuiste uitvlucht om de ernstige termijnoverschrijding van de GGZ te dekken en de wettelijke onbevoegdheid van de Rechtbank te negeren.
Dit bewijs van een actieve juridische verdraaiing moet worden meegewogen.”
3. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
De door verzoekster aangevoerde gronden waaruit de vooringenomenheid van de rechter moet blijken betreffen, zo begrijpt de wrakingskamer, grotendeels klachten over (procedurele) rechterlijke beslissingen van de rechter. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Dat is alleen anders in het geval waarin de motivering van de beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebruikte bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Van zo’n situatie is in dit geval geen sprake.
Aan de overige stellingen heeft verzoekster, naar het oordeel van de wrakingskamer, geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd die de vrees rechtvaardigen dat de rechter in deze zaak niet tot het geven van een onbevangen oordeel in staat zou zijn.
Slotsom is dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond is en daarom zal worden afgewezen.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoekster;
• de officier van justitie;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.