Internationale kinderontvoering
Beschikking op het op 19 september 2025 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Marjanović te Eindhoven.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank onbekend adres in het buitenland.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te bepalen dat:
Feiten
Beoordeling
Rechtsmacht van de Nederlandse rechter
De Nederlandse rechter moet ambtshalve toetsen of hij bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] vanuit Estland naar Nederland.
Het verzoek van de moeder is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Estland zijn partij bij het Verdrag.
Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.
De beslissing op een op het Verdrag gebaseerde verzoek tot onmiddellijke teruggeleiding is geen beslissing ten gronde, maar heeft het karakter van een ordemaatregel. In het Verdrag is niet geregeld welke rechterlijke autoriteit in geval van een rechtstreeks bij de rechter ingediend verzoek tot teruggeleiding bevoegd is daarvan kennis te nemen.
De Hoge Raad heeft echter geoordeeld dat – gelet op de systematiek van het Verdrag – moet worden aangenomen dat een op het Verdrag gebaseerd verzoek tot teruggeleiding van een kind dat, naar zeggen van de verzoekende ouder, ongeoorloofd is overgebracht vanuit de verdragsluitende staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft naar een andere verdragsluitende staat, of in die andere staat wordt vastgehouden, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt (HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834).
Uit het verzoekschrift is gebleken dat de moeder van [minderjarige] stelt dat [minderjarige] tijdens een omgangsmoment in Nederland door de vader, zonder (voorafgaande) toestemming van de moeder, is meegenomen vanuit Nederland naar Estland. Nu Estland is aangesloten bij het Verdrag is de Nederlandse rechter niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding van [minderjarige] vanuit Estland naar Nederland. Door de moeder zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot een andersluidend oordeel. De moeder moet een verzoek tot teruggeleiding in dienen bij het bevoegde gerecht in Estland. De rechtbank zal zich daarom aanstonds onbevoegd verklaren.
Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteland] , vanuit Estland naar Nederland.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 3 oktober 2025.