RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] eiser,
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42805
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en
(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de niet-ontvankelijk verklaring van zijn asielaanvraag, omdat hij een verblijfsvergunning heeft in Bulgarije.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 24 april 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 4 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Eiser heeft op 25 november 2025 een verzoek om aanhouding gedaan en medegedeeld dat hij en zijn gemachtigde niet aanwezig zullen zijn op de zitting.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het onderzoek op de zitting te schorsen. Dat de gemachtigde van eiser heeft vernomen dat de Bulgaarse ambassade is gevraagd om bewijs over eisers verblijfsstatus in Bulgarije op te sturen is daarvoor onvoldoende. In de eerste plaats is niet onderbouwd dat en wanneer eiser deze informatie heeft opgevraagd bij de Bulgaarse autoriteiten. Ook is niet onderbouwd dat de Bulgaarse autoriteiten deze informatie op korte termijn aan eiser zullen verstrekken. Daarnaast heeft de minister in het verslag gehoor aanmeldfase van 1 september 2025 al gevraagd naar documenten om te onderbouwen dat eisers tijdelijke bescherming in Bulgarije is ingetrokken. Eiser is dus al ruim in de gelegenheid gesteld om hiervan stukken te overleggen, maar heeft dit niet gedaan. De rechtbank heeft op de zitting het onderzoek gesloten.
Het bestreden besluit
3. De minister heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast is bepaald dat eiser zich onmiddellijk dient te begeven naar het grondgebied van Bulgarije. Uit de door eiser overgelegde kopie van zijn verblijfsvergunning van Bulgarije blijkt dat deze geldig is van 23 november 2022 tot 22 november 2025. Eiser heeft in februari 2024 vernomen dat zijn Bulgaarse verblijfsvergunning zou zijn ingetrokken. Hij heeft tot op heden geen documenten overgelegd waaruit dit blijkt. De minister concludeert dat eiser in Bulgarije internationale bescherming heeft. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat op basis van de door eiser overgelegde stukken en zijn verklaringen niet is gebleken dat er sprake is van bijkomende omstandigheden die zouden maken dat eisers situatie als mensonwaardig moet worden beschouwd. De minister stelt tot slot dat eiser een zodanige band heeft met Bulgarije dat het redelijk voor hem is om naar dat land te gaan. Eiser is niet alleen in het bezit van een verblijfsvergunning in Bulgarije, maar heeft ook lange tijd in Bulgarije gewoond, gewerkt en een eigen bedrijf. Die band is daarom volgens de minister sterker dan de band met Nederland.
Beoordeling door de rechtbank
Over het als herhaald en ingelast beschouwen van de zienswijze
4. De rechtbank overweegt dat eisers stelling dat zijn zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om aan te merken als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of niet toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Mag de minister ervan uitgaan dat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet?
5. Eiser betwist dat hij in Bulgarije internationale bescherming geniet, omdat hij van de Bulgaarse ambassade heeft vernomen dat de Bulgaarse immigratiedienst zijn verblijfsvergunning heeft ingetrokken. Als hij zich bij de Bulgaarse douane meldt, zal zijn verblijfsdocument worden ingenomen en vreest hij geen toegang meer te krijgen tot Bulgarije. Eiser is bezig om via zijn Bulgaarse advocaat een bewijs van intrekking te krijgen, maar dat is buiten zijn schuld om tot op heden nog niet gelukt. Eiser voert aan dat hij in bewijsnood verkeert.
De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 2010 een verblijfsvergunning heeft op basis van tijdelijke bescherming in Bulgarije. Deze verblijfsvergunning heeft eiser elke drie jaar verlengd. De laatste verlenging is van 23 november 2022. De rechtbank volgt de minister in zijn stelling dat eiser geen bewijs heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiser geen internationale bescherming meer geniet in Bulgarije. Eiser is sinds februari 2025 in Nederland en heeft de gelegenheid gehad om documenten te overleggen die zijn verklaringen zouden kunnen onderbouwen. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat eiser in bewijsnood verkeerd en hij heeft dit verder ook niet onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister terecht heeft mogen stellen dat eiser niet heeft onderbouwd dat zijn verblijfsvergunning in Bulgarije is ingetrokken.
De omstandigheid dat de datum op eisers verblijfsvergunning is verlopen op 22 november 2025, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser geen internationale bescherming meer geniet in Bulgarije. Zoals ook is geoordeeld door de Afdeling in haar uitspraak van 1 november 2023, kan het niet verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsdocument weliswaar leiden tot het starten van een procedure om te beoordelen of die status kan worden ingetrokken, maar mag de minister er toch van uitgaan dat de statushouder in Bulgarije internationale bescherming heeft. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat een dergelijke procedure is gestart. Mocht deze procedure toch worden gestart dan kan eiser in die procedure te kennen geven het daarmee oneens te zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel en schending van artikel 3 van het EVRM
6. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer naar Bulgarije terechtkomt in een situatie van zeer vergaande materiële deprivatie. Omdat hij geen verblijfsvergunning meer heeft in Bulgarije, zal hij geen huisvesting, opvang, werk of toegang tot medische voorzieningen kunnen krijgen. Eiser voert aan dat hij dit na de intrekking van zijn vergunning heeft ervaren, waardoor hij dakloos werd en moest zwerven. Daarnaast stelt eiser dat er concrete elementen zijn van structurele uitsluiting, sociale isolatie en risico op medische verwaarlozing. Die situatie is strijdig met artikel 3 van het EVRM en het arrest-Ibrahim. Verder voert eiser aan dat hij vreest dat hij bij terugkeer naar Bulgarije in bewaring wordt gesteld en vanuit de gevangenis terug wordt gestuurd naar Irak.
De rechtbank stelt als uitgangspunt voorop dat de minister voor Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit betekent dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat de behandeling van een vreemdeling in de lidstaat waar de betrokkene internationale bescherming geniet, in overeenstemming is met de bepalingen van het Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Het is aan eiser om dat vermoeden te weerleggen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangedragen waarom de minister daar in zijn geval niet van zou mogen uitgaan. Eiser heeft een verblijfsstatus in Bulgarije, zodat aan hem formeel gezien gelijke rechten toekomen als aan Bulgaarse staatsburgers op het gebied van werk, gezondheidszorg, sociale huisvesting, onderwijs en sociale voorzieningen. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat zijn verblijfsvergunning in Bulgarije is ingetrokken en dat hij in Bulgarije moeilijkheden heeft of zal ervaren. Daarnaast blijkt uit zijn verklaringen niet dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om de gestelde intrekking van zijn vergunning ongedaan te maken. Zo heeft eiser contact gehad met een advocaat in Bulgarije, maar heeft hij geen beroep ingesteld tegen de gestelde intrekking. Ook heeft eiser niet met documenten onderbouwd dat hij naar aanleiding van deze intrekking een inreisverbod van vijf jaren heeft opgelegd gekregen en hij mogelijk bij terugkeer naar Bulgarije in bewaring wordt gesteld. Uit het gehoor blijkt dat eiser deze informatie heeft gehoord bij de immigratiedienst in Bulgarije, waar hij af en toe vrijwillig ging tolken. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiser al geruime tijd in Bulgarije verbleef waar hij een huis, auto en eigen bedrijf heeft. Bovendien heeft eiser aangegeven in zijn gehoor dat hij zijn asielaanvraag enkel heeft ingediend om aan een postadres te komen om een derde afdeling van zijn bedrijf te openen. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser bij terugkeer, door onverschilligheid van de Bulgaarse autoriteiten, buiten zijn eigen wil en keuzes om terechtkomt in een situatie van zeer vergaande materiële deprivatie. Het beroep van eiser op het arrest Tarakhel slaagt ook niet. Nog los van de vraag of dit arrest van toepassing is op vreemdelingen met een verblijfsvergunning in een andere lidstaat, is niet gebleken dat eiser een kwetsbare vreemdeling is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser moet terugkeren naar Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.