ECLI:NL:RBDHA:2025:23143

ECLI:NL:RBDHA:2025:23143, Rechtbank Den Haag, 27-02-2025, C/09/679118 / FA RK 25-511

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-02-2025
Datum publicatie 08-12-2025
Zaaknummer C/09/679118 / FA RK 25-511
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827

Samenvatting

Internationale kinderontvoering, uitgaande zaak, Egypte

Uitspraak

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 23 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.H. Weermijer-Patist te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres, nu verblijvende in Egypte op een onbekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift.

Op 13 februari 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

De moeder is – hoewel goed opgeroepen zowel op haar adres volgend uit de Basisregistratie personen (hierna: BRP), in de Staatscourant van 4 februari 2025, nr. 4832, en via haar bij de vader bekende e-mailadres – niet op de zitting verschenen.

Feiten

- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 te [geboorteplaats 1] , [geboorteland] ,

- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2022 te [geboorteplaats 2] .

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht:

de onmiddellijke terugkeer te gelasten van de minderjarigen naar Nederland, uiterlijk op 21 februari 2025, althans uiterlijk op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum en wijze, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar Nederland;

te bevelen, voor het geval de moeder nalaat de minderjarigen binnen de door de rechtbank gestelde termijn terug te laten keren naar Nederland, dat de moeder de minderjarigen, de paspoorten en de overige benodigde geldige reisdocumenten van de minderjarigen aan de vader zal afgeven, onmiddellijk, althans op een door de rechtbank te bepalen datum en wijze, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar Nederland;

de moeder te veroordelen tot betaling van een nog te specificeren bedrag aan de vader ter zake van de gemaakte proceskosten die de vader in verband met de ontvoering en het verzoek tot teruggeleiding heeft gemaakt en nog dient te maken,

een en ander uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Rechtsmacht

De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980.

Omdat de regels van internationaal bevoegdheidsrecht in procesrechtelijke zin van openbare orde zijn, zal de rechtbank de vraag naar haar rechtsmacht ambtshalve aan de orde stellen.

Het gaat hier om een zogeheten ‘uitgaande zaak’, wat betekent dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn overgebracht vanuit Nederland naar een ander land. Dit land – Egypte – is geen partij bij het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). De internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter wordt in dergelijke niet door het Verdrag bestreken gevallen geregeld door artikel 3 van het wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).

Op grond van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, heeft de Nederlandse rechter in dit soort gevallen rechtsmacht als de verzoeker in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft.

De woonplaats van de vader is in Nederland. De rechtbank acht zich op grond hiervan bevoegd om op basis van artikel 3, aanhef en onder a, Rv, van het verzoek tot teruggeleiding kennis te nemen en verwijst daartoe nog naar het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1085).

Hoewel Egypte geen partij is bij het Verdrag, is volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst.

Op grond van artikel 11 lid 1 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

De rechtbank ziet in het bepaalde in artikel 2 en 13 lid 3 van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen. Dit neemt niet weg dat de teruggeleidingsrechter in niet door het Verdrag bestreken gevallen van internationale kinderontvoering in het algemeen de nodige ruimte heeft om, indien daartoe aanleiding bestaat, af te wijken van de verdragsregeling (zie Hof Den Haag 19 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2020).

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

De vader stelt het volgende. De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland. Zij staan in Nederland ingeschreven op het adres van de moeder en bij beschikking van 28 maart 2024 is ook bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. De ouders hanteren een co-ouderschapsregeling waarbij de kinderen in de ene week bij de vader en in de andere week bij de moeder verblijven. [minderjarige 1] gaat in Nederland ook naar school.

De moeder had de wens op met de kinderen op vakantie te gaan naar Egypte, maar de vader heeft hier geen toestemming voor gegeven. De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling van haar vordering tot vervangende toestemming bij de voorzieningenrechter desgevraagd aangegeven enkel voor een week met vakantie te zullen gaan naar Egypte met de kinderen en te zullen terugkeren naar Nederland. De moeder is op 3 januari 2025 niet teruggekeerd naar Nederland en heeft vervolgens aan de vader bericht in Egypte te zullen blijven.

De rechtbank stelt vast dat de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onmiddellijk voor hun verblijf in Egypte hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden en dat het gezagsrecht, voordat de moeder besloot om met de kinderen in Egypte te blijven, gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend. Er is daarom sprake van achterhouding van de kinderen in Egypte in strijd met het gezagsrecht van de vader. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat de vasthouding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Egypte aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in Egypte zijn geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgronden

Hoewel de moeder niet op de zitting is verschenen heeft zij twee e-mails naar de rechtbank gestuurd. In de berichten geeft de moeder aan bang te zijn voor de vader. De moeder geeft in de e-mails aan dat zij niet terug wil komen naar Nederland met de kinderen omdat zij de kinderen wil beschermen tegen fysiek en emotioneel geweld. De e-mails van de moeder roepen de vraag op of er sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. De vader heeft op de zitting aangegeven dat het beeld dat de moeder schetst niet klopt. Hij heeft ook aangegeven dat er een tijd geleden een incident heeft plaatsgevonden tussen de ouders en dat hij naar aanleiding van dat incident strafrechtelijk vervolgd wordt of zal worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gebleken is dat er in september 2022 een incident heeft plaatsgevonden tussen partijen waarbij de vader de moeder zou hebben bedreigd. De Raad heeft op de zitting aangegeven dat er naar aanleiding van dit incident hulpverlening bij het gezin betrokken is geraakt. Er zijn verschillende instanties bij het gezin betrokken geweest waaronder Veilig Thuis, [instelling 1] en [instelling 2] . Er was ook hulp vanuit re-care om te integreren en ook de woningstichting is ingeschakeld. De Raad heeft aangegeven dat er ook een beschermingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Uit het onderzoek kwam naar voren dat er weliswaar zorgen zijn die een zorgelijke situatie opleveren, maar dat deze zorgen voornamelijk zijn gelegen in de relatie tussen de ouders. Er waren ook zorgen om de kinderen, maar deze zorgen zouden niet dusdanig ernstig zijn geweest dat deze een ontwikkelingsbedreiging zouden hebben opgeleverd.

De rechtbank concludeert uit al het voorgaande dat er weliswaar voordat de moeder met de kinderen naar Egypte vertrok, zorgen waren over het welzijn de kinderen, doch dat deze zorgen niet een weigeringsgrond opleveren in de zin van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag. Ook als er een reëel risico zou bestaan dat de kinderen bij terugkeer in Nederland zouden worden blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan zouden de kinderen in Nederland tegen dit gevaar kunnen worden beschermd gezien de hulpverlening die bij het gezin betrokken is.

Nu niet is gebleken dat er sprake is van een van de in artikel 13 van het Verdrag genoemde weigeringsgronden en er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde overbrenging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de indiening van het verzoekschrift, dient naar analogie van het bepaalde in artikel 12 lid 1 van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te volgen.

De rechtbank zal dan ook de teruggeleiding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bevelen overeenkomstig het verzoek van de vader.

De Raad heeft op de zitting aangegeven dat de hulpverlening voor de ouders klaar staat en dat zowel de moeder als de vader in contact kunnen treden met de Raad voor ondersteuning bij de terugkeer van de kinderen in Nederland. De ouders kunnen daarvoor contact opnemen met mevrouw [naam] van de Raad. Indien de ouders niet over de contactgegevens van mevrouw [naam] beschikken, dan kunnen zij deze opvragen bij de rechtbank.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

Ingevolge artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat zij zo snel mogelijk terugkeren naar Nederland, zonder de hoger beroepstermijn af te wachten. De rechtbank zal de beschikking daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Kosten

De vader heeft verzocht de moeder te veroordelen tot betaling een nog te specificeren bedrag aan de vader ter zake van de gemaakte proceskosten die de vader in verband met de ontvoering en het verzoek tot teruggeleiding heeft gemaakt en nog dient te maken.

De rechtbank ziet in deze zaak onvoldoende aanleiding om, zoals door de vader is verzocht, de moeder in de proceskosten te veroordelen. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om de moeder te veroordelen in de door de vader gemaakte (en eventueel nog te maken) kosten in verband met de ontvoering en het verzoek tot teruggeleiding als bedoeld in artikel 13 lid 5 van de Uitvoeringswet Internationale Kinderontvoering nu deze kosten niet nader zijn gespecificeerd. De rechtbank zal de proceskosten dan ook compenseren zoals hierna vermeld, en het verzoek voor het overige afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

gelast de terugkeer van de minderjarigen:

naar Nederland, waarbij de moeder de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te brengen naar Nederland en beveelt, indien de moeder nalaat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] terug te brengen naar Nederland, dat de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 13 februari 2025, opdat de vader [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf mee terug kan nemen naar Nederland;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 februari 2025.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.C. Olland

Griffier

  • mr. A.F. Lemmens

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2025/706
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?